Journalist Resi Lankester (45) is halverwege de twintig als haar vader een eind aan zijn leven maakt door uit het raam te springen. Ze schreef er het boek Na de Val, zoektocht van een achterblijver over, dat onlangs verscheen. “Het schrijven zorgde met terugwerkende kracht voor compassie voor mezelf; dat ik zo heb geprobeerd hem te begrijpen.”

STEUN RO

‘”Je bent nú pas aan het rouwen.” Ik weet nog hoe mijn beste vriendin dat tegen me zei, een paar maanden geleden. We dronken bier aan de bar en ik had verteld dat ik vandaag weer meerdere malen per dag mijn tranen niet had kunnen bedwingen tijdens het schrijven. Dat ik zo moe was. En dat de masseur me onlangs had verteld dat niet alleen mijn schouders vastzaten, maar ook mijn kuitspieren. Terwijl ik toch al tijden niet had hardgelopen. Dat eigenlijk álles vastzat. De opmerking van mijn vriendin zette me aan het denken. Niet meteen; mijn eerst reactie was ‘jamaar’. Jamaar, het is al bijna twintig jaar geleden dat hij een eind aan zijn leven maakte. Ik heb er al bakken met therapie op zitten. Ik heb er al best vaak over gepraat. En nog veel meer argumenten in jamaar-vorm die erop wezen dat ik er gewoon niet aan wilde dat ik blijkbaar nog steeds niet was uitgerouwd. Of dat ik rouwde op een ander, dieper niveau. En dat dat nou eenmaal spanning met zich meebracht.
Maar in de weken erna besefte ik dat het waar was. Doordat ik bezig was met mijn boek; het boek over mijn vaders leven, zijn gewelddadige dood en over onze ingewikkelde relatie, was er heel veel naar boven gekomen.

Net na zijn dood zei ik er liever helemaal niks over. Ik was bang voor de meewarige blikken, die mijn gevoel van verdriet alleen maar zwaarder maakten

Complexe rouw

De directe aanleiding om aan zijn verhaal te beginnen was een groot artikel in 2014 in Psychologie Magazine, waarvoor ik volwassen kinderen interviewde over de impact van de zelfmoord van hun vader of moeder. Ik kwam daardoor voor het eerst in contact met ‘lotgenoten’. Ik had er, net na zijn dood op mijn 26e, wel naar gezocht. Maar ik vond niets wat aansloot bij wat ik nodig had. Of misschien was ik er destijds helemaal niet aan toe om verhalen te horen die zo pijnlijk leken op het mijne. Wilde ik alleen maar met hém praten, aan hem vragen wat er nou gebeurd was. Waarom hij de keuze had gemaakt om uit het raam te springen. De eerste keer toen ik 24 was en ruim een jaar later nog een keer, en toen wel met dodelijke afloop.

Door de gesprekken met de andere ‘kinderen-van’ realiseerde ik me pas echt hoe complex het is, rouwen na zelfdoding. Omdat degene die je mist, ook de dader is. En niet een ziekte van buitenaf, al maakt een depressie je natuurlijk net zo goed ziek. En omdat er allerlei emoties spelen die je bij een natuurlijke dood niet of minder voelt. Zoals woede. ‘Ben je niet boos op hem?’ kreeg ik na zijn dood regelmatig te horen. En dan probeerde ik oprecht te zoeken naar een gevoel van woede, want het leek me een logische emotie en misschien zou het ook wel opluchten; iets van zwaarte wegnemen. Maar het lukte niet. Het voelde zo lullig, om ook nog eens boos te worden op hem, terwijl hij het al zo moeilijk had gehad. Dan stelde ik me weer voor hoe hij die nacht of die ochtend de houten trappen was opgeklommen, richting de woonkamer en het raam. In zijn blauwe pyjama – de pyjama die ik later kapot geknipt meekreeg van het ziekenhuis. En dan voelde die blauwe pyjama als een soort witte vlag: wacht, stop, niet boos worden. Ik kon er ook niks aan doen. En dan moest ik alleen maar huilen, van medelijden. En van gemis, maar daar zette ik ook vaak de rem op. Want dat voelde toch een beetje sukkelig: net als je vriendje missen terwijl hij je heeft laten zitten.

Onomwonden zei hij ‘ja’, toen ik vroeg of hij na zijn eerste zelfmoordpoging nog steeds dood wilde

Ballast

Ik besefte dat er nog zoveel emoties, zoveel rafelranden aan mijn vaders verhaal en zijn dood en dus mijn rouw zaten. En dat ik behoefte had om dat verder uit te zoeken. De verhalen van de andere ‘kinderen-van’ zetten me aan het denken over mijn eigen verhaal. Zijn verhaal en ons verhaal. In de loop der tijd had ik daar iets behapbaars van gemaakt. Een ‘light’ versie zoals ik het in mijn boek noem. Die is er voor de momenten dat iemand iets vraagt over ouders, over mijn vader. Die luidt: ‘Mijn vader kreeg last van depressies, raakte in de ban van zijn overtuiging dat hij Alzheimer zou krijgen en deed een zelfmoordpoging. En een jaar later deed hij er nog een en was hij wel dood.’

Als hij zich goed voelde, stuurde hij me de liefste kaartjes en gingen we uit eten

Het vertellen van die korte versie deed ik pas jaren na zijn dood. In het begin zei ik er liever helemaal niks over. Ik was bang voor de meewarige blikken, die mijn gevoel van verdriet alleen maar zwaarder maakten. En die zinnen die me alleen maar pijn deden: ‘Wat erg!’ Ja, dat wist ik zelf ook wel. En de angst die ik erna voelde en het ongemak: wat dáchten ze nu? Zouden ze me nu zielig vinden? Of ook een beetje gek?
Maar mijn light verhaal begon me na een tijdje te storen. Hij was veel meer dan dit. En daarna besefte ik: maar kende ik de hele versie eigenlijk wel? Of niet, en verklaarde dat mede mijn terughoudendheid? Ik begon aan een zoektocht met zoveel vragen over hem en ons dat ik niet eens precies wist waar ik allemaal antwoord op hoopte te vinden.

Soulmates

Het begon zo mooi ooit, het verhaal van mijn vader, mijn moeder en van mij. Mijn ouders waren straalverliefd toen ze trouwden. Soulmates waren het. Ze openden een tweedehands boekhandel in hartje Amsterdam, namen een hond en een kat en kregen mij.

Maar mijn vader raakte steeds meer in de ban van buien: die ik voor de overzichtelijkheid maar narcistisch, manisch en depressief zal noemen, al is een echte diagnose nooit gesteld. Na jaren van twijfel scheidde mijn moeder van hem en nam mij op mijn zevende mee. Ik zag mijn vader om het weekend en er ontstond een liefdevolle, maar complexe relatie. Als hij zich goed voelde, gingen we uit eten, de stad in en op vakantie. Dan stuurde hij me de leukste en liefste kaartjes en brieven. En vervolgens, als hij een slechte fase had, de meest nare. Brieven die bijvoorbeeld begonnen met: ‘ik heb schoon genoeg van je’ Vaak out of the blue. Soms schreef ik een brief terug, soms liet ik het erbij. Dan praatte ik avond na avond met mijn moeder over wat dit nu weer was. En piekerde ik veel over of ik moest gaan wennen aan een leven zonder vader: was het contact nu echt voorgoed verbroken? De goedmaakpogingen die ik deed leidden uiteindelijk allemaal weer tot contact. Dan was er weer even relatieve rust en deed ik mijn best om niet te veel stil te staan bij de mogelijkheid dat hij er weer de stekker uit kon trekken.

Pas toen ik begin twintig was en op mezelf woonde, begon ik iets te merken van een zwaarte die zich steeds dieper in hem nestelde. We kregen gesprekken over zijn somberheid, die ik al snel onder de noemer ‘depressie’ schaarde. Maar hij wilde daar niet aan. Waarom niet, dat heb ik nooit begrepen. Langzaam maar zeker kwam hij in de ban van zijn overtuiging dat hij Alzheimer had. In mijn ogen was er niets dat daar op wees. Ik ben er altijd vanuit gegaan dat het voortkwam uit zijn angst om te eindigen als ‘plantje’, zoals hij dat noemde, tussen de bejaarden met luiers om. Maar hij wist het zeker: dát verklaarde waarom hij zich zo somber en lusteloos voelde en niet meer in staat was om vol verve verhalen te vertellen zoals vroeger. Misschien was het ook wel een manier om niet aan zijn depressie te hoeven werken, om niet allerlei troep uit het verleden te hoeven aangaan.

Op de audio-tapes hoorde ik onze gesprekken over zijn doodswens terug

Zijn eerste zelfmoordpoging kwam als een schok, maar door alle gesprekken die we al hadden gevoerd wist ik diep van binnen al wel dat hij hier tot in staat zou zijn. Al was het maar doordat hij sowieso altijd al deed wat hij wilde en hij zich door niets of niemand van zijn ideeën liet afpraten.

Duizenden vragen

Van twee van die gesprekken met hem over zijn doodswens heb ik audio-opnames. Ik studeerde in die tijd, begin 2000, radio-journalistiek en ik was een beetje beroepsgedeformeerd: ik drukte op ‘record’ zodra ik vermoedde dat er iets bijzonders aan zat te komen.

Onomwonden zei hij het op een dag tegen me, toen ik vroeg of hij na zijn eerste zelfmoordpoging nog steeds dood wilde: “Ja.” “Liever vandaag dan morgen?” vroeg ik hem. “Ja’ antwoordde hij. Natuurlijk schrok ik erom van dat stellige ja. Ik voelde verdriet, angst, verwarring. Maar ik wilde op geen enkele manier de indruk wekken dat ik op zijn gemoed zou inspelen door hem in tranen bij wijze van spreken te smeken om te blijven leven. Ik wilde hem laten zien dat hij zijn verhaal bij me kwijt kon. Dat ik hem echt niet zou gaan verbieden om dood te gaan. Hem kennende zou dat alleen maar averechts werken.

Tijdens het schrijven van mijn boek hoorde ik die tapes terug; voor het eerst na zijn dood. Pas toen besefte ik hoe bizar het was dat ik als twintiger werd gezien als volwaardig gesprekspartner en dat ik die rol destijds als vanzelfsprekend op me nam. Ik werd betrokken bij zijn proces, zijn angsten en pijn. Dat kwam niet in de laatste plaats omdat ik enig kind ben en hij nauwelijks vrienden had, en geen vriendin. Hij vertelde me alles, alsof ik zijn partner was, zijn therapeut, zijn grote zus. Ik vond het confronterend om mijn volwassen, bijna felle manier van praten van destijds terug te horen. Ik ging met hem in discussie toen hij me vertelde dat hij die ochtend op het dakterras van zijn woning had gestaan. En door een buurman weer naar binnen was gejaagd. Had hij er een moment bij stil gestaan hoe het voor mij was geweest als hij toen wel was gesprongen, vroeg ik hem. Dat ik dan nu geen vader meer had gehad. En zou moeten beslissen over al die verdiepingen vol boeken en spullen. En dat hij geen uitvaartverzekering had en dat ik geen idee had van zijn wensen. We discussieerden over de zakelijke kant, omdat we allebei geen idee hadden wat ‘dood‘ betekende en hoe onomkeerbaar het was. Hij wilde alleen maar weg van waar hij was. En ik gunde hem iets beters dan wat hij nu had, want blijkbaar voldeed dit leven niet. Maar ik had er tegelijkertijd geen idee van hoe rauw en pijnlijk het zou voelen na zijn vertrek.

Ik hoef niet gebukt te gaan onder zijn keuze voor het einde

Gelukkig staan er op de tapes ook een paar heel lieve, zachte momenten. Waarop hij het verleden terughaalt en me indirect vraagt of hij een goede vader is geweest voor me. ‘Weet je het nog, de kuilen die ik altijd voor je groef als we naar Zandvoort gingen? De hoge golven waar we in sprongen en dat we het zo jammer vonden dat de poes er niet bij was?’ Op de tapes hoor ik mijn gesnotter. En bij het terugluisteren kwam er een enorm diep en daardoor opluchtend gevoel van verdriet en gemis naar boven.

Wakker liggen

Na zijn dood; na zijn tweede, fatale sprong, liet hij me achter met duizenden vragen. Over of ik dingen anders had moeten doen of zeggen. Of andere therapie beter had gewerkt. Of hij na zijn eerste sprong misschien beter niet terug naar zijn huis had gemoeten. Over wat ik nu met al zijn tienduizenden boeken en paperassen moest, want nee, daar had hij me niks over laten weten. Of ik zelf ook die genen had die konden leiden tot zoiets. En wat anderen over mij en mijn geestesgesteldheid zouden denken als ik dit vertelde. Het voelde alsof hij me na zijn dood een enorme bak aan ballast en zwaarte naliet, die me bijna de adem benam. Maar wat ik daarmee moest, met die ballast en die rouw, daar had ik geen idee van.

Door het schrijven van Na de Val is mijn verdriet puurder geworden, rouw met iets minder rafelranden

Na de uitvaart had ik twee maanden de tijd om zijn huurhuis leeg te halen. Op elke verdieping stonden niet alleen kasten vol boeken, er lagen ook stapels, stapels en stapels. Met kranten, tijdschriften, kaartjes, brieven, kopieën van brieven, dossiers: variërend van recent tot meer dan vijftig jaar oud. En elke stapel moest ik van mezelf snel doorkijken, voordat ik iets weggooide. Want misschien zat er wel een briefje in. Een tekst waarin stond waarom hij juist op dat moment was weggegaan. Een sorry. Iets wat me met een wat minder machteloos en verdwaasd gevoel zou achterlaten. Ik vond niks. En ik laadde een deel van al zijn brieven en paperassen in verhuisdozen en propte die in de kelder van mijn appartementje. Daarna ging op ik op vakantie. En toen ik weer op mijn werk kwam na twee weken zei ik ‘jahoor’ toen mijn collega’s vroegen of het wel weer ging nu. Tot ik na twee maanden alsnog omviel. Bijna letterlijk, van de slaap, want ik lag ‘s nacht alleen maar wakker en piekerde en huilde over hoe het die nacht van zijn sprong was gegaan.

Dagboek

Het kostte jaren en veel therapiesessies voor het gepieker over het hoe en waarom wat afnam. Weer jaren later zorgde het praten met andere kinderen-van ervoor dat de bak met ballast nog wat lichter werd. Dat en het graven in het verleden voor mijn boek. Ik ben die tienduizenden brieven en kaarten die hij achterliet en die ik in tientallen verhuisdozen had weggestopt, gaan lezen. Juist omdat er zo veel tijd overheen was gegaan, zag ik voor het eerst heel helder de complexiteit van zijn karakter. Ik voelde met terugwerkende kracht begrip en compassie voor mezelf, voor het feit dat ik in elk geval geprobeerd heb om deze ‘gekke’ man van bijna zeventig te begrijpen en te helpen. Ik las ook veel lieve kaartjes van mezelf aan hem terug, waardoor ik me realiseerde dat ik echt niet altijd die stoere twintiger was. En gelukkig ook heel vaak ‘ik hou van je’ had geschreven.

Al met al heb ik niet veel minder vragen dan vroeger. Elk antwoord zorgt weer voor een nieuwe vraag, weet ik inmiddels. Maar ik ben door het hele proces wel op een dieper niveau tot hem en tot mijn verdriet doorgedrongen. Voor het eerst in jaren heb ik weer gehuild om wat er is gebeurd. Maar nu op een niveau waarop ik me niet geremd voelde om hem te missen. Ik voelde me niet de sukkel die is verlaten en toch huilt. Ik voelde woede, om de zooi die hij had achtergelaten. De letterlijke zooi, want ik heb nog steeds vijf grote plastic kratten met brieven en paperassen van hem in mijn kelder staan. En de figuurlijke zooi; de vragen waar ik nooit antwoord op zal krijgen.
En bij het horen van de tapes en bij het lezen van de laatste pagina’s uit zijn dagboek, waarin hij zichzelf voorhoudt dat hij ‘het’ echt moet gaan doen, voelde ik voor het eerst een echt diep verdriet. En ik besefte dat die mengeling van missen, woede en mededogen liefde is.
Dus wat mijn vriendin daar aan de bar zei, klopt inderdaad. Althans, grotendeels: ik rouw niet nu pas, maar wel anders, op een dieper en voor mijn gevoel puurder niveau. Rouw met iets minder rafelranden.

Ik moest onlangs terugdenken aan de periode toen mijn moeder overleed, een paar jaar terug. Dat was ook nogal heftig, na een zelfdestructieve manier van leven. Maar ik had bij haar, anders dan bij mijn vader, wél de tijd om afscheid te nemen. Om dagenlang aan haar bed te zitten en echt te doorvoelen hoeveel pijn haar naderende dood me deed. En toen ze eenmaal was overleden, heb ik letterlijk wekenlang alleen maar op de bank gelegen. Slapen, huilen, staren, Netflixen. Als het lukte even een wandeling maken of naar de supermarkt en dan proberen niet te huilen bij het horen van de liedjes over liefde en afscheid nemen. Ik zweette het verdriet eruit, zo voelde het. En na een aantal maanden heb ik bewust tegen mijn moeder gezegd dat ik ermee ging stoppen, met het zweten. Omdat ik er anders in zou blijven. Het voelde alsof ze dat begreep, zich terugtrok en nu op een milde, melancholische manier op de achtergrond aanwezig is zonder dat ik door het gemis word uitgeschakeld.

Zandzakken

Door mijn boek Na de Val en het proces dat daaraan vooraf is gegaan, heb ik  nu op een heel andere manier ook tegen mijn vader kunnen zeggen hoe het zit voor mij: ja, ik mis hem. Ja, ik zou willen dat het anders was gelopen. Maar hij kon er niks aan doen en in die zin vergeef ik hem voor wat er is gebeurd. En ik kon er ook niets aan doen. Ik zie nu hoe ontzettend lastig het destijds voor me was om alleen al antwoord te geven op vragen als: maar was je vader dan depressief? Laat staan hoe onmogelijk het was om ‘goed’ om te gaan met zijn doodswens. Ik ben met terugwerkende kracht trots op het feit dat ik het allemaal heb doorstaan; krachtig, wijs en liefdevol als ik op dat moment als twintiger kon zijn. En hoe ik nu alsnog op een dieper niveau en met mededogen naar hem, naar mij en naar ons kan kijken. Kan zien dat het zijn leven, zijn dood, zijn keuze is geweest. Om die reden vind ik het ook niet eng om zijn verhaal naar buiten te brengen; de reactie die ik nog wel een krijg als mensen horen van mijn boek: “Wat dapper!” Want het enige wat ik doe is het naar buiten sturen van de zwaarte en de ballast waar ik niet voor heb gekozen, maar wel lang heb gevoeld. Ik laat die nu los in de vorm van een verhaal. En iedereen die erin is geïnteresseerd en die zich erdoor gesteund voelt, mag dat lezen. Het voelt alsof ik het zand in de zandzakken die ik zo lang heb gedragen nu de wereld in blaas. En ik hoop dat het er ook toe leidt dat meer mensen dat gaan doen. Dan kunnen we elkaars ballast een beetje dragen en hoeft niemand meer letterlijk en figuurlijk gebukt te gaan onder zwaarte.

Na de val, zoektocht van een achterblijver, € 21,99, E-book € 11,99, Nijgh & Van Ditmar

Direct te bestellen via resilankester.nl
Via Bol.com of via Libris.nl

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -