André van Duin (70) is een volkskomiek voor alle leeftijden en maakt daarom in zijn shows gebruik van ‘veilige humor’ die door de beugel kan. Het roodharige straatschoffie dat opgroeide tussen de brokstukken van de Tweede Wereldoorlog, is in het echte leven veel rustiger en uitgesprokener dan in het publieke domein. Een Rotterdamse Amsterdammer, die een revival beleeft met zijn 1983 hit Als de zon schijnt, over tijdloze grappen en bitterballen met laffe wijntjes. ‘Van Duin bestaat niet. Die naam heb ik verzonnen.’

STEUN RO

Pa Cornelis en ma Joost gaven hem de namen Adrianus Marinus Kyvon-Kloot. En zo heet André van Duin dus ook in het echt. Diverse keren ‘onthuld’ in interviews maar door het grote publiek vaak nog steeds een grote verrassing. ‘Al op mijn achttiende besloot ik dat een grootse carrière alleen mogelijk was met een goede artiestennaam’, aldus André die dus opmerkelijk genoeg voor het niet voor de hand liggende ‘Van Duin’ koos… zou je zeggen, tenminste. De naam klinkt echter oer-Hollands en staat voor ‘dichtbij de mensen’, precies wat André nodig had om zijn waar aan de man te brengen. ‘Deze naam spreekt alle lagen van de bevolking aan, is niet te deftig en niet te plat. Op deze manier leek het me een beter idee omroepen en theaters aan te schrijven. Niet dat ik er overigens lang over heb nagedacht. Met het gezin gingen we vroeger altijd op zomervakantie in Hoek van Holland en daar waren duinen. Et voilà, mijn nieuwe achternaam was geboren. Kyvon knipte ik weg van mijn voornaam waardoor Adrianus overbleef. Afgekort is dat André. Klaar was kees.’

De komiek groeide op nabij de havens, waar hij speelde tussen de brokstukken van een platgebombardeerd Rotterdam. ‘Mijn vader werkte op de werf maar als hij een middag vrij had, dan ging hij samen met mij en m’n moeder naar de binnenstad. Toen nog met een lijnbaan die nog in aanbouw was en zonder Beurstraverse, die pas begin jaren negentig de vorm kreeg van de ‘Koopgoot’ zoals we deze nu kennen. Veel vaker, ik was een jaar of tien, ging ik echter zonder ouders en met vriendjes op stap. Iets waar mijn ouders absoluut niet moeilijk over deden. ‘Maak plezier en zie maar hoe laat je thuiskomt’, was het motto. Dat plezier vond plaats tussen puinhopen van De Kolk, Delfshaven en het Piet Heynsplein. Te midden van al die ontplofte gebouwen die dienstdeden als ruïne, was het heerlijk verstoppertje spelen of fikkie stoken. Maar figuurzagen of spelen in de drumband op een volksfeest waren ook favoriet. Toen ik in mijn pubertijd terecht kwam maakte het ravotten steeds meer plaats voor bijbaantjes. Mijn eerste zakcenten verdiende ik als magazijnbediende bij de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij, naast mijn opleiding als machinebankmedewerker aan de Ambachtsschool.’

Eerste thuisstudio
In het jaar dat André zijn artiestennaam bedacht, verliet hij ook het ouderlijk huis. Ver weg van zijn ouders kwam hij echter niet te zitten. ‘Mijn eerste stek was op mijn achttiende in de Watergeusstraat, de plek in Rotterdam waar ik geboren ben. Ik woonde er alleen, samen met mijn hond, en bouwde er tevens m’n eerste geluidsstudio. Dat werd al snel een rommel omdat je bandjes in die tijd nog ‘knipte en plakte’ door letterlijk met de schaar in je hand te werk te gaan. Maar geen moeder meer in de buurt die riep dat ik mijn kamer moest opruimen. Daarna verhuisde ik naar Breukelen waar ik mijn eerste vriend leerde kennen. Het klikte goed omdat hij geweldig kon koken. En laat ik nu net een liefhebber zijn van heerlijk eten.’ Inmiddels heeft André er 70 lentes en, sinds zijn debuut in het programma Nieuwe Oogst op 24 juni 1964, 53 jaar professioneel lachen opzitten en doet hij niet meer de schnabbels waar hij vroeger van rond moest zien te komen. Zoals het memorabele optreden in het Scheveningse Kurhaus waar hij het voorprogramma van The Rolling Stones mocht verzorgen. ‘Omdat ik in die tijd zo ontzettend veel schnabbelde, was ik vaak alweer vertrokken voordat de hoofd-act aan de beurt was. Ik heb die bewuste avond dus ook totaal niet meegekregen hoezeer het publiek er na mij de tent afbrak. Ik stond allang weer ergens in Waddinxveen op een ander toneel, toen het in Scheveningen los ging. Geef mij trouwens maar the Beatles. Daar heb je minder last van geschreeuw en geblèr.’

André heeft zichzelf nooit enkel en alleen in het hokje van komiek in de revue willen plaatsen. Hij zong en speelde daarom op een breder palet en zocht het ook in films, waaronder Ik ben Joep Meloen (1981) en De Boezemvriend (1982). ‘Voor die laatste film kreeg ik veel lof maar ik ben met name blij dat ik daarin heb mogen samenspelen met André Hazes’, gaat Van Duin verder. ‘Een goede vriend met wie ik regelmatig een stukje ging varen. Omdat onze beide moeders goed bevriend waren gingen wij automatisch ook veel met elkaar om. De laatste jaren van zijn leven verloren we elkaar wat uit het oog, maar vijf jaar voor zijn dood heb ik hem nog zien optreden in de ArenA.’ Aansluitend op films was televisie ook jarenlang één van Andre’s speelvelden. Ver voor de presentatie van Heel Holland Bakt, wonnen hij en Corrie van Gorp in 1975 de Gouden TelevizierRing voor de revue Dag, Dag Heerlijke Lach. ‘Het gala was toen nog niet zo’n happening als tegenwoordig en hoewel de ring weliswaar toen ook al een belangrijke prijs was, huurde de organisatie voor de uitreiking ervan slechts een kleintje zaaltje in een hotel aan het Leidseplein af. Lang niet iedereen verscheen er in smoking. De prijs ligt gepoetst en al nog steeds in een kastje bij mij thuis.’

Voor ontwerpster Anneke Schat was het haar eerste keer dat ze de ring mocht maken en nu, 42 jaar later, draagt ze nog steeds die verantwoordelijkheid. Anneke: In tegenstelling tot de bekendmaking nu, waarbij de genomineerden tot op het laatste moment in spanning worden gehouden, wisten de winnaars bij eerdere edities al weken van tevoren dat ze gewonnen hadden. André kwam zodoende al ver voor het gala langs in mijn atelier op de Amsterdamse Spiegelgracht om mee te denken over het ontwerp. Heel verlegen en bescheiden als hij was hebben we een uur lang gelachen en samen de ring ontworpen. Hij gaf aan niet van ‘tierelantijnen’ aan zijn lichaam te houden maar er toch iets moois van te willen maken.’

Van Duin’s grootste tv-hit werd toch echter het alom bekende Animal Crackers, een afgeleide van De Dikvoormekaarshow op de radio. ‘Je zou denken dat de aapjes en al die andere oncontroleerbare dieren de grootste opgave waren tijdens het filmen van dierentuinscènes, maar toen we daar in de jaren tachtig in dierenpark Emmen mee begonnen, bleek het publiek toch ook wel geïnteresseerd’, gaat André verder. ‘Echter niet in de dieren maar vooral in mij voor een foto of handtekening. Het seizoen erop moest de cameraman daarom maar alleen op pad.’ Aan kinderen in de dierentuin dus geen gebrek, maar zelf is Van Duin nooit vader geworden. En met een reden. ‘Ik ben een echte kindervriend maar moet er niet aan denken ze zelf ook te hebben. Er gaat heel veel tijd en geld in zitten en je levert veel van je eigen leven in omdat je als een soort butler de hele dag in dienst staat van die kids. Sommige ouders cijferen zich er compleet voor weg en het is fantastisch dat ze dat kunnen, maar niets voor mij.’

Het wiel uitvinden
Met zijn jarenlange ervaring kent de tv- en theaterwereld voor André geen geheimen meer. Ook niet nu hij ook voor het eerst in zijn carrière serieuzere rollen aanneemt, zoals die van Willie Boogaard in The Sunshine Boys en dit najaar Evert in de dramaserie Pogingen iets van het leven te maken van Omroep MAX. ‘Waar ik recensies normaal niet vrees -de mensen komen toch wel- is dat nu ineens andere koek. Toch ben ik blij dat men bij The Sunshine Boys overwegend positief was en daarom zie ik ook met een gerust hart uit naar de uitzendingen op Omroep MAX in oktober. Ik hoef niet langer een gek hoedje op te zetten om leuk gevonden te worden. Ik heb blijkbaar ook op latere leeftijd nog een omslag kunnen maken naar een ander soort acteren en hoe eng dat eerst ook was, nu voelt het als een opluchting. Het betekent overigens niet dat ik het komiek zijn nu helemaal laat vallen. Ook in die rol zullen mensen me nog blijven zien en achter de schermen schrijf ik al een tijdje mee aan een nieuwe comedyserie voor televisie.’

Toch blijft ook het theater een leven lang trekken. ‘De routine voor een voorstelling is eigenlijk altijd hetzelfde. Twee uur voor de show eten we gezellig met z’n allen. Gezond, dat wel. Ik snoep, rook
en drink niet. Tijdens try-outs in het dorpshuis van Kudelstaart schaaf je hier en daar nog wat bij, maar na de première staat de show als een huis. Het is dan
’s avonds alleen nog een kwestie van ‘je ei leggen’, om het zo maar te zeggen.
Actualiteit verwerk ik nooit in mijn grappen. Dat is slecht voor de herhaling. Men moet hier over twintig jaar nog om kunnen lachen. Zoals kleine kinderen nu weer lachen om grappen uit 1985. Voor hen zijn ze nieuw, helemaal niet zo raar dus. Ik blijf daarom al jaren bij mijn leest. Ik zal het wiel niet continu opnieuw uitvinden, men krijgt wat men verwacht. Vergelijk het met een flesje Coca-Cola. Als je dat koopt dan verwacht je ook dat het smaakt zoals het moet. Met mijn shows is dat niet anders, en waarom zou ik ook? Laurel & Hardy kijkt om
die reden ook nog steeds lekker weg. En als ik er op een dag niet meer ben ben doen mensen dat met mijn dvd’tjes hopelijk ook nog steeds. Maar dat kan ik niet met zekerheid zeggen. ’Doodgaan,
ik heb er nog geen ervaring mee, hè.

Mensen die om mij lachen terwijl ik aan het werk ben trek ik overigens beter dan publiek dat samen met mij in de zaal naar een ander zit te kijken en continu controleert of ik het wel leuk vind. Ik zit dan soms half te acteren, zoals bij cabaretvoorstellingen waar het enige nadeel is dat er vaak geen pauze in zit. Ik ben niet zo’n lange ‘zaalzitter’. En als deze er toevallig eens wel is, dan kun je alweer naar binnen voordatje er erg in hebt. Vlug zo’n laf wijntje naar binnen klokken om op tijd terug te zijn, niets voor mij. Begin de show gewoon wat later, zodat mensen meer tijd hebben om naar het theater te komen en na afloop gezellig een bitterballetje met elkaar kunnen eten. Voor wie ik zelf naar het theater zou komen? Hans Teeuwen, hij is echt grandioos. En bovendien ook fan van mij, dus wij weten wel wat goede humor is, haha.’

Wie is de klos?
De geboren Rotterdammer voelt zich helemaal thuis in Amsterdam, waar hij al jaren woont. ‘Inmiddels ben ik ook meer een Amsterdammer geworden, al leverde dat nog wel een leuke discussie op tussen de burgemeesters Eberhard van der Laan en Ahmed Aboutaleb.’ André doelt op zijn 50-jarig jubileumgala in het Beatrix Theater. ‘Je mag dan wel niet meer bij ons wonen, in je paspoort staat nog steeds dat je hier vandaan komt. Je bent dus gewoon Rotterdammer. Er lijkt me op dit punt dus weinig ruimte voor discussie’, grapte de burgervader, die als Marokkaan zelf ook zijn roots ergens anders heeft liggen maar in de jaren zeventig en tachtig veel heeft gehad aan de sketches van André. ‘Zijn grappen hebben me heel erg geholpen in te burgeren in Nederland’, aldus Aboutaleb.

André’s partner Martin Elferink, waarmee hij in 2006 trouwde, komt juist weer helemaal uit Deventer en dat maakt de mengelmoes compleet. De twee zijn dolgelukkig met elkaar, maar lang daarvoor was André jarenlang samen met Wim, die al op jonge leeftijd kwam te overlijden. Een donkere periode in zijn leven. Temeer omdat de komiek aangeeft hoogstwaarschijnlijk nog steeds bij Wim te zijn geweest als hij nog had geleefd. Desondanks kan hij al 23 jaar zijn geluk niet op met Martin. Over zijn huidige huwelijk is hij nuchter als altijd: ‘Toen we trouwden was er op papier ook meteen van alles geregeld. Met Martin is het gezellig en alhoewel we niet zulke globetrotters zijn, zetten we wel regelmatig een stedentrip in Europa in onze agenda’s. Parijs, Berlijn, Londen en dan het liefst lekker met de trein. Ik hou namelijk absoluut niet van vliegen. Vier jaar geleden jaar verkochten we ons vakantiehuis in Drenthe en alleen een woonboot, vlakbij ons huis, houden we nog aan als tweede stek. Het is aan het water en lekker dichtbij. Daar hou ik van. Ook vertoeven we regelmatig in het vakantiehuis van Janine en Joop van den Ende op Mallorca. Met twee auto’s maken we dan uitstapjes in de omgeving en je bent de klos wanneer je naast Joop komt te zitten. Onderweg krijg je van hem dan het complete schema van die dag te horen, want Joop bepaalt! Ik geef me er altijd maar gewoon aan over want ik hou van mensen om me heen. Op vakantie maar ook thuis, waar we de garage hebben omgebouwd tot bar met op de achtergrond een cd met café-geluiden. Kopjes, schoteltjes, rumoer, dat soort werk. Laat ons maar schuiven, dan redden we ons wel.’