Op 23 november 2018 worden Astrid en Sonja Holleeder opnieuw gehoord als getuigen in het proces tegen broer Willem. Het zou eigenlijk de laatste keer zijn dat ze moesten komen opdraven, maar enkele dagen vóór deze zittingsdag was bekend geworden dat Astrid nog een nieuwe geluidsopname had ingeleverd, van een stiekem opgenomen gesprek. Die kon nu sowieso nog niet worden behandeld. Het verslag van het verhoor van Sonja volgt later, dit is alleen het deel met Astrid.

STEUN RO

Rechter Frank Wieland: De vorige keer heb ik u wat vermanend toegesproken. Als ruziënde kinderen op de achterbank van de auto naar een ver land. Ik hoop dat u dat vast heeft weten te houden.  Meneer Holleeder, bent u wat rustig, als u dat lukt?

Holleeder: Ik houd het zo lang mogelijk op.

Rechter: Mevrouw Holleeder, ik herken u als Astrid Holleeder. Mag ik volstaan met u eraan herinneren dat u de belofte heeft afgelegd? De rechtbank heeft een prangende vraag aan u. Er is weer een opname op tafel verschenen, van zes uur. Kunt u de rechtbank vertellen hoe dit in zijn werk is gegaan, waar het vandaan komt?

Astrid: Eh, de opname gaat over dat Dino (Soerel) al het geld heeft. Het is een opname die ik heb verstrekt naar aanleiding van wat ik Wim heb horen vertellen op zitting of gelezen heb over wat Wim verteld heeft over de criminele organisatie. De tape had ik al langer, maar die heb ik nooit gegeven. In februari, in het weekend voor de dag dat we hier moesten verklaren, moest er iets omtrent onze veiligheid worden geregeld. Dat heeft lang op zich laten wachten. Het was niet verantwoord ons nog meer op onze nek te halen behalve mijn broer. Het is nog steeds een heel moeilijk punt, maar nadat ik… Ik had het idee van: hij heeft de kans te vertellen hoe het zit. Emotioneel gezien heb ik hem altijd nog een kans gegeven: vertel het zelf maar of zwijg op zijn minst. Dat doet-ie niet, dus ik neem dat risico, om u te vertellen en uit te leggen hoe dat dan zat. Over de 18 miljoen van Endstra en dat Dino het geld had en dat ik dat met hem bespreek. Dat we eerder al hadden besproken dat er betalingen verricht zijn, onder anderen aan Jesse Remmers. Ik houd hem voor dat het vervelend is dat hij niet betaald is en wie de pot beheert. Hij zegt: “Ik ben bij de mensen langs geweest en heb uitgelegd hoe het zit.” Ik vind dat ik daarmee een heel vergaande stap zet, met alle consequenties van dien.

Rechter: Wat kunnen de consequenties zijn?

Astrid: Dat laat zich wel raden. Ik heb eerder verklaard over Sjaak Burger, ik wil niet dat ik nog meer mensen tegen me in het harnas jaag.

Rechter: Heeft u de reactie van uw broer meegekregen?

Astrid: Dat-ie boos is, snap ik.

Rechter: Hij zegt ook: Astrid speelt een spelletje, met het doseren.

Astrid: Ik snap dat. De kracht van de herhaling. Zitting op zitting, dat ik een spel speel, dat dat post vat bij iedereen, zo gaat het altijd bij hem. Ik speel geen spel, ik probeer veilig te blijven, jarenlang zonder hulp van justitie. Ik probeer het goede te doen. Dat is moeilijk te begrijpen voor hem, omdat dat niet in hem zit. Ik ben een jaar lang uitgemaakt voor leugenaar. Liegen is niet zijn tweede natuur, het is zijn hoofdnatuur, zei zijn moeder. Ik praat even iets ingewikkelder…

Rechter: We kunnen het aan.

Astrid: Ik ben het afgelopen jaar secundair gevictimiseerd. Als slachtoffer beschimpt, bespot en belachelijk genaakt. Ik wil dat dat een keertje stopt. Ik heb hem heel lang de kans gegeven: vertel het gewoon, of houd op zijn minst je mond. Als je echt een crimineel bent, houd je je mond.

Rechter: Vandaag gaat het niet over de bandopname.

Astrid: Ik krijg het niet allemaal mee, ik heb de verklaringen niet, ik moet het doen met wat ik in de pers lees of waar mensen me attent op maken. Als ik daar allemaal aandacht aan moet besteden, dan kan ik naar Santpoort, dat raakt me heel diep.

Rechter: Santpoort?

Astrid: Daar was vroeger een gekkengesticht. Het is emotioneel niet te doen. Het is best heftig. Dit moest gezegd worden. Verder hoop ik dat het een keer over de inhoud gaat. U heeft gelijk dat u zegt dat we als kleine kinderen zitten te kibbelen. Ik zit heel snel met hem op kindniveau, omdat we daar allebei in zijn blijven steken.

Rechter: We kunnen wel wat hebben.

Astrid: Ik zit hier vanuit een andere setting (ineens  bijna huilend) mijn hele hebben en houden op tafel te gooien.

Rechter: Het emotioneert u, zie ik. Laten we kijken hoe het loopt vandaag.

Rechter Benedict Mildner: Er is een andere opname van 15 november.

Astrid: Puur omdat ik iets over oppikte over Zwarte Leen (vastgoedman Leen Bosnie, zakenvriend van Willem Endstra) omdat dat onderdeel was van de zaak. Daar was toevallig iets over geschreven. Dat ik met Wim een gesprek heb met mensen die voor hem willen werken, die zich aanbieden, om schutter te zijn. Daarin heb ik een gesprek met hem op nieuwjaarsdag over dat hij in gesprek is met jongetjes van vijftien die zich aanbieden. Daar is een gesprek over Zwarte Leen poppen. Ik heb gezocht en gezocht. Ik heb het wel beschreven, maar ik heb het gevoel dat ik hier niet alleen zit om zijn schuld te bewijzen, maar om mijn onschuld te bewijzen, dat het klopt wat ik zeg. Toen stuitte ik op die tape omdat die bij een andere zat op ’t stickie. Die heb ik toen daarna ook maar ingeleverd, dan zijn we klaar ook. Over en uit.

Rechter: Komt er nu niks meer?

Astrid: Nee, er komt niks meer. Tenzij hij weer vreselijk gaat zitten liegen.

Holleeder: Dus je hebt nog ander opnames.

Rechter: Dat zegt ze.

Astrid: Het is goed zo, mevrouw. Ik laat u elke keer zien: ik heb de tapes niet als bewijs ingebracht. Mijn verklaringen zijn het bewijs, het enige wat ik heb gedaan is de verklaringen onderbouwen met tapes, zodat u kunt zien dat wat ik zeg of fluister, dat het klopt. Er komt nu en dan iets concreets in naar voren over bepaalde liquidaties. Dat zegt iets over de manier waarover we erover spraken. De tapes zijn wel belangrijk als ondersteuning voor mijn verhaal. Dat ervaart hij als spelletjes spelen, dat begrijp ik wel. Als hij de controle verliest, speelt iemand anders een spelletje. Normaal hoeft een getuige dat niet, maar ik zit in een setting met iemand die fantastisch charismatisch is en die mensen kan overtuigen. Dat doet-ie al jaren, daarom moet ik meer bieden, dat hij daar dingen in zegt die concreet aansluiten op zaken: het zijn zijn woorden. Ik heb altijd gezegd: u moet het hem zelf horen zeggen. Ik heb gedaan wat ik kon, ik hoop dat het genoeg is. We kunnen er heel ingewikkelde verhalen van maken, maar het is een ondersteuning van mijn verklaring.

Janssen: U zei bij eerdere gelegenheden: ik heb alles ingeleverd.

Astrid: Dat heb ik helemaal niet gezegd, ik begrijp niet hoe je daarbij komt.

Rechter: Zullen we afspreken dat u u zegt tegen meneer Janssen?

Janssen: Bij de rechter-commissatis, bij het Hof in het Passageproces.

Astrid: Ik heb gezegd dat ik niks meer kon vinden. In Passage: toen had ik het nog niet teruggevonden. Over deze tape: ik kreeg totaal geen enkele beveiliging, het is heel leuk een hele organisatie op je dak te krijgen, als vrouwen met een paar kinderen, en justitie aan de zijlijn. U moet u voorstellen dat het uw vrouw overkomt.

Janssen: Nee. U heeft gezegd: “Ik heb alle geluidsopnamen ingeleverd, ik heb niks meer liggen.”

Astrid: Ja, dat kan ik zo gezegd hebben. Later heb ik nog dingen gevonden.

Janssen: Heeft u bewust dingen achtergehouden?

Astrid: Ik heb zeker bewijs binnengehouden.

Janssen: Het Passageverhoor gaat heel uitgebreid en langdurig over de kwestie rond het naamsmisbruik, wat Dino Soerel daarover gezegd heeft. De suggestie wordt gewekt dat het één groot spel is dat uw broer heeft gespeeld.

Astrid: Er is een spel geweest dat Dino hem zou bedreigen, dat klopt.

Janssen: Wie zijn spel was het?
Astrid: Dat mogen ze samen uitzoeken. Ik heb geen probleem met Dino. Ik vind hem heel zielig. Dat hij geassocieerd is met mijn broer. Mijn broer doet of anderen o zo belangrijk zijn. Iedereen laat zijn snoetje zien, behalve hij. Dan ben jij de top. De anderen zijn de 2, 3 4 5 en 6. Het is makkelijk als je de top bent geweest om anderen de schuld te geven. Het is triest voor de anderen die meegegaan zijn in zijn wanen. Daar  schaal ik ook zijn advocaten bij in. Hij leeft in zijn wanen en trekt anderen daarin mee.

Janssen: Vanuit die iritatie…

Astrid: Ik heb niks met Dino…

Janssen: Mag ik mijn vraag afmaken, herhalen duurt langer, ik leid uit uw woorden af dat u zegt: “Ik kijk er op die manier tegen aan, dat irriteert mij.”

Astrid: Luister, dan moet u mij voorhouden over naamsmisbruiken. Ik weet van Stijns kantoor (Stijn Franken, de vorige advocaat van Holleeder) om Dino de zwarte piet toe te spelen. Ik weet wat hij vertelt over het samenwerkingsverband: Dino beheerde de pot.

Janssen: Heeft u dreiging ervaren toen er gesproken werd over de verklaring die Willem Holleeder zou moeten afleggen over Dino Soerel?

Astrid: De situatie bij Stijn op kantoor?

Janssen: En daaromheen.

Astrid: Beperk het tot de situatie op kantoor; dat zie ik als een manier van hem om te zorgen dat hij Dino monddood maakt. Voel ik me daardoor bedreigd? Omdat hij dat door de telefoon gaat blèren? Dan denk ik: “Iedereen hoort het, dat doet hij met een bedoeling, waarom plaats je mij in die positie.”

Janssen: Heeft u uw broer gevraagd of hij dit op wilde lossen omdat u het ongemakkelijk voelde?

Astrid: Ik ga nooit met hem een gesprek aan. Nooit aan de telefoon: “Wim, dit moet je oplossen.” Hij zit binnen, wat kan hij? Dat weet hij zelf wel, daarom had hij Kareltje Pronk naast zich staan.

(Karel Pronk is een crimineel die tegelijk met Holleeder in de gevangenis had gezeten. In februari 2012 vroeg hij schrijver dezes of hij in contact kon komen met Holleeder. Dat Karel Pronk en Willem Holleeder in die periode of later op enige manier hebben samengewerkt of überhaupt contact hebben gehad blijkt nergens uit)

Janssen: Het draait om naamsmisbruik, dat hij de naam van Dino Soerel misbruikte ten opzichte van derden.

Astrid: Ik weet alleen over Endstra. Als hij dat zou doen, wat je normaal wel kunt doen, dan zou hij zelf eerder in de liquidaties terechtkomen.

Janssen: Het gaat toch ook om Ariën Kaale?

Astrid: Wat is Ariën Kaale nou van belang? Die is afgeperst.

Janssen: Hij moest een verklaring afleggen, daarbij werd de naam van Dino genoemd.

Astrid: Dat staat toch op band?

Janssen: U zegt: het gaat alleen over Endstra.

Astrid: Ik snap uw punt niet.

Janssen: In deze periode heeft Sonja een gesprek met Ariën Kaale. Weet u wat die gezegd heeft?

Astrid: Ja. De strekking: dat hij moest verklaren. En dat die jongen daarmee zat: wie ging hij steunen, Wim of Dino.

Janssen: Door wie was hem te kennen gegeven dat hij moest verklaren?

Astrid: Hij is bezocht door Turken.

Janssen: Die hoorden bij wie?

Janssen: Hij noemt Ali Akgün. Hij was onder druk gezet door hen. Er was geen andere oplossing. “Er wordt precies verteld wat ik moet zeggen.”

Astrid: Dat is heel normaal in de onderwereld. Dan is het een  kwestie van kiezen. Hij heeft gekozen voor Wim, omdat Wim eerder vrijkwam dan Dino.

Janssen: De bandjes met gesprekken tussen u en Willem gaan uitgebreid over dit thema.

Astrid: Het gedoe met Dino. Wim zegt toch dat het strategisch is voor hem?

Janssen: U zegt: “Hij is bang dat Dino gaat praten. Het is typisch voor Dino.” Paniekvoetbal, zegt u.

Astrid: Ik ben toch geen mongool of imbeciel, ik weet waar het over gaat.

Janssen: U zegt: “Dino is iemand die actief is in het beïnvloeden van zijn eigen proces op een valse manier.” In Passage geeft u een heel andere lezing dan wat uit de bandjes volgt. Nu zegt u: “Willem heeft het in elkaar gezet.”

Astrid: Wim heeft het gedoe met Stijn in elkaar gezet om Dino de zwarte piet toe te spelen. Dat Dino zijn eigen ding in elkaar zet, staat op een bandje, dat moet hij weten, ik heb geen interesse in Dino, Dino is voor mij niet de moordenaar van mijn zwager, dat is Wim. Ik snap dat Wim zegt: “Het is een domme jongen,” want Wim laat zijn snoetje niet zien.

Janssen: In Passage ging het over het naamsmisbruik met Ariën Kaale. Het gesprek van Sonja met Ariën Kaale was ruim voor het verhoor, maar het is allemaal niet aan de orde gekomen in Passage.

Astrid: Dan zal het me niet gevraagd zijn.

Janssen: Het is wel gevraagd.

Astrid: Nee, het is niet gevraagd, het is een spelletje geweest. Hij heeft bewust Dino op die manier neergezet en uitgedragen. Dat is zijn rugzakje: hij heeft iedereen meegenomen in zijn wanen. Dat Dino, Danny en Dicky een aanslag op hem lieten plegen. Dat moest ik doorgeven aan de CIE-officier. Dat heb ik gedaan.

Holleeder: Meneer de voorzitter…

Rechter: Laat mevrouw even uitpraten.

Astrid: Als je het hebt over spelletjes, moet u geen dingetjes verwarren. Ik weet alleen wat hij mij zegt over de pot en Dino en al die dingen en dat ik met hem  bespreek dat er geen volledige betalingen zijn verricht, bijvoorbeeld aan Jesse Remmers.

Janssen: Dat staat dan weer niet op het bandje.

Astrid: U draait het om. Het is aan de rechtbank of mijn verklaring plausibel is. Ik kan u niet overtuigen, want u bent zijn advocaat. Ik heb niks met Dino. Geen probleem, dat wil ik ook niet. Wat Dino doet, moet Dino weten. Waar ik hem van ken is van Passage. Ik ken hem niet persoonlijk, het staat heel duidelijk op bandejs dat hij een verhaal construeert: “Als Dino gaat verklaren, is hij een leugenaar, hij heeft al eerder leugens verteld.” Dat is tactiek. Dat Dino een ander wil laten beïnvloeden moet Dino weten.

Janssen: U geeft er blijk van dat u weet hoe het is gegaan en dat Dino bezig is geweest het proces te beïnvloeden. Over de verklaring in Passage: de bandjes weerspreken wat u daar zegt.

Astrid: We hebben het over twee verschillende spelletjes. Ik kan u niet zeggen of Wim Dino’s naam heeft misbruikt, het enige wat ik weet over het geld van Ariën Kaale is dat Wim het bedrag heeft gedeeld met een vriend. Ik weet niet wie dat was.

Janssen: Het had te maken met cocaïne, heeft u verklaard.

Astrid: We zitten in de onderwereld, meneer, we zitten niet in een kantoortje bij een verzekeringsmaatschappij. Wim ging alles opeisen wat van Cor was.

Janssen: Dus er waren samen activiteiten van Ariën Kaale en Cor?

Astrid: Als het transport mislukt was, was hij nog geld gaan halen.

Janssen: Dat is niet gebeurd?

Rechter Mildner: Heeft Sonja iets van dat geld gekregen?

Astrid: Nee. Niets gekregen. Hij vertelt dat: het komt bij Sonja terecht. Wij zijn gaan vragen: hoe zit dat, Ariën? Eerst komt Ariën Kaale bij Sonja om haar te spreken, via Flap. (Willem L., bijnamen Flap en Flappie, een goede vriend van Cor, uit Utrecht). Aan Sonja wordt gevraagd: “Hoe zit dat?” Ik wist dat Son het niet had. Hij vertelde dat hij het voor Sonja ophaalde. Mij heeft hij op Stadhouderskader verteld dat hij het met een vriend had gedeeld. Toen was ik nog goed met hem. Het rechtssysteem zit er niet heel vaak naast, meneer Janssen.

Janssen: Ander onderwerp: Marcel Grifhorst. U heeft aangifte gedaan tegen hem, dossier Goud, 7 oktober 2012, tegelijk met Sonja, klopt dat?

Astrid: Ja.

Janssen: Uw verklaringen zijn identiek.

Astrid: Om en om. We hebben hetzelfde meegemaakt. Ik heb mijn verhaal gedaan, zij haar verhaal.

Janssen: Zat u bij elkaar?

Astrid: Weet ik eigenlijk niet. Ik weet niet waar en wie. Geen idee. Voor mij is dat niet zo relevant.

Janssen: Het is een behoorlijk verstrekkende aangifte tegen Marcel Grifhorst. “Ik doe aangifte tegen de persoon die ons wilde afpersen via Marcel Grifhorst.  Tegen Frans Meijer en Marcel Grifhorst en mogelijk anderen: Richard en Mark G.. Frans had opdracht gegeven aan Marcel Grifhorst en gevraagd naar ons te reizen. We hebben geen schuld aan Frans Meijer, we voelen ons afgeperst. Het ging om 200.000 euro. Ik weet dat Marcel Grifhorst onderdak heeft bij de broers G., criminelen met een grote reputatie. Het is dezelfde modus operandi als eerder bij Cees Houtman. Ik moet 200.000 euro betalen, het is niet denkbeldig dat ik doodgemaakt word als ik niet betaal. Ook als ik wel betaal. Het lijkt op de methode die al jarenlang wordt gehanteerd door mijn broer Willem Holleeder. Ik heb het vermoeden dat hij erachter zit.”

Astrid: Ik zal het iets preciseren. Frans Meijer en consorten zijn geen jongetjes waar je zo maar langsloopt. Dat is net weer gebleken: hij is aangehouden met een wapen. Ik ben eerder met hem geconfronteerd. Dat weet mijn broer. Hij wilde mij spreken, hij dacht dat ik het verlengstuk van mijn broer was. Mijn broer heeft een briefje meegegeven aan Chrisje Zuur (advocate van het kantoor van Stijn Franken) dat Frans Meijer zijn deel gewoon had gehad. Eerder waren we er al door Frans Meijer op aangesproken, hij wilde ook geld van Sonja. Dat is in ’t Kalfje gebeurd (restaurant Klein Kalfje aan de Amstel). Ik heb een keer met hem en Wim gezeten, toen ging hij helemaal over de rooie. Hij pakte mijn arm, begon mijn arm om te draaien, dat deed heel erg pijn. Hij bleef me aankijken, ondat ik een verlengstuk was van Willem Holleeder. Wim zei niks. Wim kan wel gaan piepen, omdat hij bij mijn neefje op het tennisveld stond. (Frans Meijer was een keer opgedoken bij de tennisbaan van Richie, zoon van Cor en Sonja)

Janssen: Was dat die keer met dat schreeuwen?

Astrid: Nee, dat was bij ’t Kalfje. We waren wel wat gewend. Het moest stoppen, het was bedreigend. Toen heb ik dat binnen gehad bij zijn ex-vrouw. Ik vind het niet zo heel belangrjjk, af en toe ergens opdraven en je tanden laten zien, het is niet zo relevant. Het waren allemaal vrienden van Cor.

Janssen: Marcel Grifhorst was er ook bij betrokken.

Astrid: Dat was vreemd. Hij laat zich sturen, hij werd zó bedreigd! Ik denk dat hij gestuurd is door het zwikkie om Wim heen. Ik ben niet geïnteresseerd in Marcel Grifhorst.

Janssen: Als je het gesprek leest toont u begrip voor de situatie van Marcel Grifhorst. Dat u het zo vervelend voor hem vindt.

Astrid: Als mensen in de bovenwereld ga je ervan uit dat mensen eerlijk met elkaar praten. Dat gaat daar niet. Met mensen die geweld niet schuwen, is het altijd opletten. Aanhoren, een beetje meebewegen en kijken wat je doet. Het zijn mijn  vrienden niet, ik weet niet of je ze kan vertrouwen, ik weet dat je niemand in die wereld kunt vertrouwen. De enige balans  is: dat ze geen dingen over elkaar vertellen. Maar er is geen trouw, geen loyaliteit, geen vriendschap.

Janssen: Marcel Grifhorst is gehoord over de afpersing. Hij heeft tegen u gezegd dat hij het heel vervelend vond om jullie hiervoor te bellen. U zegt: “We vinden het voor jou ook heel vervelend.” En verderop: “Wat kunnen we voor jou doen?”

Astrid: Als hij toen had gezegd: “Willen jullie mij helpen,” dan wisten we waar hij stond. Gooi het open, jongen, kom mee! Maar als iemand dat weigert…

Janssen: In dit gesprek was u nog overtuigd van de goeie bedoeingen van Marcel Grifhorst.

Astrid: In die wereld is er niemand met goeie bedoelingen. Ik ga naar een locatie, met iemand uit het nest waar Wim goed mee is. Die wil afspreken.

Janssen: Meijer was geflipt, volgens u?

Astrid: Dan kom je met zo’n kutverhaal, helemaal niet goed ingestudeerd, “ik ben  gedwongen om te komen” (in plat Amsterdams imiteert ze de stem van Marcel Grifhorst). Als ik Marcel hoor praten, hoor ik Wim. Ik moet aftasten: wat willen die mensen van mij? Willen ze mij liquideren? Ik ben met Sonja aan de telefoon blijven zitten: “Blijf aan de lijn, dan weet je wat er gebeurt, ik zit met allemaal lijpies en mafkezen, wij moeten zelf zorgen dat we veilig blijven.”

Janssen: Ik zeg dat het gesprek vriendelijk lijkt.

(Astrid blijft schreeuwen, niemand kan ertussen komen, rechter Wieland grijpt in en verzoekt haar te stoppen, “de griffier kan het niet volgen”)

Janssen: U heeft de situatie anders beleefd dan wat wij ervan terug kunnen lezen.

Astrid: Wat ú daarvan terug wil lezen. Een ander weet heel goed wat er staat.

Janssen: Ik interpreteer niks. “Wat vervelend voor je.” Dat is andermans ellende.

Astrid: Dat is ook zo

Janssen: Iets anders: in dat gesprek gaat het over losgeld. “Wij weten niet beter dan dat Cor een deel van het nepgoud heeft gekocht, daar hebben wij een verhaal van gemaakt.”

Astrid: Moet je aan Nancy (zus van Cor) vragen. Dat gaat over het goud in de Santé (de gevangenis in Parijs waar Cor en Willem enige tijd vastzaten kort na de ontvoering). Vraag het aan je cliënt. Wat is daar interessant aan? Cor had nepgoud gekocht van een joodje. U zegt: daar hebben wij een verhaal van gemaakt.

Janssen: Is dit niet het Goudsnipverhaal?

Astrid: Nee. Dat is goud wat Robbie Grifhorst heeft gekocht.

Janssen: U zegt: “Daar hebben wij een verhaal van gemaakt.”

Astrid: Stijn had daar een bewijs van. Stijn is dat ‘kwijtgeraakt’ (de rechter legt uit dat ze hier een gebaar bij maakt)

Holleeder: Meneer de voorzitter: ze blijft iedereen maar beschuldigen, vanaf het begin dat ze op de stoel zit, mag ik er af en toe wat van zeggen?

Rechter: Ik heb liever dat u dat bewaart.

Janssen: Er wordt gesuggereerd…

Astrid: Het was iets waar Wim altijd bij is geweest, ineens sloot hij Wim buiten. Hun met zijn vieren hadden iets gedaan, ineens begon Marcel Grifhorst hem uit te sluiten. Waarom? Dat was vreemd.

Janssen: Zoals ik het lees: “We kopen nepgoud, 2 miljoen, alleen ik, Cor en Robbie zeggen dat.” Daarbij moest ik denken aan dat lange stuk in The New Yorker, dat zult u ongetwijfeld niet gemist hebben: Astrid is surprisingly forthright about the fact that Sonja continues to live on the proceeds of the kidnapping. “The state didn’t take it away from them, and Heineken didn’t start a proceeding to take it back, so it was theirs,” she said.

Astrid: Zo was het toch ook?

Janssen: Hij plaatst het in het nu.

Astrid: Nee, zo kun je het niet lezen.

Janssen: Citeert het gedeelte dat voorafgaat aan dit fragment: One Sunday morning, a driver picked me up by a canal in the center of Amsterdam, and we drove to the apartment building Willem Holleederere Sonja lives. Astrid greeted us at the door. She had arranged to have lunch with her family, and had invited me to join her. Sonja presided in the kitchen. She has honey-blond hair, a deep tan, a quiet smile, and, like Astrid, a tendency to dress in black. The apartment was spotless and furnished in Willem Holleederite; sunlight filtered through closed blinds. Astrid is surprisingly forthright…Etcetera. Niks over vroeger, het gaat over het appartement.

Astrid: Nou en?

Janssen: Wat zegt dat over de tijd?

Astrid: Zoals wij het hebben besproken en bedoeld: in het verleden. Sonja en Cor en Wim en iedereen is toch door blijven leven?

Janssen: Continues to live.

Astrid: Dat was na de ontvoering. Sonja leeft niet van geld van de ontvoering. Ik kan u uit de droom helpen.

Janssen: U bent er verbazingwekkend open over. Sonja continues to live on the proceeds of the kidnapping.

Astrid: Die journalist heeft er heel lang over gedaan.Ik heb liever dat ze er drie maanden over doen om alles uit te zoeken dan dat ik hapsnap wat dingetjes kan vertellen. Het irritante is het vragen stellen over mijn belangen. Dan was ik toch kroongetuige geworden, dan had ik die hele ellende niet gehad. Wij zijn juist pas gaan verklaren omdat ik weet hoe het werkt. Ik heb geen belang, maar ik krijg ‘m toch wel om mijn oren. Ik snap dat het moet. Ik ben heel zuiver geweest. Pas toen wij klaar waren, Son en ik, ik ben al veroordeeld in Goudsnip, in mijn beleving, ik was er al door beschadigd. Sonja was klaar, dan kunnen we dingen doen. Als ik een belang had gehad, was ik kroongetuige geworden. Wij willen geen belang, geen beloning, we hadden wel graag bescherming gewild. Ik had gehoopt dat andere mensen van Goudsnip erbuiten zouden blijven. Ik ken zijn verdediging vooraf al: het is beschadigen.

Rechter Wieland: Is u gevraagd of u kroongetuige wilde worden?

Astrid: Nee. We haden geen strafzaak lopen. We hebben geprobeerd het vege lijf te redden. Ik heb niet de indruk gehad dat men op vervolging van Wim uit was.

Janssen: Een getuige waar u eerder over verklaard heeft, Nicky, is uitgebreid ondervraagd over het relationele vlak, hoe ze met de familie is omgegaan. Ze zegt: “Met moeder Stien en Sonja had ik een warm contact, ik zag hen als surrogaatfamilie.” Dat geldt ook voor haar dochter. Kunt u dat bevestigen?

Astrid: Mijn moeder is een warm mensen en gek op kinderen en heeft altijd alles gedaan voor de vrouwen van Wim. Ik kan er heel veel over zeggen, maar dat ga ik niet doen. Iedereen mag zijn eigen beleving hebben.

Janssen: De band tussen Willem en zijn familie beschrijft ze als close, met Sonja “bijna incestueus, ziekelijk, de familie was  belachelijk heilig voor hem.”

Astrid: Ik denk dat dat ten dele klopt. Als kinderen waren we erg op elkaar aangewezen, dat is nooit geëindigd. Daardoor kwamen  relaties op de tweede plaats, de veiligheid onderling ging altijd voor. Op zitting schiet ik terug in die verhouding, daardoor heb ik er moeite mee. Als het kleine zusje is het moeilijk om als volwasene tegenover hem te staan, we zijn de kindfase nooit ontgroeid. Dat maakt het verraad zo groot. Als kinderen houd je elkaar veilig, en nu doe je dit. Daar gaat aan vooraf (huilend) dat hij ons ook wel heel erg heeft verraden.

Janssen: In de periode dat hij een hartaanval heeft gehad, zei u: “Elke keer als ik contact met hem had, was ik aan het huilen, en mijn moeder ook.”

Astrid: Daar kan ik veel over zeggen, maar daar heb ik geen behoefte aan.

Janssen: De reden dat Nicky is gehoord is dat ze meekreeg wat op zitting gebeurde en ze dacht: “Dit kan niet waar zijn.” Over de brief van uw moeder zegt ze: “Het kan niet dat die van Stien komt, die moest altijd huilen als het over Wim ging: ik mis mijn jongen…” (Stien had een brief naar de gevangenis gestuurd waarin ze onder meer schrijft dat ze geen contact met  haar zoon wil hebben en dat hij niet op haar begrafenis mag komen)

Astrid: Ik kan u zeggen dat dat niet zo is, dat de verhoudingen niet zo zijn. We hebben meer meegemaakt met Nicky, ze wacht haar hele leven al op Wim, ik ga haar verder niet ter discussie stellen.

Janssen: Ze heeft het over op het oog liefdevolle uitwisselingen van dingen. De dochter van Sonja (Francis, Fran) heeft contact met Wim, met regelmaat. Daar zegt zij over: “Die belde elke dag met haar oompje, dat was niet gespeeld. Ik kan niet geloven dat dat gespeeld was, ik heb dat van dichtbij gezien, dat kan niet kloppen.” Dit is iemand die er dichtbij heeft gestaan.

Astrid: Wat is dichtbij? Zij was een van de vrouwen die onderhouden moesten worden, die een financiële waarde vertegenwoordigden. Die zorgde dat ze een woning kon huren, die was heel bruikbaar. U dwingt mij die vrouw hier voor schut te zetten. Ze heeft een beleving van een relatie die ze nooit heeft gehad. Als u mijn moeder hoort over haar, die werd knettergek, ze belde dag en nacht op. Wat mijn moeder met die vrouw heeft meegemaakt… Toen mijn nichtje eindexamen deed moest ze van het  dak worden gehaald.

Janssen: Ze zegt: “Dat is volkomen flauwekul, nooit gebeurd.”

Astrid: Alsof ze zich dat kan herinneren in een psychose.

Janssen: Het gaat mij erom dat als zij beschrijft dat ze contact had met uw moeder en met Sonja. Als Holleeder in het ziekenhuis ligt. Zegt u: “Dat is onzin, of: kan dat?”

Astrid: Ik denk dat het wat genuanceerder ligt. Wim had hartproblemen. Dat is altijd vervelend. Wij hebben hem altijd vergeven, wij moesten normaal doen. Er heeft een nichtje gestaan, die wilde de stekkers eruit trekken. Ik heb gezegd: nee. De haat was extreem. Omdat hij Cor heeft gedaan. Omdat hij Ritch mee wilde trekken de criminaliteit in. Het shirtje van Ritch heeft stukgeknipt. Wilt u nog meer horen? Wilt u meer horen over Ñicky d’r borderlinesyndroom? Als u mijn broer een paar keer heeft meegemaakt, daar zit geen ruimte in voor een eigen stem.

Janssen: Wij kijken naar wat in het dossier voorkomt. Mensen die er zicht op hebben gehad. Nicky heeft er uitgebreid over verklaard.

Astrid: Heeft ze ook verteld dat Fran heeft gezegd dat Wim Cor had gedaan, dat ze snel naar Wim is gegaan om dat te vertellen? Schijthoer!

Janssen: In 2012 was het voor het eerst dat we van Francis iets nieuws hoorden, toen was er een andere verhouding. Dat Francis zegt dat Willem achter Cor zat.

Astrid: Toen was Fran dronken. Dat had ze nooit mogen zeggen. Met gevaar voor eigen leven. Alles moest binnen de familie worden gehouden. Ik realiseer me heel goed hoe hij dat gebruikt in zijn voordeel. De telefoon moet altijd weg.

Janssen: Samengevat: Ook op momenten buiten Willem om wordt er een beeld neergezet dat je niet kan spelen.

Astrid: Hahaha! Die vrouw is helemaal idolaat van die man. Er zit een stekie los! Ik heb haar nog gewaarschuwd!

Janssen: Ze hoeven dat beeld niet neer te zetten. Jos Rijser…

(Jos Rijser is de oud-collega van Astrid, die kort voor deze zitting een interview gaf aan Paul Vugts in Het Parool waarin hij zegt dat Astrid liegt. Rechter Mildner wil eerst nog een vraag stellen over Nicky)

Rechter Mildner: Nicky heeft ook gezegd: “De familie vond mij wel aardig” en “het schrikbeeld van de familie was Cor. Francis belde getuige huilend op: “Was mijn vader er maar niet meer.” Ze had diarree van de zenuwen. Willem heeft nooit een verkeerd woord over Cor gezegd.

Astrid: Onzin. Cor wordt niet afgeschilderd als een engeltje. Ook als hij een lastige man was, dan had hij ook op dat moment voor Cor op moeten komen. Het ging hem niet om Sonja. Het is heel simpel: het is nergens ideaal, ieder huisje heeft zijn kruisje, maar dat wil niet zeggen dat je elkaar moet vermoorden. Laten we het over Jos Rijser hebben, dat lijkt me heel leuk.

Janssen: Het gaat over een overeenkomst en een gebeurtenis op zijn kantoor.

Astrid: Op mijn kantoor. Mijn nieuwe kantoor. Daar was mijn hele familie, een gezellig Jordanees onderonsje.

Janssen: Door u was aan hem de indruk gewekt dat u ontevreden was over iets, dat u hem schaarde in het kamp Willem. Hij zegt dat u helemaal geen afscheid had genomen van uw broer.

Astrid: Ik had in 2006 geen nieuw kantoor. Ik krijg een artikel op voorhand van Paul Vugts toegestuurd, mij werd gevraagd om wederhoor. Het klopt dat niemand van ons wist en mocht weten hoe we tegenover Wim stonden. Dat wist Jos niet. Hij was een gewaardeerde collega, maar geen vriend van mij, ik wil mensen niet wijzer maken dan ze zijn, dan lopen anderen ook gevaar. Ik zou hem nooit wijzer hebben gemaakt, maar: “Als jij dat zo hebt beleefd…” Iedereen mag vinden wat-ie wil. Het is een beetje heisa geworden. Een collega die zegt: ze liegt. Als je het verhaal leest, is het anders, maar mensen lezen niet,  alleen de kop en inenen was ik weer de leugenaar. Als ik commentaar geef, krijg je discussie.

Janssen: Hij zegt dat u hem onder vier ogen heeft laten blijken dat u er niet van gediend was dat hij getuigen had bijgestaan in de zaak tegen uw broer,

Astrid: Ik heb me erover verbaasd. Ik kan me het incident op mijn kantoor niet herinneren. Feitelijk kan het niet, ik ben in augustus 2007 pas naar het andere kantoor gegaan. Niemand kan zich dit herinneren: mijn moeder niet, mijn zus niet, de kinderen ook niet. Als hij het zich zo herinnert. “Dan lijkt of alles normaal is.” Dat kan ik me voorstellen, het incident kan niet. Verder heb ik met Jos altijd  normaal contact gehad. Wat ik erg vond: we wisten al dat hij Thomas bijstond. Dat was raar. Mijn broer kwam elke keer aan de deur, dan ga jij Thomas bijstaan zonder dat je dat met collega’s overlegt. Ik heb gezegd: laat maar. Ik zou dit nooit tegen Jos hebben gezegd, hij doet wat hij wil in zijn praktijk. Hij liet zich erop voorstaan dat hij goed bevriend was met de officier van justitie, waarvan hij weet dat hij daar woont. Voor Jos is het heel moeilijk zich achteraf te realiseren hoe het geweest is. Hij is best wel een mannetje, iemand die voor onrecht opkomt, ik kan me niet voorstellen dat er een kwade bedoeling bij zit.

Janssen: U zegt: ik herinner me het incident niet en het ligt niet in mijn aard zoiets met iemand te delen.

Astrid: Ik wist al eerder dat hij Thomas bijstond. Jos heeft mij gebeld en gesms’t toen ik getuige werd. Hij heeft aangeboden mij als getuige bij te staan. Ik koos toch liever voor iemand anders.

Janssen: Ik wil even terug naar een vorig punt, in een bijzin: dat  Jesse niet betaald zou zijn.

Astrid: Ja, daar heb ik al over verklaard.

Janssen: Waarvoor niet?

Astrid: Voor Cor.

Janssen: Dat kan ik me niet herinneren.

Astrid: Deels niet betaald.

Janssen: Het gesprek waar u het over heeft, dat lijkt te gaan over Endstra en het geld voor Endstra. Dat is van na Cor.

Astrid: Wij hebben het gehad over wat ik al zeg. Er zijn mensen niet betaald. Omdat we daarvoor al gesprekken hebben gevoerd. Wat er niet is gebeurd is dat mensen die betrokken zijn geweest niet helemaal zijn betaald.

Janssen: Is dat blijven voortbestaan?

Astrid: Dat is nooit opgelost. Dit gesprek was in 2013, 2014.

Janssen: In Passage gaat het over Jesse Remmers die moorden zou hebben uitgevoerd in opdracht van Dino Soerel. Dat is moeilijk te rijmen met dat hij eerder niet betaald zou zijn.

Astrid: Ik begrijp uw vraag niet.

Janssen: In Passage, in de zaken van Houtman en Van der Bijl, gaat het om Jesse Remmers als verdachte, in opdracht van Dino Soerel. Dat is moeilijk te rijmen met uw stelling dat hij eerder in dezelfde lijn niet betaald is.

Astrid: Dat weet ik niet, ik zeg dat Wim mij dit heeft verteld.

Janssen: Dat vind ik moeilijk te volgen; iemand is niet betaald, twee jaar later werkt hij wel weer voor dezelfde opdrachtgever. Iets anders: getuige Nicky wordt gehoord over de relatie tussen Willem Holleeder en Willem Endstra. Ze zegt: “Willem Holleeder adoreerde Willem Endstra. De enige twee keer dat we grote ruzie hadden ging het één keer over Endstra, één keer over de familie. Endstra had altijd vrouwen, auto’s, auto wassen…”

Astrid: Dat weet ik niet zo concreet. Het zou heel goed kunnen. In het begin is er een goede verstandhouding en dan is hij dienstbaar, op een gegeven moment draait dat om.

Janssen: Ze zegt: “Na de moord op Endstra was hij drie dagen niet aanspreekbaar, hij was er ondersteboven van.”

Astrid: Ik weet niet hoe hij zich ten opzichte van haar heeft gedragen, ik weet wel dat hij naar Duitsland is gegaan.

Janssen: Dus dat moet hij dan gespeeld hebben.

Astrid: Ik getuig tegen mijn broer, maar voel me er wel ellendig onder. Het kan best zo zijn dat hij zich zo voelde. Waarom was hij aangeslagen? Wat gaat er gebeuren, je weet dat je erop aangekeken wordt. Maar ik ken hem anders.

Janssen: De moord op Endstra heeft een lange aanloop, het was continu gedoe. Heeft u in die periode overwogen naar de politie te stappen en te waarschuwen dat Endstra gevaar zou lopen?

Astrid: Nee, ik heb ook mensen om me heen die ik niet zomaar de ellende in kan trekken, dat doe ik nu al. Op dat moment was het ook dat Endstra hem wilde vermoorden. De relatie met het Openbaar Ministerie is nooit zo fijn geweest. Wij konden nooit anoniem verklaren. Hij weet direct waar het vandaan komt. Ze hebben zelf in die auto gezeten, daar hadden ze mij niet voor nodig. Ik had het  niet eens gered. Ze zien me aankomen en ik had nul vertrouwen in justitie. Hij met zijn petten. Ik vind dat nog steeds een van de grootste trauma’s.

Janssen: U had kunnen waarschuwen: “U loopt gevaar.” Los van de positie van uw broer. In het algemeen.

Astrid: Dat zijn uiteraard morele dilemma’s. Je zit met heel veel elementen. Met justitie. Wie is de pet? Wat is het gevaar voor jezelf? Met Cees Houtman was het: “Ik ga een raket naar binnen schieten.” Het wordt steeds gekker. Ze staan elkaar naar het leven, ze willen elkaar afschieten.

Janssen: Had u zicht op andere conflicten rond Endstra, van mensen die geld hadden belegd bij hem?

Astrid: Van Mieremet weet ik van Wim hoe het ging, met opnames en advocaten. Stel dat Wim had gezegd: volgende week laat ik Endstra liquideren, op die tijd en die datum, dan had ik kunnen waarschuwen. Nu was: hij wordt misschien een keer  vermoord, hij mág niet meer betalen. Als ik daarmee bij de politie was gekomen, was het: “Hoe bedoelt u, mevrouw?” Ik moet hier het taalgebruik al uitleggen. Als het zo concreet was geweest, was ik wel naar Endstra gegaan, dan had ik hem zelf gewaarschuwd.

Janssen: Mieremet, wat weet u daarvan?

Astrid: Hoe het ontstaan is? Mieremet lag onder een auto met zijn milt kapot, hij wou zijn geld terug. (dit gaat over de eerste mislukte aanslag op Mieremet) 

Janssen: Mieremet ging zelf naar De Telegraaf. Eerder was er een conflict met geld van Jocic. Heeft u meekregen wat daarover naar voren is gekomen?

Astrid: Nee, ik lees eigenlijk niks, ik trek dat gewoon niet. Alleen toevallig de afgelopen dagen over de slachtoffers. Over Jotza: dat Cor hem nog heeft gewaarschuwd om niet te gaan.

Janssen: En over de verklaringen van Magdi Barsoum? Stanley Hillis neemt de bemiddeling over van Barsoum, de reis van Hillis met Sandra naar Liechtenstein, het geld wordt overgedragen aan Kolle.

Astrid: Wat ik weet is dat ik met Wim bij Loogman sta en dat-ie Sandra haar geld aan het afpakken is en dat het probleem was dat de broer van Jocic zei dat Wim de boel gepikt had. Wim had Mieremet gepikt, Wim had met de broer van Jocic gesproken. Er zou een gesprek over komen, toen is Cor gewaarschuwd. Later zei Wim: “Ik heb die broer gesproken, het is allemaal goed nu,” verder weet ik er niks van.

Janssen: Heeft u het boek Kouwe Ouwegelezen?

Astrid: Een beetje.

Janssen: Over de Deurloostraat?

Astrid: Dat vergeet ik omdat ik het uit eigen beleving ken.

Janssen: Daar staat een opmerkelijke aanvulling in. Mink Kok vertelt hoe dat bedrag van een miljoen tot stand is gekomen.

Astrid: Alles wat iedereen zegt, het zal wel, ik weet wat ik heb meegemaakt. Wim is gewoon overgestapt, that’s it. Mij is daarna in een gesprek verteld hoe de eerste aanslag is verlopen.

Janssen: Mink zegt dat probleem was dat Wim en Robbie Grifhorst wel wilden betalen, het verhaal van ‘sitting ducks’ maar dat Cor dwarslag en niet wilde betalen.

Astrid: Dat is opgelost. En hij zegt zelf dat Cor is doodgeschoten door Mieremet. Cor wilde niet betalen, dat klopt. Dat het over algemeen niet veel zin heeft om wel te betalen, dat zie je aan Endstra.

Janssen: Het adres in de Deurloostraat zou door Holleeder zijn aangewezen aan Mieremet en Klepper. Om de hoek was Het Vliegertje. Iederen wist waar Cor woonde. Hij liep zo de Deurloostraat in. Zijn buurman Peter B. woonde een paar portieken verder. Bij de rechter-commissaris zegt Mink Kok dat het niet nodig was dat Willem Holleeder de woning aan zou wijzne. Peter B., de chauffeur van Sam, was zijn buurman.

Astrid: Als hij dat zo vindt, dat zou best kunnen, Mieremet heeft erover gezegd dat hij de Deurloostraat had aangewezen. Dat was een belangrijk element waardoor wij wisten dat hij erachter zat. Later, in de loop der tijd, is dat bevestigd door kleine dingetjes. “Ik wou dat ze met z’n allen in één auto zaten.” Voor mij is dat helder. Over het aanwijzen van de Deurloostraat: Cor had voor die tijd nog ergens anders gewoond, op een plek die niemand wist. Wim heeft Sonja in de auto gezet om te zorgen dat hij de Deurloostraat in ging

(Holleeder lacht lang en sarcastisch)

Janssen: Dat is een onzinnige beschuldiging,.

Astrid: Dat is zoals wij het beleefd hebben: dat hij het aanwijzen heel serieus neemt.

Holleeder: mag ik wat vragen, meneer de voorzitter? (kucht, kucht) Dat heb ik helemaal niet verteld, leugenaar!

Astrid: Dat heeft hij wel verteld. En over gokhallen. Al die dingen. Dat hij een klacht heeft ingediend. Over de zaak met Boone en Koos Plooij  (een bedreiging van officier van justitie Koos Plooij;  Jan Boone was de advocaat van een verdachte) (Holleeder hoest)

Janssen: De verklaring van Mink was er eerder niet. Er zijn meer getuigen die zeggen: “Mieremet is gebrouilleerd met Willem Holleeder en is Willem Holleeder aan het beschuldigen.” Dat in de aantekeningen van John van den Heuvel staat wat Mieremet zei en dat Mieremet bezig was met zijn eigen positie en een spelletje.

Astrid: Ik ken alleen de houding van Wim ten opzichte van Mieremet. Stress. Ik had echt het gevoel dat mijn broer de machtigste was, dat hij er bovenop zou zitten, niet dat hij het onderspit zou delven. Hij was er wel over aan het praten. Dat hij moest oppassen, dat het niet veilig was, dat hij dingen moest opnemen. Ik had niet de indruk dat er een spelletje werd gespeeld. Het stuk in de krant had veel stress gegeven. Mijn nichtje moest de krant halen bij de persgroep, die hebben ze zitten doornemen op het Gelderlandplein. Dat was totaal niet: “Dit is een spel.” Het was bedreigend omdat het over de waarheid ging.

(dit gaat over het artikel in De Telegraaf waarin John Mieremet Endstra neerzet als ‘bank van de onderwereld’ en Holleeder als handlanger. Later is de laptop van John van den heuvel gestolen, met ondermeer de aantekeningen van het interview met Mieremet)

Janssen: Dat stuk over het aanwijzen stond niet in de krant.

Astrid: Als John Mieremet dat zegt, dan zeg ik: “Ik sla erop aan, het past in het plaatje.”

Janssen: Iedereen die we erover gesproken hebben…

Astrid: Hij kan er toch langs hebben gereden?

Holleeder: Ik wil toch een vraag stellen nu.

Rechter Wieland: Dat kan aan het eind.

Holleeder: Het is leugen op leugen. Ik kan ze niet bij elkaar optellen, dan weet ik het aan het eind van de dag niet meer.

Rechter: Daar heeft u pen en papier voor en uw advocaat. Als u dit met elkaar doet, wordt het bonje.

Holleeder: Het is leugen op leugen.

Rechter: Dat heeft u vaker gezegd. Aan het eind krijgt u de gelegenheid. Over een half uur.

Janssen: U heeft zojuist iets gezegd over Mieremet en Holleeder. Weet u wat Fred Ros zegt over zijn positie?

Astrid: Ik neem Ros niet zo serieus. Mijn indruk is dat Ros hem  erbuiten houdt.

Janssen: Waar baseert u dat op?

Astrid: Hoe het gelopen is en onderling met advocaten is besproken, dan kies je een kant.

Janssen: Waarom zou Ros die kant kiezen, wat is ervoor hem te winnen?

Astrid: Als je iedereen gaat noemen, heb je een probleem met iedereen. Als je iemand erbuiten houdt, heb je nog iemand die je kan steunen. Dat is mijn vermoeden. Ik volg hem niet, het boeit mij niet, ik heb gelijk al tegen Betty Wind (officier van justitie in het Passsageproces) gezegd: “Met die Fred Ros ga je ’t niet redden.”

Janssen: Ros zegt dat voor het anderen prettig was zich achter hem te verschuilen, dat hij de kop van jut was.

Astrid: Zo heb ik mijn broer echt niet ervaren. Hij is de man die het het beste voor elkaar had. Het is zeker niet zo dat ik van hem denk dat hij als een of ander sulletje is  misbruikt.

Janssen: “Van der Bijl was eerder naar Ros gegaan, Ros is toen naar Willem gegaan.”

Astrid: Niet naar Wim, Ros moest Wim doen van Thomas, toen hebben zij gezegd: “Dan moet jij nu Thomas doen.” Ze hebben het omgedraaid. Wim zijn zorg was wat Dino zou verklaren.

Janssen: Fred Ros heeft op zitting gezegd: “Dit is totale onzin, ik heb nooit contact gehad met Thomas van der Bijl, het klopt niet, er is nooit sprake geweest van contact met Stijn Franken of Willem Holleeder over de verklaring van Fred Ros.”

Astrid: Ik hoor het u zeggen.

Janssen: Waar is uw overtuiging dan op gebaseerd?

Astrid: Omdat ik er focking bij was! (lacht hard). Met Stijn erbij! Ik heb veel met Stijn en Chrisje overlegd over de verklaringen van Fred Ros. Ik heb geen zin om over Stijn te praten, Stijn is voor mij geschiedenis. Ik ben erbij geweest, omdat we die zitting hebben besproken.

Janssen: Uw mededeling over Stijn Franken dat hij nog contact zou hebben met de advocaat van Fred Ros, u trekt die conclusie…

Astrid: Soms heb je aan een half woord genoeg. Communicatie is meer dan woorden. De houding, de toon. Het is wat wij meemaken, Sander, wat ik met Stijn deel. Wim weet ook donders goed hoe dat gaat.

Janssen: Zou het kunnen dat uw beleving verkeerd is geweest?

Astrid: Nee, waarom zou ik Ros onderuit halen?

Janssen: Waarom zouden die advocaten er een louche zaak van maken?

Astrid: Die vraag moet u niet aan mij stellen.

Janssen: U suggereert…

Astrid: De advocaat van Ros (Onno de Jong) is iemand die mij heel dierbaar is. Ik vind het belangrijk dat ik in het kader van de waarheidsvinding alles eerlijk en open zeg. Wat ik over Ros verklaar, is tegenstrijdig aan zijn verklaring. Dit is wat hij tegen mij heeft gezegd. Ik heb geen belang bij het ondermijnen van Ros. Als ik had gewild dat mijn broer klakkeloos veroordeeld zou worden, had ik dit niet verklaard.

Rechter Mildner: Was er één advocaat aanwezig, Stijn Franken, die dat zei?

Astrid: We zaten op de kamer met Stijn. Stijn zit tegenover mij, wij zitten hier. Ik heb er een visuele herinnering aan. Waarom moet ik over Stijn praten? Ik heb geen zin om al die collega’s te bespreken.

Rechter: In het proces-verbaal staat: “Ik ben na de zitting met Ros met mijn broer op het kantoor van Stijn geweest. Ik met de advocaat van Fred Ros.”

Astrid: Het was op de zitting, niet op kantoor. Ik zit met Stijn, Wim zit naast mij. Hij is niet naar het kantoor van Stijn gekomen. Dan had ik toch een heel andere verklaring afgelegd.

Rechter: Het is aan de advocaat van Fred Ros voorgehouden.

Janssen: Er is helemaal niet op die manier over gesproken.

Astrid: Dan laat ik daarbij. Klaar. Het motief voor mij, dat hij Tomas wilde doen, was er toch al.

Janssen: Dat is een mooi bruggetje naar Cees Houtman en Thomas van der Bijl. Cees bemoeide zich met panden van Mieremet, Thomas bemoeide zich ermee, was dat het belangrijkste motief?

Astrid: De kwestie van Ros wist ik nog niet. Ik heb in 2013 een verklaring afgelegd. Ik was met Wim op de Catharina van Renessestraat, op het fietspad, dat Wim begint over Cees en de panden van Mieremet. We staan voor het huis van Sonja, we lopen door, over het fietspad, hij zegt dat hij een raket naar binnen wil schieten. Dan zeg ik: “Dat zijn wousen. Als je dat doet, ben je een vijand van de staat, dan krijg je de BVD op je nek.” De details: daar heb ik me niet in verdiept. Het was geen onzindreigement. Op dat moment is hij in een onderkoelde staat. Hij wordt steeds gekker, het wordt steeds gemakkelijker.

Janssen: Die panden.

Astrid: Dat was in de Scheldestraat bij mij. Ik dacht nog: “Welk pand is dat dan?” Hij kan het ook morgen bedenken. Als het in zijn hoofd zo is, dan is het zo.

Janssen: Die panden zijn uitgebreid besproken, in Kolbak, er werd aangenomen dat het motief voor Holleeder om Houtman af te persen dit pand in de Scheldestraat was.

Astrid: Dat wist ik toch al?

Janssen: Heeft hij er iets meer over gezegd? Waarom moord?

Astrid: Hij was tegen Mieremet. Als Houtman het zou kopen, zou hij Mieremet steunen. Dan had Mieremet steun om hem te liquideren, dan was Houtman met Mieremet, die het op zijn leven had voorzien, dus.

Janssen: Uw broer zegt: “Dit slaat nergens op, het pand was niet van Mieremet, het geld zou niet bij hem terechtkomen.”

Astrid: Dit is wat bij tegen mij heeft gezegd. Afpersing is niet het grootste probleem, maar dan konden ze hem linken aan een moord.

Janssen: Het pandje geldt in de Kolbakzaak als centraal motief. We hebben dat uitgezocht en de conclusie is dat dat hele pandje in de Scheldestraat al ruim voordat Cees Houtman in beeld kwam, al van eigenaar was verwisseld.

Astrid: Dus Cees is voor niks gegaan. Dat is nog erger. Hoe hun die constructies in elkaar hebben gezet, boeit mij niet. Dit heeft hij tegen mij gezegd en als hij een fout heeft gemaakt, dan is het nog erger. Dan moest Thomas ook.

Janssen: Thomas hielp Cees. Thomas was in een eerdere periode tegen Mieremet, omdat hij hem verantwoordelijk hield voor de eerste aanslagen op Cor. Later pas ook voor de derde.

Astrid: Ik weet wat Wim erover heeft gezegd. “Als Thomas met Cees is, dan is Thomas ook…” Er is er maar weinig voor nodig om hem ook lijdend voorwerp te maken. Thomas wist veel over Wim, hij was een los eindje.

Janssen: Dat pandje, dat gesprek…

Astrid: Daar heb ik een beeld bij. In tijd weet ik dat het voor al die gekkigheid was met Cees. Er waren ook anderen die normaal waren – relatief normaal (lacht). Zoals George (George/Sjors Van Kleef). Toen dat ging spelen, waren er een paar mensen goed voor Ritch en Son; George heeft Wim gewaarschuwd omdat ze met Wim bezig waren. Als je contact met hem maakt, laat hij niet los. Hij is heel erg op die mensen gedoken, toen is dat brommerclubje ontstaan. Ze  waren aanvankelijk helemaal geen vrienden. Al die jongens zijn aan de pan blijven hangen.

Janssen: Het gekke is dat George nou juist een contact was van Cees, het waren jeugdvrienden.

Astrid: Dat waren ze ook. Dat verandert morgen bij die mensen, er is geen vertrouwen, hoe de wind waait, waait hun rokkie.

Janssen: Het conflict tussen Cees en George. Over handel?

Astrid: Ik weet er wel wat van. Dat er een conflict was. Dat conflict kwam Wim goed uit, hij zei lachend: “Ga maar blikvangen.” Wim heeft dat flink opgestookt, die jongens hadden ruzie.

Rechter Mildner: Hoe is dit tot u gekomen?

Astrid: Wij en die jongens kennen elkaar allemaal. Wim zat vast. Ik ga niet verder praten over die dingen, het is niet heel belangrijk. Hij is erin gedoken, hij heeft die mensen gek gemaakt, dat is het resultaat, daar is hij voor veroordeeld.

Rechter: Heeft u het daar met uw broer over gehad?

Astrid: Dat Cees moest betalen was wel duidelijk. Je kan niet met John Mieremet zijn en zo bijdehand zijn, dan sta je hem naar het leven.

Rechter: Dat hoorde u van uw broer?

Astrid: Ik begrijp niet waar u naar toe wil. Ik heb geen zin om over die anderen te spreken, iedereen is klaar met die zaak. Ik weet toch dat hij die mol heeft. Hij sprak de hele tijd met die jongens af daar. Die worden gek gemaakt, geloven wat hij zegt. Ik heb niks met een ander, het begint bij hem. Die jongens hadden het nooit gedaan zo. Hadden een rustig en goed leven. George is zo stom geweest om hem te waarschuwen, hij heeft hem binnen gehengeld, en George ligt op de grond.

Holleeder: Waarmee dan?

Astrid: Ik begin al weer een beetje opgefokt te raken, ik kom wel weer terug, ik voel dat ik steeds meer geagiteerd raak. Doe mij alleen maar de ochtend.

Janssen: Toen Willem vastzat, was er een dingetje tussen George en Cees. Cees moest betalen.

Astrid: Er was wel sprake van dat er iets betaald moest worden uit het verleden, maar hij had zijn eigen beef, dat heeft hij gecombineerd, daar heeft hij die jongens voor gebruikt. Die mensen snappen niet waar ze in terechtkomen.

Janssen: Waarom moest Wim gewaarschuwd worden?

Astrid: Dat ze op zijn leven uit waren, Cees en Thomas.

Janssen: Dat was al voor de boeten.

Astrid: Hij werd gewaarschuwd door George, dan gaat hij plukken aan George. Dan blijkt er een dingetje te zijn tussen Cees en George, dat benut hij.

Janssen: De waarschuwing van George zit toch voor het ontstaan van de relatie. Weet u waarom Ces en Thomas uw broer naar het leven stonden?

Astrid: Zo is het begonnen, Son kan er meer over zeggen. Je kan hem niet voorstellen aan iemand, want je bent je contact kwijt., Vraag het aan Sonja! George is zo lief om hem te waarschuwen, maar hij waarschuwt George niet.

Janssen: Daar zat Maria Houtman achter. Wat was nou het dingetje tussen George en Cees waar ze een beefover hadden?

Astrid: Dat weet ik niet, het had met geld te maken.

Janssen: Weet u hoeveel?

Astrid: Nee.

Rechter Wieland: Zullen we nu stoppen met mevrouw? De volgende keer gaan we verder.

Astrid: Dan kan u toch verder gaan met dit nu?

Rechter: Ik zie herhaling. Ik denk dat het wel volkdoende is voor vandaag.

Astrid: Ik wil er graag punt achter zetten, voor het eind van het jaar.

Rechter: Dat lukt wel. Denk ik. Zeg ik voorzichtig.

Astrid: Als het aan mij ligt gaat het volgende week gewoon door.

Rechter: Meneer Holleeder, u mag vragen stellen, probeert u het leuk te houden, als het lukt. Of zegt u: u heeft geen vragen?

Holleeder: Ik kan niet al die vragen stellen, dat heeft geen zin, ik heb één vraag. Je hebt net verklaard dat Cor ergens anders woonde, dat ik Cor op heb laten halen om hem neer te laten schieten in de Deurloostraat.

Astrid: Nee Wim, dat heb ik niet gezegd. Cor moest mee om het goed te maken.

Holleeder: Dat heb ik net toch anders gehoord.

Rechter: Dat is het, denk ik, hè?

Holleeder: Ik weet het natuurlijk zelf wel. Cor woonde ergens anders, hij is er zelf naar toe gekomen. Het aanwijzen van de Deurloostraat: ik was elke dag bij Cor. Als ik het aangewezen, had ik die andere plek wel aangewezen, dan hoeft de moordenaar niet in die straat te gaan staan.

Astrid: Dan had alleen jij dat geweten, en Son en ik en niemand anders. Niemand wist dat Cor ergens anders woonde.

Rechter Wieland: Ik heb dit door laten gaan omdat u de hele tijd op het puntje van uw stoel zat, het is nu middagpauze.

(de zitting wordt geschorst, Astrid komt later nog een keer terug, in de middag komt Sonja)