Herinnert u zich nog het krantenbericht? ‘Zwerver blijkt zoon van een miljonair’. Van de ene op de andere dag werd Jerry Winkler wereldnieuws. Het ‘moderne sprookje’ waarin hij de hoofdrol speelde, bleek echter allesbehalve rozengeur en manenschijn.

STEUN RO

Jerry Winkler, 31 jaar, donker kortgeknipt haar, bruine ogen die afwachtend de wereld in kijken. Jaren geleden haalde hij het wereldnieuws: ‘Zwerver blijkt zoon van een miljonair.’ Geld alleen maakt niet gelukkig, roepen we graag, maar als iemand daarover kan meepraten, is het Jerry Winkler wel. Tijd om de balans op te maken.

We hebben afgesproken op het Amsterdamse Museumplein, waar de kunst te zien is die werd gemaakt door dak- en thuisloze jongeren in het reïntegratieproject Social Sofa. De jongeren maken mozaïeken bollen, bankjes en afvalbakken. De stichting die Jerry Winkler heeft opgericht om verloren jongeren te helpen, ondersteunt Social Sofa.

Dit soort projecten hebben een groot maatschappelijk belang, al wordt dat vaak onderschat, vindt Winkler. Aan zo’n sofa hebben gemiddeld vier jongeren twee maanden werk. Ze krijgen de kans iets te presteren, ze maken een kunstwerk. Dat is belangrijk voor hun gevoel van trots en eigenwaarde, weet hij. Het geeft ze het gevoel dat ze wat kunnen. En dat er uitzicht is. ‘Als we ze met zulke projecten van de straat halen, zitten er minder jongeren in de uitkering en in de criminaliteit, waardoor het maatschappelijk leven ook rustiger wordt. Ze leren vaardigheden die ze nodig hebben voor een baan. Niet pappen en nathouden, maar ze iets laten dóén – dat is belangrijk. Ik weet wat het is, ik ken de ins en outs van het leven op straat. Ik heb die bodem zelf ook keihard geraakt. Daarom kan ik een aanspreekpunt voor hen zijn. Ik spreek hun taal.’

Het verhaal van Jerry Winkler in vogelvlucht. Hij wordt in 1982 geboren onder de naam Alfred Jan Jerry en heet dan nog geen Winkler van zijn achternaam. Zijn moeder en Johnnie, de man van wie hij dan nog denkt dat het zijn vader is, scheiden als hij drie jaar oud is. Zijn acht jaar oudere broer en hij blijven bij hun moeder wonen, maar vijf jaar later krijgt zij een hersentumor en is ze niet meer in staat voor de jongens te zorgen. Jerry is dan acht jaar oud en hij komt bij Johnnie en diens tweede echtegenote te wonen; Jerry’s broer is oud genoeg om zelfstandig te gaan wonen. Het gaat steeds slechter in het gezin, en de ruzies nemen zo toe dat Jerry op zijn veertiende uit huis gaat. Jerry komt van het ene internaat in het andere opvanghuis terecht. ‘Ik ben geloof ik wel veertig of vijftig keer verhuisd. Hier kun je maar een week blijven, daar een dag. Je moet continu je biezen pakken.’

Waar ging het mis?

‘Het probleem was denk ik dat zij geen kinderen gewend waren. Ik was één persoon te veel in dat huis. Ik kon nooit wat goed doen. Als mijn kleding een beetje scheef in de kast lag, was er al ruzie. Als ik een kopje van tafel pakte, een slok nam en ‘m vervolgens ergens anders neerzette, pakte mijn stiefmoeder de beker op en zette ‘m terug. Ze konden totaal niet met mij omgaan en hebben dat echt op een gruwelijk slechte manier aangepakt. Alles lag aan mij. Als je dat vijf, zes jaar lang elke dag krijgt ingeprent, als je stiefmoeder voortdurend zegt dat ze een maagzweer van je krijgt, ga je geestelijk helemaal naar de klote. We kregen gezinshulp. Maar jeugdzorginstanties hebben meestal vooral oog voor het verhaal van de ouders, niet voor dat van het kind. Er werd alleen geluisterd naar mijn stiefouders. Alles ligt aan Jerry. Terwijl er natuurlijk twee partijen zijn. Als ze ook naar mijn kant van het verhaal hadden geluisterd, had het heel anders uitgepakt.’

Je kwam in een internaat terecht.

‘Ik heb op verschillende internaten gezeten. Het eerste internaat bestond uit vijf huisjes in Heerhugowaard met een interne school. Daar zaten ook jongeren op die op gewone scholen onhandelbaar waren. Ik heb ook op een internaat gezeten waar de jongeren de keuze hadden: óf jeugddetentie óf heropvoeding in een internaat. Daar zit je dus met criminelen, waar je nou niet zulke goede dingen van leert.

In het begin voelde het alsof ik gestraft werd voor fouten die ik niet gemaakt had. Maar je bent nog een kind, en probeert er een lolletje in te zien. Aanvankelijk dacht ik nog dat ik vrienden maakte, maar je doet vooral heel veel kennissen op. En als je achttien bent, is het: mazzel! Ik ben blij dat die internaten en opvanghuizen er waren, maar ik ben er niets mee opgeschoten. De normen en waarden van de maatschappij kende ik niet toen ik er vandaan kwam. Ik was gedoemd te mislukken.’

‘Voor de komende tien dagen moest ik invullen waar ik sliep. Wat moet je dan invullen, derde boom links? Bij de kliko rechts?’

En toen kwam je op straat?

‘Op een gegeven moment had ik een baantje, maar ik betaalde de huur niet want andere dingen gingen voor. Geestelijk had ik nogal wat meegemaakt, dus dat wilde ik vergeten. Ik gebruikte drugs, alcohol. En voor je het weet sta je toe te kijken hoe ze je huis leeghalen en sta je op straat. Ik vroeg een uitkering aan, want ik had inkomsten nodig. Ik kreeg een lijstje mee: voor de komende tien dagen moest ik invullen waar ik sliep. Wat moet je dan invullen, derde boom links? Bij de kliko rechts? Dat moest dus echt, en er werd ook gecontroleerd. Na vier weken krijg je vervolgens een uitkering. Maar wat moet je in die paar weken? Dat is jouw probleem. Je kunt het een paar dagen volhouden, maar niet vier weken. Dan ga je stelen, want je moet toch eten en drinken. En zo zak je steeds verder af. Je komt in een vicieuze cirkel terecht. Van een inloophuis kwam ik bij een een instroomhuis terecht, vanwaaruit ik begeleid kon gaan wonen. Normaal zat je daar anderhalve maand, ik heb er geloof ik vier maanden gezeten. En toen moest ik terug naar het inloophuis, want er was geen vervolgplek maar wel een wachtlijst van anderhalf jaar. Een stap terug dus in plaats van vooruit, en dat kon ik écht niet gebruiken. Het slóópt je, jongen, het slóópt je.’

‘Je zuipt je eigen een ongeluk totdat je in slaap valt en eindelijk je gedachten kunt stopzetten’

Wat herinner je je nog van die eerste nachten buiten?

‘Ik had een weekendtas, daar zat mijn hele leven in. En als je die dan moet neerleggen in de bosjes om daar op te gaan slapen, ja, dat is… klote. Wat zat er in… Een paar kleren, tandenborstel, sokken. Muziek. Papieren. Ik luisterde veel muziek – ik had een mp3-spelertje – en vond troost bij The Golden Earring. Die weekendtas had ik elke dag bij me. Ik merk het nog aan mijn schouder.

En verder? Je zuipt je eigen een ongeluk totdat je in slaap valt en eindelijk je gedachten kunt stopzetten. En om een uur of vier ’s nachts begin je alweer, want je wilt niet dat mensen zien dat je op straat slaapt. Je krijgt een heel ander ritme. Ik sliep drie uurtjes per nacht.’

Was je in paniek?

‘Dat is wel een paar keer gebeurd, ja.’

Wat deed je dan?

‘Ik hield mezelf voor: het komt goed. Ik probeerde hoop te houden. Als je dat niet doet, komt het nooit meer goed. Dat houd ik de jongeren ook voor.’

Waren er mensen die je hielpen?

‘Jawel. Mijn broer en zijn vriendin hebben veel voor me gedaan. Er zijn mensen die me een tijdje in huis hebben genomen, zoals de familie Vlieger. Maar na een tijdje voel je je toch te veel. En je gaat ook steeds meer tegen de wereld aan schoppen. Want je ziet om je heen dat alles gewoon doorgaat.’

Je leefde in een soort parallelle wereld?

‘Ja, ik voelde me afgescheiden. Je hebt gefaald. Dat is wat de meeste mensen denken: je hebt gefaald. Je hebt het aan jezelf te wijten. Had je maar wat harder je best moeten doen. Of je hebt er zelf voor gekozen. Ze staan niet stil bij de problemen waardoor iemand dakloos is geworden. Ik heb mezelf ook lang verwijten gemaakt, mede dankzij mijn stiefouders. Ik ben een enorme denker geworden, een twijfelaar. Bang om fouten te maken. Nog altijd. Dat is de erfenis die ik heb meegekregen.

Het dieptepunt was toen ik een gebroken knieschijf had en in Horeb in Beekbergen terechtkwam. Ik moest wel, want ik kon niet buiten overleven. Alles werd me afgenomen. We zaten met zijn zevenen op een heel klein kamertje. Daar lag er eentje af te kicken van de heroïne, daar lag er eentje die schizofreen was, boven me lag een zware crimineel. Het is de grootste hel die ik heb meegemaakt. Daar zat ik dan, met helemaal… niks.’

‘Mijn hele leven bleek één leugen. Een gigantische klap’

De ommekeer

De grote ommekeer kwam in 2010, toen Jerry na een telefonisch gesprek met zijn stiefmoeder ontdekte dat Johnnie niet zijn biologische vader was – een vermoeden werd bevestigd. ‘Ik voelde me zó in de zeik genomen. Mijn hele leven bleek één leugen. Een gigantische klap. De timing was niet best: ik begon net uit de dakloze periode te kruipen en had een antikraakwoning. Maar dit keer wist ik het positiever te benaderen door op onderzoek uit te gaan naar wie mijn vader dan wel was.’

Na onderzoek en een DNA-test kwam vast te staan dat Alfred Winkler zijn biologische vader was, de directeur van het bedrijf waar zijn moeder had gewerkt. Jerry was vooral geïnteresseerd in wie zijn vader was, en had nog geen flauw idee dat zijn verwekker een rijke zakenman was geweest. Terwijl de wereld om hem heen op zijn kop stond omdat een voormalige dakloze de zoon van een miljonair bleek te zijn, stond voor hem vooral de wereld op zijn kop omdat hij zijn echte vader vond en ook direct weer verloor.

Het was toen nog onduidelijk of je iets zou erven, omdat de termijn om aanspraak te maken op de nalatenschap verlopen was en het geld in stichtingen was ondergebracht. Heb je alsnog iets geërfd?

‘Uit morele overwegingen zijn ze mij tegemoet gekomen.’

Ben je rijk?

‘Ik ben hartstikke rijk. Omdat ik hier nog zit, en gezond ben, omdat ik mijn vrouw Teresa om me heen heb, naar bed kan en kan eten en drinken, omdat ik nog kan lopen, en geen ziekte heb opgelopen. Dat is rijkdom. En qua geld: ik heb het goed. We zijn op een mooie locatie in Italië getrouwd en een aantal keer op vakantie geweest. We hebben een mooi bedrag gekregen, maar ik moet wel gewoon werken, en mijn vrouw ook. Er is wel beweerd dat ik stinkend rijk ben. Dat is niet waar. Ik heb geen miljoenen. Maar ik trek me er geen ene fuck van aan wat men zegt. Ze doen maar.’

Laat dat je koud? Is dat de dikke huid die je op straat hebt opgedaan?

‘Ja. Als ik me iets moet aantrekken van wat anderen zeggen, word ik gek. Er was op een gegeven moment een vrouw die in de media zei dat ik haar handtas had gejat. Dat heb ik nog nooit van mijn leven gedaan. Iedereen ziet je ineens staan. Nu wil iedereen met mij praten en mijn mening horen. Dat was wel anders toen ik met mijn soepkommetje buiten stond.’

Jouw verhaal werd voorgesteld als een soort sprookje.

‘Zo had ik het zelf nooit bekeken. Maar ik heb het onderzocht en er is nog nooit zoiets ergens anders ter wereld gebeurd. Ik had niet verwacht dat er zo veel media op af zouden komen. Het was een gekkenhuis. In Vietnam stond het in de krant, in het vliegtuig naar Lapland werd ik herkend. Ik kon mijn schulden aflossen en schoon schip maken. Vergeleken met anderen vielen mijn schulden nog wel mee – tussen de tien- en twintigduizend euro – maar voor jezelf is één euro schuld één euro te veel.

Mensen zien altijd het mooie: jongen op straat vindt zijn pappie. Die krijgen het Pietje Bell-gebeuren in hun hoofd. Ze vergeten wat er allemaal vooraf en in de tussentijd is gebeurd.’

En denken dat je nu op en top gelukkig bent.

Dat is wat iedereen verwacht.  Tuurlijk ben ik gelukkig: straks kom ik thuis, waar een dikke kat op me zit te wachten. Mijn vrouw Teresa is er, en morgen komt onze hond weer terug. Ja man, ik bén gelukkig. Ik geniet erg van het leven. Toen ik dakloos was, had ik soms 2,30 euro op zak en daar moest ik de hele dag mee zien door te komen en eten en drinken van organiseren. Als op vrijdag de uitkering niet was overgemaakt, zat ik het hele weekend zonder geld. Wanneer ik nu naar de pinautomaat loop, weet ik dat er geld uit komt.

Maar het is niet het geld dat gelukkig maakt. Het afgelopen jaar is er een van pieken en dalen geweest, met veel stemmingswisselingen en frustraties. Het was een moeilijk jaar. Frustraties over wat ik wilde bereiken met mijn stichting en wat niet lukte. Het besef dat het allemaal niet zo had hoeven lopen, al die jaren. Mijn vrouw heeft het wel voor haar kiezen gekregen met mij. Begrijpen kan ze het niet helemaal. We komen uit twee verschillende werelden. Thuis hou ik bijvoorbeeld nog steeds weleens mijn jas aan. Of mijn schoenen. Dan vraagt zij: waarom trek je ze niet lekker uit? Maar ik ben zo gewend om weer weg te gaan. Dat zit diep in mijn systeem. We wonen nu zo’n tweeënhalf jaar samen, dat is voor mij al erg lang op één plek. Af en toe is dat heel moeilijk. Daar word ik soms onrustig van.’

Wat doe je op zo’n moment?

‘Ik ga darten. Pijltjes gooien. Op een bord hè, niet op mijn vrouw. Zij is mijn alles. Zoals ik al zei: ik ben een denker. Ik ga darten en probeer het in mijn hoofd op te lossen. Of ik ga naar de sportschool. Zo ben ik ook van de drugs afgekomen: ik ben gaan fietsen, heel veel fietsen. En lopen. Een gezonde vervanging. Hetzelfde doe ik ook met mijn gedachten.’

Hoeveel boosheid draag je met je mee?

‘Veel. Ik kan me enorm kwaad maken over het feit dat we Joint Strike Fighters kopen, terwijl we in dit land nog steeds voedselbanken hebben en er twintigduizend jongeren op straat leven. Het om je de ogen uit je kop te schamen dat een man van dik in de zestig bij het Leger des Heils voor de deur staat omdat hij even wil zitten en zich wil warmen, en te horen krijgt: nee sorry, we zitten vol. Maar op persoonlijk vlak? Ik heb ermee leren omgaan. Blijven rondlopen met haat is eigenlijk als zelf gif innemen en wachten tot je vijand doodgaat. Dat werkt niet.’

Kun je mensen nog vertrouwen?

‘Ja hoor. Maar nooit voor honderd procent. Wat er ook gebeurt, wie je ook voor je hebt, no matter what, wat ik heb geleerd is: blijft altijd alert.’

Heb je er nog slechte nachten van?

‘Dat heb ik in het begin wel gehad, ja. Ik had lange tijd tweehonderd euro in een potje zitten. Daar kwam ik niet aan omdat ik bang was dat als ik ’s ochtends wakker werd, zou blijken dat het allemaal maar een droom was.’

Miljonair Fair

Het feit dat hij nu een vermogend man is, brengt hem in contact met andere kringen. Ineens werd hij uitgenodigd voor de Miljonair Fair en leerde hij de puissant rijken kennen, mensen die even gaan lunchen in Frankrijk of een kok laten invliegen voor een feestje. ‘Man, waar gáát dat over. Doe effe normaal.’

Natuurlijk, een dak boven je hoofd en geen geldzorgen meer is bijzonder prettig. Maar de terugkeer naar de maatschappij is Jerry Winkler ook op een grote teleurstelling komen te staan. ‘Ik heb echt gedacht: als ik terugkeer in de maatschappij is het allemaal rozengeur en maneschijn. Maar dat is het totaal niet. Het zwerversbestaan was soms nog wel eens mooier dan wat de mensen hier doen. Dat landlopersleven biedt een bepaalde vorm van vrijheid, en daklozen hebben soms meer voor elkaar over dan mensen in de gewone maatschappij. Ik zie de maatschappij als een dwangbuis. Hij knelt af en toe. Ik moet ‘m goed laten passen. Het is zoals met goochelen. Goochelen bestaat niet; een goochelaar manipuleert je hersenen. Zo is het met het leven ook. Het leven is een sprookje: zo wordt je dat voorgespiegeld. Er wordt je gewoon één grote luchtbel voorgehouden. Dat is wat ik de afgelopen jaren heb geleerd en wat me enorm heeft teleurgesteld. Ik had er veel meer van verwacht.’

Welke bel is er doorgeprikt?

‘Dat iedereen lief en leuk voor elkaar is en dat mensen hun buren nog kennen. Harmonie! Ik hoopte dat het er nog was. Dat hoopte ik zó erg. Ik had het gewone leven te veel geromantiseerd. Gelukkig, want anders had ik het leven op straat nooit volgehouden. Maar de realiteit was echt keihard. Dat is waarom ik afgelopen jaar zulke stemmingswisselingen heb gehad. De luchtbel is voor mij echt kapot.’

Je zei dat je voor het leven getekend bent. Zijn de littekens nog te helen?

‘Die van mijn opvoeding in elk geval niet. Ik kan bijvoorbeeld heel slecht tegen ruzies, doordat er vroeger elke dag ruzie was. En ik heb veel gemist: voor het eerst op vakantie gaan met vrienden, je achttiende verjaardag vieren.

Ik zag mijn verleden altijd als een straf: waarom is mij dit overkomen? Maar het heeft me ook gemaakt tot wie ik nu ben en bepaalt de keuzes die ik nu maak. Ik heb van alles gezien en meegemaakt op heel jonge leeftijd. Die kennis kan ik nu gebruiken om anderen te helpen. Ik heb het slechtste meegemaakt. Het kan alleen maar beter worden.’

Elle van Riin heeft het verhaal van Jerry Winkler opgetekend in ‘Overnight Millionaire’, verschenen bij Querido.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -