Als je sociale leven een met alcohol overgoten mijnenveld is, hoe stop je dan met drinken? Caroline Griep voelde dat ze in de gevarenzone zat en vond het uit. ‘Spa heeft een te hoog saai sneuheidsgehalte. Voor mij dan.’

STEUN RO

‘Binnenkort een wijntje?’

‘Leuk, we bellen!’

‘We moeten nodig bijpraten, morgen een biertje doen?’

‘Lekker, ik zie je om zes uur, bij café W. maar weer?’

‘Hoe was het gisteravond?’

‘Heel gezellig, maar mijn god, de limoncello deed het licht weer eens uit.’

Wat alcohol betreft is mijn sociale leven al zo lang ik me kan herinneren een mijnenveld. Als er gezelligheid is, is er drank. Mijn omgeving en ik weten er  wel raad mee. Gezegend zijn degenen die het bij een paar glaasjes kunnen houden. Zelf lijk ik meer een kamikazepiloot die op pad gaat zonder rem.

Zelf lijk ik meer een kamikazepiloot die op pad gaat zonder rem

Na de eerste slok bier tijdens mijn studententijd dronk ik het met veel jolijt nachten- en jarenlang. Niet altijd met succes, maar genante herinneringen horen nu eenmaal bij die periode in je leven. Niets aan de hand.

Ik trouwde. Mijn man en ik hielden van uitgebreid koken voor vrienden. Naarmate we meer verdienden, werd de wijn die we schonken beter. In dozen kwam het ons huis binnen. Niet zelden telden we de volgende ochtend ongelovig de lege flessen.

We gingen uit elkaar. Het eerste wat ik kocht was een kurkentrekker waar ik zelf mee overweg kon. Voor tijdens de verwerksessies met vriendinnen.

Aarzelend ging ik na een tijdje weer uit. Op vrijdagavond naar het café. Biertje, biertje, biertje en nog een biertje. Het maakte, zeker scharreltechnisch gezien, vele drempels lager.

Ook in mijn familie spuugt vrijwel niemand in een borrel. De genietende maar matige medemens zou ons zonder aarzelen het stempel ‘échte Bourgondiërs’ geven.

Glas troost

Mijn eerste serieuze confrontatie met niet-leuk drinken was toen ik tijdens een vakantie, op zoek naar de gemeenschappelijke portemonnee, miniflesjes wijn in de tas van een van mijn beste vriendinnen vond. Precies vier jaar geleden is ze overleden. Ze heeft zich doodgedronken. Machteloos en verdrietig stonden we langs de zijlijn toe te kijken hoe ze afgleed. Ze was niet te redden. Na haar dood kwamen de vragen. Hoe was het mogelijk? Zo’n intelligente, geestige en mooie vrouw die totaal naar de verdommenis ging? Onbewust was het ergens wel een geruststelling dat er aan haar ziekte, want dat was het, een veel diepere problematiek ten grondslag lag. Verdrietig dronken we nog maar een glas troost op haar nagedachtenis. Minder was natuurlijk beter, maar hé: wij dronken echt niet elke dag, hoor! En zeker niet in die hoeveelheden…

Ingetogen weken

De tijd verstreek. Ik voelde steeds vaker dat ik er, ouder wordend, minder goed tegen kon. Er kwamen meer goede voornemens en alcoholvrije dagen, maar na een ingetogen week gingen op vrijdag de remmen vaak los.

Toen werd mijn vader ziek. Ernstig ziek. Na een heftige lijdensweg van negen maanden ging hij dood. Ons ontredderd achterlatend. Mijn troost zat in de fles. Als de kurk of schroefdop eraf was, moest-ie leeg. Al snel vrijwel iedere avond, ook in mijn eentje. Tijdelijk, hield ik mezelf voor, het zou vanzelf ophouden als de rouw minder werd. Tuurlijk, struisvogel.

Wake-upcall

Tot ik een paar maanden geleden wakker werd na een rotnacht. Te veel gedronken en vrijwel geen oog dichtgedaan. Tussen de klamme lakens verweet ik mezelf in een onrustige droom dat ik het had laten gebeuren. Voor de zoveelste keer. Ik zag mezelf bij de AA zitten. ‘Hoi, ik ben Caroline en ik ben alcoholist.’

Het was mijn wake-upcall. Die droom en het besef dat ik al een tijdje op een flinke depressie afstevende. Ik besloot hulp te zoeken. Niet in de verslavingszorg, maar bij een psycholoog. Broodnuchter type, dat na tien minuten de vinger op de zere plek legde. We spraken af dat ik drie maanden niet zou drinken. Ze zei dat ik bij mijn huisarts medicatie tegen ontwenningsverschijnselen kon krijgen. Dat leek me niet nodig.

En het lukte. Sterker nog, het kostte me verbazingwekkend weinig moeite. De voorspelde hunkering, ‘craving’ in vaktermen, heb ik niet gevoeld. Het was vooral een opluchting om niet meer met mezelf te hoeven onderhandelen over twee, of misschien toch drie glazen, nee was gewoon nee. Iemand behoefte aan een jubelverhaal over de grote voordelen van niet drinken? Laat het me weten.

Uiteraard moest ik het mijnenveld weer in. Geen sociaal leven meer is vragen om je zielig voelen, alsof je iets afgenomen is. Goede vrienden waren niet echt verbaasd, maar regelmatig trof ik toch ook geschokte gezichten. Voorzichtige vragen: of ik alcoholist was? Was het zó erg? Hoeveel dronk ik dan? Niet iedere avond, geen rem, gevarenzone: ik antwoordde eerlijk. Het is natuurlijk geen onderwerp waar toegewijde gezelligheidsdrinkers graag mee geconfronteerd worden. Soms hoorde ik mensen bijna denken: wat is het verschil tussen haar en mij? Discussies over waar de grens ligt bleven opvallend genoeg uit. En ik waak er voor om op een missie te gaan. Niets irritanter dan iemand die ineens denkt roomser dan de paus te moeten zijn.

Het was best een avontuur om me geen kamikazepiloot meer te voelen en niet langer op de mijnen af te koersen. Toch was het vooral een kwestie van doen. Om te beginnen haalde ik geen drank meer in huis. Als er vrienden langskwamen, vroeg ik ze om zelf iets mee te nemen. Wat overbleef moest bij vertrek met ze mee naar huis. Ik nam geen risico. Wat me opviel was dat eigenlijk niemand pogingen deed om me aan het drinken te krijgen. Integendeel, steeds vaker werd, nog net zonder hoorbare zucht van opluchting, besloten om met me mee te doen. Koken is iets wat ik nu trouwens niet meer even snel na de nodige wijn doe, omdat er nu eenmaal iets bij gegeten moet worden.

Wat ik dan wel drink? Spa bleek geen oplossing, want te hoog saai sneuheidsgehalte. Voor mij dan. Ik probeerde van alles uit en koos voor alcoholvrij bier. Daar heb ik nu altijd een flinke voorraad van in de ijskast. Rond borreltijd trek ik graag een blikje open. Tot genoegen. Er blijkt weinig verschil te zijn in mijn beleving. Het gaat om het ritueel na een dag werken. Twee is genoeg.

De eerste keer naar het café was een moment. Was ik sterk genoeg of zou de associatie met al die jaren me in de valkuil lokken? Ik won en in een rechte streep liep ik na sluitingstijd glashelder naar huis. Na een buitengewoon gezellige avond.

Ik sta nu een paar jaar vrijwel droog. Vrijwel, ja. Ik ben een paar keer uitgegleden, toen de radar even uitstond en ik in volle vaart op een mijn reed. Zo voelde ik me de volgende dag ook: ontploft. Mijn vijftigste verjaardag vierde ik met een groot feest. Of ik dan ook niet zou drinken? Daar was ‘men’ wel benieuwd naar. Ik zou wel zien, het was voor mij geen issue. Halverwege de avond heb ik geproost met een gewoon biertje. En nog een. Midden in de nacht deed ik zelf het licht uit. Met kapotgedanste voeten en al beginnend schor. De volgende dag voelde ik alsof ik onder de tram gelegen had, maar dat is natuurlijk de leeftijd…

Griep ruimt meer op dan haar lege flessen, zie haar Facebook-pagina

Caroline Griep is freelance journalist. Onlangs verscheen haar boek 'Lieve Facebook-vrienden, ik heb borstkanker'.