In de aanloop van de troonswisseling publiceert Mariëtta Nollen elke dag een passage uit haar roman ‘Ik, Beatrix’. Nu: Apeldoorn.

STEUN RO

Beatrix voelde de witte en roze rozen tussen haar vingers vandaan glippen. Ze vielen tussen haar voeten op de blauw geaderde linoleumvloer van de bus. Ze bukte iets en reikte naar beneden. Die rozen – het handboeket – hoorden bij haar. Waren houvast. Ze mocht ze niet verliezen.

Wacht even.

Ze voelde een hand op haar arm. Vingers in haar vlees. Een duw. Hoofden en schouders die zich in een beweging omdraaiden – haar meenamen. Beatrix zag een vrouw liggen. Een laars rechtop staan. Een camera in stukken. En daarachter – kris kras – nog meer mensen. Als weggeslingerde poppen. Hun benen, hoofden, nekken – geknakt. Bewegingloos lagen ze daar, langs de randen van het gat waaruit die kleine zwarte auto was gekomen.

Waren dat echte mensen?

Ze zag bloed. Ze zag een kind.

‘Majesteit! Niet kijken!’

Een beveiliger wrong zich tussen haar en de bank waar Margriet en Pieter zaten. Zijn voet schopte het boeket weg. Hij pakte de stang naast haar vast en drukte een schouder tegen haar borst. Ze kon de stoppels onder zijn huid tellen. De warmte van zijn lichaam voelen. Ze zag zijn hand verdwijnen onder zijn jasje, naar zijn oksel. De plek van zijn pistool wist ze. Ze schudde haar hoofd. Niet doen. Dit moest een vergissing zijn. Een vreemd ongeluk.

'Ik, Beatrix' van Mariëtta Nollen als e-book bestellen? Zie hier voor meer informatie.

    Geef een antwoord