Daar is ze weer. Die vrouw. Ik kijk vanuit het autoraam naar links, en zie, zoals altijd, slechts haar hoofd. ‘Het Vrouwtje van Putten’, ofwel ‘De Treurende Weduwe’. Ik heb wel eens wat over haar gelezen – ik woon immers in het dorp hiernaast, maar daar blijft het ook bij.

STEUN RO

Ik kom hier voor het eerst. En dat is omdat ik nu toevallig een verhaal over dit onderwerp schrijf. Ook in die zes jaar dat ik op de middelbare school zat, hier nog geen tien minuten vandaan, heeft niemand mij ooit wat over deze vrouw verteld. Niemand.

De vraag is nu hoe ik bij haar kom, want ik wil haar ontmoeten. Ik neem de derde afslag op de rotonde en kijk om me heen. Plotseling zie ik een kleine parkeerplaats. Resoluut draai ik het stuur naar rechts en rijd ernaartoe. Ik zet de auto in zijn achteruit en bemachtig een mooi plekje. Mijn klamme handen glijden even weg bij het uitstappen. Het zijn de zenuwen. Ik voel een verleden, ik ruik een verleden. Het licht is zeer fel, maar de zonnebril in het dashboardkastje vind ik onfatsoenlijk. Ik zet mijn hand horizontaal tegen het voorhoofd en kijk rond.

Ik ontwaar de mysterieuze vrouw. Opnieuw steekt alleen haar hoofd boven de groene heg uit. Om haar te ontmoeten, hoef ik alleen nog maar de bocht in de Dorpsstraat over te steken. Wanneer mijn blik de bocht volgt, verschijnt er ineens een grijs object in mijn ooghoek. Dikke, witte letters vormen ‘OKTOBER 44’ op de zijkant. Een vrij opvallend, kubusvormig gebouw dat me nu pas opvalt. Evenals het bordje naast de parkeerplaats. ‘Gedachtenisruimte’.

(De locatie van de aanslag op de auto met Duitse officieren)

Een smal pad leidt naar de ingang van het herdenkingscentrum. Tijdens de wandeling van slechts tien meter kijk ik naar links en naar rechts of mensen me hebben opgemerkt. Ik voel een soort schaamte dat ik op mijn 21ste voor het eerst deze historische plek wil ontdekken. ‘Druk op de bel, daarna duwen om te openen’, lees ik op de grote witte deur. Ik duw te snel, de deur hapert nog, vliegt uiteindelijk open, en ik val bijna voorover. Het gevolg: nog meer schaamte.

Een kleine, witte, grijze kamer met een flauw bochtje naar links bevindt zich voor mijn neus. Links slechts behang, rechts allerlei teksten en bijbehorende afbeeldingen. Ik glijd met mijn vingertoppen over het zachte fotopapier, waarop in het zwart-wit een brug te zien is. Ik ga dichterbij staan en probeer me een beeld te vormen van die dag..

De aanslag

We schrijven 30 september 1944. Het is iets voor middernacht. Roodbruine bladeren vormen een kleed over het grijze asfalt van de Oldenallerbrug tussen Putten en Nijkerk. De acht verzetsleden Ab Witvoet, Piet Oosterbroek, Chris Helsdingen, Eduard Rengers Hora Siccema, Keith ‘Tex’ Banwell, Willem van Heesen, Frans Slotboom en Piet Dankaart, alias ‘Dikke Ben’, zijn klaar voor de strijd. Ze bibberen. Niet van het koude, natte herfstweer, maar van de spanning. Het móet nu gaan gebeuren.

Oosterbroek zet de auto langs de kant, met de voorkant gericht op de weg naar Nijkerk. De bestelwagen, waarop een Breng LMG (brengun) is gevestigd, komt op het asfalt te staan. Links en rechts verstoppen Dankaart en Helsdingen zich om straks via zaklantaarns aan te geven wanneer de prooi arriveert. Rengers Hora Siccema geeft rugdekking. Banwell neemt plaats achter de Britse, volautomatische mitrailleur op de laadklep van de wagen en wacht op het perfecte moment om het vuur te openen. ‘Piet,’ fluistert Witvoet, die naast de auto staat, ‘let op mijn teken hè, we gaan die moffen ’s verrassen.’ Oosterbroek knikt. Banwell knakt nog even zijn vingers, om ze vervolgens weer stevig om het één meter lange wapen te klemmen.

En dan, plotseling, een auto. Dankaart richt zijn blik op het voertuig. ‘Ja!’ schreeuwt hij, ‘daar zijn ze!’ Hij schijnt met zijn zaklamp, Helsdingen volgt al snel. Witvoet gebaart naar Oosterbroek en de koplampen flitsen aan. De auto mindert vaart. ‘Now, Tex!’ schreeuwt Witvoet. Banwell trekt af, maar de brengun weigert. De Duitsers komen dichter en dichterbij. Witvoet kijkt vol onbegrip naar Banwell. ‘Damnit Tex! Fire!’ Plotseling begint de mitrailleur te knetteren. Banwell spant al zijn spieren in zijn bovenlijf aan en houdt het dodelijke monster onder controle. De kogels vliegen razendsnel en spijkerhard door de voorruit. Minstens acht per seconde.

De auto botst tegen de brugleuning en schiet de berm in. De inzittenden schreeuwen. Verwarring. Lawaai. Slecht zicht. En dan, uit het niets, schoten vanaf Duitse kant. De verzetsleden verlaten hun plek en zoeken dekking. ‘De lichten!’ schreeuwt Witvoet. ‘Piet! De lampen!’ Oosterbroek kijkt opzij en kruipt terug naar de auto. In zijn handpalmen voelt hij de gouden, glimmende kogels van de bren. Hij klimt via de deur naar binnen. Vlak boven hem breekt de voorruit door het Duitse kruit. Hij voelt de glasscherven in zijn nek vallen, die een voor een vlees uit zijn nek snijden. Na enkele minuten stopt het vuurgevecht.

De verzetshelden verzamelen zich. De tengere, maar dominante Banwell loopt voorop. Het is mistig, pikdonker en stil. Zo nu en dan krakende kogels als hij er met zijn laarzen op stapt, maar verder heerst er doodse stilte. Banwell sluipt verder. ‘Hier.. Piet, Tex?’ hoort hij iemand kreunen. Dan ziet hij het. ‘It’s Frans! Here!’ roept Banwell. Zijn kameraden rennen naar hem toe. Slotboom ligt zwaargewond op het ijskoude asfalt. Onder het bloed, tussen de kogels, vlak bij een van de Duitsers. ‘Mooi, toch nog één,’ zegt Helsdingen. ‘Veel te weinig,’ mompelt Oosterbroek. Ze leggen beiden op de laadklep en rijden naar Enny’s Hoeve, de boerderij die lange tijd functioneerde als thuisbasis voor de verzetsgroep.

Wat een verhaal, denk ik bij mezelf. Wat een helden moeten dat geweest zijn, die acht mannen. Ik slaak een diepe zucht, vervolgens loop ik rustig verder. ‘De vergelding’, staat er boven deze tekst. Ik begin te lezen en neem de woorden in me op. Wat blijkt: Frans Slotboom en de officier stierven later aan hun verwondingen, maar de twee gewonde korporaals uit de Duitse auto wisten gewond een nabije boerderij te bereiken. Zij informeerden de hulptroepen in Harderwijk. Ik slik. Langzaam probeer ik me opnieuw een beeld te vormen.

Wraak

1 oktober 1944. Wraak. De dood van de officier van de Wehrmacht slaat in als een bom. De bezetter omsingelt het dorp Putten, totdat er geen uitvlucht meer mogelijk is. Alle zijstraatjes- en weggetjes worden geblokkeerd. De Duitsers zijn meedogenloos. Mannen en vrouwen worden van elkaar gescheiden, huizen in brand gestoken en kinderen geïntimideerd. Schreeuwend en wijzend zorgen de militairen voor hevige paniek bij de dorpsbewoners. Een vrouw probeert te ontsnappen. Ze sprint naar een smal steegje. Huilend, hijgend. Een Duitser schiet haar van achteren neer. Dood. Zes angstige mannen proberen hetzelfde en rennen voor hun leven, maar drie soldaten zien dat en schieten er op los. Eén. Twee. Drie. Vier. Vijf. Zes. Alles zes. Dood. Een andere soldaat kijkt tevreden, glimlachend toe.

De volgende ochtend worden 659 mannen weggevoerd naar kamp Amersfoort. Vanuit daar worden zij afgevoerd naar concentratiekamp Neuengamme, waar ruim 200 de dood vonden, in bijbehorende werkkampen. Tientallen gevangenen wisten te ontsnappen tijdens de treinreis of werden vrijgelaten. In totaal vielen er 552 slachtoffers. Ik slik. Terwijl ik zwijgend naar buiten loop richting Het Vrouwtje van Putten heb ik een naar gevoel in mijn buik.

Wilhelmina

De zon maakt overuren. Mensen zijn buiten. Fietsbellen rinkelen, vogels zingen, groeten klinken. Een schijnwaarheid op dit grasveld. Deze vrouw voor mij zal altijd in de schaduw blijven staan. Net als gisteren, vorige week, twee jaar terug. Net als morgen, overmorgen en volgende week. Op het moment dat ik haar uitvoerig bestudeer, voel ik haar verdriet. Haar zware ogen typeren het onbegrip, haar zakkerige houding de wanhoop en haar half gebogen hoofd de tranen. Ze staat symbool voor het aangrijpende leed van de dorpsbewoners. De vingertoppen van haar rechterhand klemmen een zakdoek tegen haar zij aan, drijfnat door het gestold verdriet. Haar blik gericht op de Oude Kerk voor haar, vanwaar ook háár echtgenoot hardhandig werd weggevoerd. Een gruwelijke herinnering.

Alle Puttense weduwen ontvingen twee jaar na de razzia, in augustus 1946, een persoonlijke brief van Koningin Wilhelmina. Met name de laatste twee zinnen zullen indruk hebben gemaakt: Ik kom U Mijn hartelijke deelneming betuigen bij dit voor U zoo zware verlies. Moge zijn nagedachtenis U een steun in het verdere leven blijven. Ze kijkt nog altijd alsof ze de brief net gelezen heeft. Alsof ze de oprechte woorden van haar koningin zojuist heeft opgenomen. Alsof ze twijfelt of ze wel de juiste, laatste woorden heeft verkozen tegenover haar vermoorde man.

De Treurende Weduwe. In weer en wind. Dag in, dag uit. Niet alleen als kalkstenen beeld, als monument, maar als gezicht. Gebogen en gebroken, verloren en verslagen. Ontroostbaar. Opdat de Razzia van Putten nooit vergeten wordt.