Dat de biologische landbouw beter is voor de natuurlijke flora en fauna, lijkt voor de hand te liggen. Maar is dat ook daadwerkelijk zo en hoeveel maakt het dan uit? Michiel Bussink zoekt het uit. ‘De boerenzwaluw, de steenuil en de huismus zijn hier welkome gasten.’

STEUN RO

'Ook de bijdrage van biologische boeren aan de biodiversiteit stelt weinig voor’. Dat zei voormalig top-ambtenaar Bram van de Klundert, tegenwoordig directeur van het Waddenfonds, in een interview. Na zijn jarenlange inzet voor weidevogels, blijft het daar toch steeds slechter mee te gaan. Waarop hij uiteindelijk tot de conclusie is gekomen dat landbouw en natuurbeheer zoveel mogelijk moeten worden gescheiden, wil de biodiversiteit nog enige kans krijgen. Het liefst met grote aaneengesloten wilde natuurgebieden. Heeft hij gelijk of kan biologische landbouw wel degelijk een verschil maken? 

Dat het niet goed gaat met de rijkdom aan planten, insecten, paddestoelen en weidevogels in ons land is duidelijk. Om te beginnen kunnen we de vraag ook negatief formuleren: is de biologische landbouw dat misschien mínder aan te rekenen? Uiteraard, is de eerste gevoelsmatige reactie: er worden geen kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt en dat alleen al zorgt ervoor dat er minder schade is voor flora en fauna. Die reactie blijkt met onderzoek te onderbouwen. Op biologische bedrijven komen 1,6 keer meer kevers, drie keer zoveel vlinders en één tot vijf keer meer spinnen voor dan in de gangbare landbouw*.

Meer gefladder

Langs biologische akker en weideranden fladderen, vliegen en trippelen 25 procent meer vogels dan op gangbare bedrijven, in de herfst en de winter oplopend tot 44 procent. Het bodemleven is op biologische bedrijven veel rijker: een schop in de grond van een biologische akker en er leven veel meer wormen per kubieke meter. Dat is niet direct een soort die op de Rode lijst van beschermde soorten staat, maar wel weer relevant voor allerlei fauna die van wormen leven.

Datzelfde geldt bijvoorbeeld voor koeienflatsen, die ook blijken te zijn onderzocht**: op een gangbaar melkveebedrijven wonen er gemiddeld in één koeienvla 102 insecten en larven, tegen 156 in een biologische koeienvla (en 168 in die van koeien op begraasde natuurterreinen). Relevant als je bijvoorbeeld weet dat een gruttojong dagelijks zo’n achtduizend insecten eet. En het dus voor weidevogels uitmaakt of er wel of geen koeien in de wei staan: waar gangbare koeien steeds meer op staal staan, is voor biokoeien de weidegang verplicht. Al met al is het geen boude bewering dat biologische landbouw, gemiddeld genomen, minder slecht is voor de biodiversiteit.

Die toevoeging ‘gemiddeld genomen’ is wel een belangrijke. ‘Want het is geen wet van Meden en Perzen’, zegt Anton Stortelder van Alterra-Wageningen Universiteit. Samen met collega Haverman deed hij onderzoek naar de effecten van de biologische landbouw op de biodiversiteit. Het hangt er namelijk ook van af naar wat voor biologisch bedrijf je kijkt. ‘Als je een biologische akkerbouwer in de Flevopolder vergelijkt met een gangbare melkveehouder in kleinschalig Achterhoeks coulisselandschap, dan is er op dat laatste bedrijf meer biodiversiteit’. De schaal, de productgroep en het landschap zijn dus óók relevant.

Houding

Behalve dat het achterwege blijven van kunstmest en gifverbruik gemiddeld tot minder schade leidt, is de houding van biologische boeren –weer gemiddeld genomen – positiever tegenover natuur. Dat komt ook omdat ze zien dat dat hun bedrijfsvoering kan ondersteunen: vogels kunnen bijvoorbeeld helpen een rupsenplaag te bestrijden. ‘Bovendien gebruiken ze de natuurvriendelijke bedrijfsvoering om hun product te onderscheiden.’

Bionext ontwikkelde een natuur- en landschapswijzer waarmee boeren en tuinders met simpele middelen, bijvoorbeeld erfbeplanting, aan een natuurvriendelijk bedrijf kunnen werken. Maar vervolgens zou je ook willen weten: heeft het effect? En hoe doe het ene bedrijf het, in vergelijking met het andere?

Om met die vraag aan de slag te kunnen, ontwikkelde CLM, adviesbureau voor duurzame landbouw, de Gaia-biodiversiteit-meetlat . Het is een online vragenlijst waaruit uiteindelijk een score uitkomt, waardoor bedrijven met elkaar zijn te vergelijken op biodiversiteit. Inmiddels hebben een paar honderd gangbare en biologische bedrijven de meetlat ingevuld en binnenkort worden de eerste resultaten van de meting verwacht.

Een van de biologische boeren die de meetlat hebben ingevuld, is Berrie Klein Swormink uit het Sallandse Lettele. Klein Swormink houdt brandrode runderen, die ten dele in natuurgebieden grazen. ‘Daarmee leveren we een aardige bijdrage aan de biodiversiteit in die gebieden: meer soorten flora en fauna krijgen een kans.’

Natuurboeren

Klein Swormink heeft onder de naam ‘Natuurboeren’, een eigen afzetketen opgezet voor vlees van oud-Hollandse rassen. Inmiddels doen acht boeren uit Overijssel en twee van daarbuiten mee aan de keten en is er interesse van andere boeren uit het hele land.

Agrariërs die willen aanhaken moeten aan een aantal minimumeisen voldoen. Behalve biologisch, moet minstens een kwart van het bedrijfsoppervlakte beschikbaar zijn voor natuur of landschapselementen. Verder moeten mineralenkringlopen zoveel mogelijk worden gesloten en wordt de biodiversiteit op het bedrijf gemonitored.

Op zijn eigen bedrijf is Klein Swormink in 2001 overgeschakeld op biologisch. Hij ziet duidelijk dat er sindsdien meer variatie aan flora en fauna op zijn bedrijf is gekomen. Toch vindt hij het lastig om dat helemaal toe te schrijven aan de biologische bedrijfsvoering. ‘Want sindsdien zijn we ook aan agrarisch natuurbeheer gaan doen’. Overigens leveren Klein Swormink en zijn collega ‘natuurboeren’ met hun oud-Hollandse veerassen ook een bijdrage aan een grotere ‘agro-biodiversiteit’, zoals dat heet.

Een ander biologisch bedrijf dat veel aan natuurbeheer doet is de Heijerhof in het Limburgse Baexem. Een gemengd bedrijf met koeien, schapen, varkens (allemaal voor het vlees) en groenten. ‘Maar wij leveren niet alleen voeding, wij leveren ook natuur, beleving en zorg’, zegt Henk Venner van de Heijerhof. De beleving bestaat bijvoorbeeld uit de ‘boergondische’ feestmalen die er in de zomer worden georganiseerd, met producten van eigen bedrijf. De geleverde natuur is terug te zien in de beheerde hectares op het bedrijf, waarvan de helft in de Ecologische Hoofdstructuur ligt. Er is tweeënhalve hectare bos, vijfenhalve hectare natuurlijk grasland, vierenhalve hectare valt onder agrarisch natuurbeheer en dan wordt ook nog grond gepacht van het Limburgs Landschap.

Boerenzwaluw

‘De boerenzwaluw, de steenuil en de huismus zijn hier welkome gasten, op onze muur groeit de zeldzame steenbreekvaren en recent ontdekten we een levendbarende hagedis’, valt te lezen op de website van de Heijerhof. ‘Het scheelt een stuk als je er intensief mee bezig bent.’ Venner durft zelfs een vergelijking met het traditionele natuurbeheer te maken. ‘Onze agrarische natuur is interessanter dan dat van het beekdal van het Limburgs Landschap, aanpalend aan ons bedrijf.’

Venner weet uit eigen ervaring dat het type bedrijfsvoering – ook binnen de biologisch landbouw – nogal uitmaakt. ‘In de tijden dat we geiten hadden en daarvoor voer inkochten, boerden we intensiever. Nu we vooral runderen hebben en die extensief houden, zie je dat absoluut terug: de weilanden zijn veel bloemrijker geworden.’

Als het puntje bij paaltje komt, vindt Anton Stortelder van Alterra-Wageningen Universiteit niet dat de bijdrage van de biologische landbouw aan de biodiversiteit weinig voorstelt. ‘Het kán soms weinig voorstellen. Maar als je op de gemiddelden afgaat, dan zou het echt schelen als bijvoorbeeld op tien procent van de Nederlandse landbouwgrond biologisch zou worden geboerd.’ En dat is niet zo: het blijft in Nederland tot nu toe steken op drie procent van het oppervlak. In dat perspectief kun je wél weer zeggen dat de bijdrage van de biologische landbouw aan de totale biodiversiteit weinig voorstelt. Maar in plaats van als een diskwalificatie, kan dat uiteraard ook gezien worden als een aanmoediging: met meer biolandbouw valt er veel te winnen voor de rijkdom aan flora en fauna in Nederland.

*Zie www.bionext.nl/node/2346, voor een verwijzing naar de genoemde onderzoeken.  **Geiger, Flavia, Sophie C.T.M. van der Lubbe, Arend M.H. Brunsting, Geert R. de Snoo (2010), Entomologische berichten, 70(4): 106-110, Insect abundance in cow dung pats of different farming systems..

    Ondernemend journalist Tjitske Ypma is idealist, schrijver, moeder en organisator. Ze werkt aan duurzaamheid dichtbij huis. Biodiversiteit en samen-leven zijn haar speerpunten. Op Reporters online is af en toe wat vrij werk te vinden.