100 jaar De Stijl: wie Vilmos Huszár wil leren kennen, moet naar Harderwijk

Piet Mondriaan, ja, die kennen we allemaal wel. Maar hoeveel mensen hebben ooit gehoord van Vilmos Huszár? Waarschijnlijk bleef de Hongaarse mede-grondlegger van De Stijl onderbelicht door zijn woonplaats: het Veluwse dorpje Hierden, vlakbij Harderwijk.

Jaren geleden kwam de Harderwijker kunstliefhebber en publicist Jos Kunne al met de suggestie aandragen: vier nou straks het eeuwfeest van De Stijl met een expositie en monografie over de Hongaar die hier op Oostergaarde begraven ligt, Vilmos Huszár!

“Maar ik had die naam nog nooit gehoord,” bekent Corien van der Meulen, directeur van het Stadsmuseum Harderwijk. Precies in dat feit lag haar aanvankelijke aarzeling. Sinds 2013 ondervindt ook ‘haar’ museum de bezuinigingen aan den lijve, dus leek het riskant om te investeren in ‘de grote onbekende van De Stijl’ zoals Huszár wel is genoemd.
Van der Meulen: “In 2015 hadden we onze expositie ‘Rembrandt in Zwart-Wit’. Dat was precies wat het museum nodig had: een naam die aanspreekt. Maar wie kent Huszár? En bovendien, hoe kom je aan werk? Ja, er bevindt zich het nodige in het Gemeentemuseum Den Haag, maar dat krijg je als klein museum echt niet in bruikleen.”

Verhalen

Omdat het idee haar desondanks toch bleef bezighouden, besloot ze om een onbetwiste autoriteit te raadplegen: Sjarel Ex, directeur van Museum Boijmans Van Beuningen. “Ik wist dat hij in De Stijl was gespecialiseerd en onderzoek had gedaan naar Vilmos Huszár. Dus in mei 2016 heb ik de stoute schoenen aangetrokken en hem gevraagd of hij bij een expositie onze adviseur wilde zijn.”
Dat wilde Sjarel Ex wel. “Maar richt je als Stadsmuseum dan op die periode in Hierden,” luidde zijn voornaamste advies. “Betrek alsjeblieft de lokale bevolking erbij, want er moet nog heel veel werk van hem in die omgeving zijn. En ga behalve werk ook verhalen verzamelen.”

Inderdaad: nijver speurwerk door met name Jos Kunne bracht talrijke onbekende werken, anekdotes en foto’s aan het licht. ‘Huszár van De Stijl’, zo noemde het Stadsmuseum zijn expositie, die op 20 mei werd geopend en inzoomt op de Veluwse periode van de Hongaar. Parallel hieraan verscheen een gelijknamige monografie, waarin Jos Kunne ’s mans dagelijks leven beschrijft, Sjarel Ex een essay over zijn werk levert en kunsthistorica Liek Mulder De Stijl in algemene zin bespreekt.
Van der Meulen: “Als mensen werk van De Stijl willen zien, gaan ze naar het Gemeentemuseum in Den Haag. Maar als ze Vilmos Huszár willen leren kennen, moeten ze toch echt naar het Stadsmuseum Harderwijk.”

Freule

‘Huszár’ is overigens een pseudoniem: in 1884 werd Vilmos in Budapest geboren met de familienaam Herz. In 1904 verliet hij zijn geboortestad voor de kunstacademie in München. Daar ontmoette hij de Nederlandse Anna Egter van Wissekerke, een jonge schilderes van goeden huize: vader was generaal-majoor b.d. Abraham Egter van Wissekerke, moeder heette Mathilde Viruly van Pouderoijen.
Anna’s genereuze uitnodiging om drie maanden naar Den Haag te komen, sloeg Vilmos niet af. Sterker nog: in 1906 al vestigde hij zich definitief in Nederland. En jazeker, er was wel degelijk sprake van verliefdheid. Maar het verschil in sociaaleconomische status maakte voor Anna’s ouders een huwelijk onbespreekbaar. In 1909 trouwde Vilmos met freule Jeanne van Teijlingen, nota bene een goede vriendin van Anna.

Intussen gaf hij zijn ogen goed de kost binnen de chique Haagse kunstscene, nam lessen bij de gerenommeerde kunstcriticus en -pedagoog Henk Bremmer en bestudeerde het werk van meesters als Jozef Israëls. In 1917 richtte hij samen met Piet Mondriaan, Bart van der Leck en Theo van Doesburg het tijdschrift De Stijl op. Maar in 1919 keerde hij zich ook alweer van De Stijl af (wegens intern ‘gedoe’, zoals Van der Meulen bondig samenvat) en omstreeks 1920 vestigden hij en Jeanne zich in het Veluwse dorpje Hierden, waar ze een atelierwoning betrokken.

Broodwerk

Nu was Huszár van meet af aan een zoeker geweest, die allerlei stijlen uitprobeerde. Op de Veluwe begon hij weer figuratief te schilderen. Niet zelden met royale concessies aan het publiek, waarbij hij de aldus ontstane bloem- en fruitstillevens afdeed als ‘broodwerk’. Daarnaast experimenteerde hij met kernelementen uit De Stijl (strakke lijnen en/of de primaire kleuren geel-rood-blauw), die hij bijvoorbeeld verwerkte in een figuratief schilderij van een azalea.

Maar de expositie toont ook ware topstukken, zoals een elegante dame in de sfeer van de roaring twenties, wier pose en oogopslag aan vrouwenportretten van Kees van Dongen doet denken. Het portret van Tom, een kleine jongen op een stoeltje, waarin je een Van Gogh-achtig sentiment kunt herkennen. De Veluwse boerderij met bomen, een schilderij waarop Huszár zelf dermate was gesteld dat hij het nooit wilde verkopen en het zelfs afbeeldde in een portret van een ‘Hierdens meisje’.

Jaartal

Last but not least is er de ‘Vaas met bloemen’ uit 1959 – opgediept uit het depot van het Harderwijker gemeentehuis. Aan het einde van zijn leven verging het Huszár financieel namelijk niet al te best en via de gemeente kreeg hij nog weleens opdrachten toegespeeld. Toen het schilderij vorig jaar tevoorschijn kwam, bleek de witte verf een soort Napels geel te zijn geworden: jarenlang had het in een ruimte gehangen waar niet alleen druk werd vergaderd, maar ook stevig werd gerookt. Maar na zorgvuldige reiniging werd de ‘Vaas met Bloemen’ via het affiche tot boegbeeld van deze expositie verheven. Opnieuw zien we de geometrische figuren en de kleurstelling van De Stijl, die Huszár blijkbaar toch niet los kon laten.
“Als er het jaartal 1919 op had gestaan, had het in het Haags Gemeentemuseum gehangen,” beseft Van der Meulen. “Maar omdat er 1959 op staat, hangt het nu bij ons. Mensen zeggen bij dit schilderij vaak: o kijk, hier doet ie weer De Stijl! Dan zeg ik: nee, hij wás De Stijl.”

Stadsmuseum Harderwijk, ‘Huszár van De Stijl’. Te zien tot en met 7 januari 2018.

Mijn gekozen waardering € -