Casanova en de zoektocht naar de mysterieuze mijnheer D.O.

Een lockdown met opgelegde beperkingen. Voor de een is dit een verlammende situatie, voor de ander is het ruimte krijgen tot creëren. Giacomo Casanova (1725-1798) verkeerde in de laatste dertien jaar van zijn leven ook in beperkende omstandigheden: het geld van de bekende vrouwenversierder was op en zijn lust naar avontuur was voorbij. Noodgedwongen nam hij in 1785 een betrekking aan als bibliothecaris bij graaf Joseph Waldstein te Duchcov (Dux), huidig Tsjechië. Een van zijn creaties tijdens die periode was het schrijven van zijn memoires: Histoire de ma vie. Zijn levensverhaal wordt vandaag de dag gezien als de authentiekste bron van het Europese sociale leven in de 18e eeuw.

Toen ik in coronatijd op televisie de lege straten van Amsterdam voorbij zag komen, dacht ik aan Casanova. Hij was ook in Amsterdam geweest. Ik las voor de zoveelste keer het deel uit zijn memoires dat hij Holland bezocht. Waar de historici zeker van zijn is dat Casanova in Holland verbleef van half oktober 1758 tot januari 1759, en nogmaals een jaar later van oktober 1759 tot februari 1760. Wat hem met name bezighield waren zakelijke transacties en zijn verliefdheid op een meisje, dat Esther heette. Zij was veertien jaar en het enige kind van weduwnaar en bankier die Casanova mijnheer D.O. noemde. Wie deze hooggeplaatste man nu werkelijk is, daar is niet onomstotelijk bewijs van vastgesteld. Het bracht mij op het idee en de aanzet tot het schrijven van dit artikel: Wie was nu echt de heer D.O.?

In de vorige eeuw hebben verschillende onderzoekers gezocht naar de ware identiteit van mijnheer D.O., maar dat ontwikkelde zich niet verder. Ik kan met nieuwe inzichten, met de nieuwe digitale middelen gemakkelijk onderzoek doen. Immers relevante archieven staan online. Boeken zijn gedigitaliseerd en onderzoekers publiceren hun bevindingen in online bibliotheken. Wil je iets weten over een voorvader van een nazaat, dan stel je een vraag op Social Media!

Theo Kars

Mij wordt vaak gevraagd: Wat heb je toch met Casanova? Voor mij is het lezen van zijn verhalen een groot leesgenot. Ze boeien mij mateloos. Casanova was een erudiete man. Een kosmopoliet. Zonder gêne beschrijft hij met opmerkelijke details zijn liefdesavonturen, zijn oplichterspraktijken en vooral zijn emotionele staat. Het was de non-conformistische schrijver en vertaler Theo Kars (1945-2010) die mij de weg wees naar Casanova. Kars is ook degene die zijn memoires (Brockhaus editie) van bijna vierduizend pagina’s: De geschiedenis van mijn leven (1991-1998) in twaalf delen heeft vertaald.

Al decennialang wordt Histoire de ma vie onderzocht door geïnteresseerden. Deze onderzoekers worden Casanovisten genoemd. Een belangrijke onderzoeker die tientallen jaren archieven heeft doorzocht over Casanova was de Amerikaanse diplomaat J. Rives Childs (Casanova). Hij controleerde de feiten die Casanova benoemde aan de hand van correspondenties, aankondigingen in kranten en meer. Als er dingen niet klopten, bijvoorbeeld de jaartallen, dan kwam dat waarschijnlijk voort uit Casanova’s vergeetachtigheid of slordigheid. Casanova bijvoorbeeld noemt weduwnaar mijnheer D.O. in zijn memoires een veertiger, maar daar kan hij zich menselijkerwijs in hebben vergist. Hij kon niet in zijn paspoort kijken.

Afkortingen

Waarom gebruikte Casanova afkortingen van namen in zijn dagboeken? De belangrijkste reden is dat hij dat deed om mensen die nog in leven waren te beschermen. De eerste persoon die een mogelijke naam geeft aan de bankier D.O. uit Amsterdam is prins Charles Joseph de Ligne (1735-1814). Hij was de neef van graaf Waldstein en bezocht Casanova regelmatig op in Kasteel Dux. De Ligne was de eerste lezer van Casanova’s memoires. Jaren later schrijft De Ligne in zijn eigen memoires (Mémoires et mélanges historiques et littéraires) dat Casanova de dochter heeft ontmoet van de rijke bankier genaamd Hope.. Maar klopt dat ook? Heeft hij echt gehoord dat het Hope was?

De bekende Casanovist Marco Leeflang probeerde de afkorting van mijnheer D. O. eveneens te achterhalen. Hij schrijft in zijn artikel dat als je naar het originele handschrift van Casanova kijkt, je soms onder het doorkrassen van D.O. door de letters ‘OP’ ziet. Een verklaring tussen O en Ope is dat in het Frans de ‘H’ niet wordt uitgesproken en een apostrof wordt geschreven. Mijnheer D.O. zou dan staan voor ‘monsieur d'(H)ope’.

Hope, Ope, of Hooft?

Maar hoe vertaal je dat naar het Nederlands? Kun je aannemen dat Hope een eigennaam is? Of toch een verbastering? Directeur van het Amsterdamse stadsarchief H. Hardenberg kwam in de jaren zeventig van de vorige eeuw met een mogelijke uitleg. Dr. D. Hoek, schreef het op in Casanova in Holland. Uit de archieven vond Hardenberg gegevens dat mijnheer D.O. de koopman en later burgemeester van Amsterdam moet zijn geweest: Henrik Hooft Daniëlszoon (1716-1794). Hoofts dochter Hester (1748-1798) stond voor Esther.

Dit historisch onderzoek werd echter twee jaar later tegengesproken door de befaamde historica mevrouw Dr. I.H. van Eeghen. Zij schrijft in haar uitgebreide artikel Dertig jaar archiefonderzoek Casanova-Symons-Hooft dat het niet Hooft kan zijn geweest. Hij was weliswaar weduwnaar en had een dochter, maar Hester was elf (niet veertien) en haar profiel klopte niet met Casanova’s beschrijving. Ook het huis waar zij woonden aan de Herengracht, nu huisnummers 507/509, was incorrect. Als suggestie noemt Van Eeghen een andere hooggeplaatst figuur: de bankier Thomas Hope (1704- 1779) maar hij had alleen een zoon: John Hope (1737-1784).

Kijk je naar de vertaling van Theo Kars (deel 5, De Jacht op geld), dan lees je dat de heer D.O. ‘waarschijnlijk Thomas Hope is, een Amsterdamse bankier van Schotse afkomst’. Maar waarschijnlijk is niet zeker. Misschien vergiste Kars zich wel? Of vergiste Van Eeghen zich? Natuurlijk heeft de laatste met heel goed feitenmateriaal aangegeven dat Hooft geen D.O. kan zijn, maar dat wil niet zeggen of dat nog klopt. Wat vaststaat, en daar ging ik ook vanuit, is dat in de afgelopen veertig jaar nieuwe feiten over Casanova zijn gevonden. Deze gegevens zijn nog nooit met elkaar in verband zijn gebracht en daarom het onderzoeken waard.

Geheime opdracht

Wat was de motivatie voor Casanova om naar Nederland te komen? Casanova zou zelf een geheime opdracht hebben geregeld en gekregen van de Franse staat. De aanleiding was dat hij op een bruiloft in Parijs met bankier Kornmann sprak over de schaarste van geld in Frankrijk. Casanova ging praten met de inspecteur-generaal en kreeg de opdracht om in Nederland Franse aandelen en effecten te ruilen voor waardepapieren. Het zou gaan om 20 miljoen gulden.
Casanova had al eerder opdrachten voor de Franse staat gedaan en zelfs de Franse staatskas gespekt met een winstgevende loterij die hij had opgezet in 1757 samen met de gebroeders Calzabigi.

Als hij dan in 1758 in Amsterdam aankomt gaat hij als eerste naar handelsbank Pels, van Pels & Zoonen. Deze handelsbank is in zekere zin geen vreemde keuze, aangezien deze bank in 1744 aan Frankrijk 14 miljoen heeft geleend. Handelsbank Pels & Zoonen had waarschijnlijk meer leningen uitstaan en verwees hem door naar de rijke mijnheer D.O. Die was namelijk een belangrijk figuur van de handelsbanken. Naar eigen zeggen had Casanova allerlei aanbevelingsbrieven gekregen om contact te maken met figuren als D.O. Alleen de documenten, waarin duidelijk naar voren komt dat Casanova geld moest gaan lenen voor Frankrijk, zijn niet gevonden.

Geldschieter markiezin d’Urfee

Ondanks het feit dat er geen Franse aanbevelingsbrieven zijn gevonden in de Nederlandse archieven, zijn er wel wisselbrieven van Casanova opgedoken en enkele notariële documenten die verklaren hoe hij aan geld kwam. Dat geld kreeg hij van zijn mecenas de illustere markiezin d’Urfee (1705-1775). Tussen de papieren van Casanova is een acte gevonden (7 december 1758) van notaris Gerrit Bouman. In het eerdergenoemde artikel van historica Van Eeghen is een kopie van deze papieren toegevoegd. Daarin staat dat Casanova in opdracht van d’Urfee een Zweeds aandelenpakket moest verkopen van de Oost-Indische Compagnie te Gothenberg. In een tweede acte (11 december 1758), ook van het notariskantoor van Bouman, staat dat markiezin d’Urfee hem een bedrag heeft overgemaakt van 235.000 livres (Franse pond). Hier had Casanova zelf niet over geschreven; dit is wel gevonden tussen zijn papieren.

madam d'urfé
Portret van d’Urfee in de pastorale roman L‘Astree

Waarom heeft d’Urfee hem zoveel geld gegeven? Zij en Casanova deelden dezelfde interesse: de wereld van het occultisme. De markiezin was goed thuis in alchemie en vond in Casanova een meester in het mysterieuze joodse cijferspel Kabbala. Casanova gebruikte Kabbala om mensen te vermaken of op te lichten. D’Urfee was geheel in de ban van Casanova’s voorspellende gaven. Hij overtuigde haar dat hij haar kon helpen herboren te worden in een ander lichaam. Een transmissie in een man. Hier waren echter wel kosten aan verbonden, maar de markiezin wilde met alle liefde in de buidel tasten om dit te bewerkstelligen.

Toen Casanova in 1759 terugkeerde naar Parijs was de avonturier dus schatrijk. Hetzelfde jaar keerde hij echter noodgedwongen terug naar Amsterdam. Zijn staat van fortuin was tegen hem gekeerd. Hij was op de vlucht omdat hij niet weer in de gevangenis wilde belanden. Hij had zijn geld erdoorheen gejaagd en werd beschuldigd van een valse geldwissel. Casanova werd in 1755 namelijk zonder proces in de Piombi in Venetië gevangengezet. Ruim een jaar later wist hij op spectaculaire wijze te ontsnappen en vluchtte naar Parijs.

Verbanden leggen

Om inzicht te krijgen en verbanden te leggen over wat al geschreven is over mijnheer D.O. in Casanova’s memoires, zocht ik gebeurtenissen op datum in diverse archieven online. Casanova schreef (deel 4. Een man van aanzien) toen hij in 1759 voor de tweede maal Amsterdam bezocht:
Mijnheer D.O. nodigde mij uit met hem te souperen met de loge van de burgermeesters. Dit was een bijzondere gunst, want er werden – tegen al de gebruikelijke regels van de vrijmetselarij in – alleen de vierentwintig leden toegelaten waaruit zij was samengesteld. De leden waren de rijkste miljonairs van de beurs’. Het geheime genootschap van vrijmetselarij paste geheel bij Casanova. Hij ontmoette daar gelijkgestemden vrijdenkers en bood een loge een plek om te netwerken en zakendoen.
De eerdergenoemde historicus D. Hoek weet te melden dat deze ‘loge van burgemeesters’ La Fidélité moet zijn geweest; een besloten exclusieve vrijmetselaarsafdeling van 24 leden van rijke bankiers en koopmannen. Het zou zomaar kunnen dat een rijke Thomas Hope daar veelvuldig kwam, net als Henrik Daniëlszoon Hooft, want ook hij was een rijke koopman.

De Vrijmetselarij in Nederland

Mijn zoektocht begon met het uitgooien van diverse digitale lijnen en het aanschrijven van auteurs die onderzoek hebben gedaan over de vrijmetselarij in Nederland. Al snel kwamen er reacties. Ik kreeg een reactie van het Vrijmetselarij Museum in Den Haag. De conservator stuurde mij een afdruk van een fiche dat Casanova niet de vrijmetselaarsloge La Fidélité heeft bezocht, maar op 30 november 1759 de Amsterdamse loge La Bien Aimee.
Ik vroeg mij af of het ook mogelijk was om van dit logebezoek een kopie van zijn inschrijving te krijgen? Hierop zou kunnen staan wie hem vergezelde op die avond. Op de kopie moest ik wachten, want een nieuwe lockdown veroorzaakte een stroeve communicatie. Alle musea waren dicht. Uiteindelijk na weken wachten, kreeg ik een digitale afdruk: Casanova staat erin, maar geen Hooft of Hope. Ook niet een andere naam die je kon thuisbrengen onder ‘Ope’.

Casanova in La Bien aiméee
Kopie visitatiebezoek Casanova La Bien Aimée, 30 november 1759 (foto Jac. Diepenbrock)

Er volgde een e-mailwisseling met bijzonder hoogleraar in de vrijmetselarij Professor Ton van de Sande. Hij ging er van uit dat Casanova naar alle waarschijnlijkheid inderdaad La Fidélité had bezocht. Hij verwees mij door naar allerlei bronnen. Onder meer naar het jubileumboek over de historie van de loge La Bien Aimee en het proefschrift van Floor Meijer Gedekt voor het oog der ongeweiden, Vrijmetselarij in Amsterdam 1756-1800.

Historicus Dr. Maarten Hell, bekend van zijn promotiescriptie De Amsterdams herberg gaf uitleg dat La Fidélité alleen toegankelijk was voor regenten. Hij schrijft: ‘En dan waarschijnlijk ook nog exclusief voor de mannen die stadhouder Willem IV had aangesteld. Vanwege de voornaamheid van de leden schuwde de loge iedere vorm van publiciteit: zelfs aan andere vrijmetselaarloges werden de namen van de broeders niet bekendgemaakt’. Helaas leverde het zoeken naar een ledenlijst van La Fidélité in het Vrijmetselarij Museum niks op.
Dwalen op het internet, zoekend naar allerlei genealogische kwartierstaten op de naam Henrik Hooft Daniëlszoon trof ik een boek: De burger en de burgemeester, geschreven door Jhr. Mr. H. G.A. Hooft met medewerking van Sir Christopher Ondaatje. De auteur Hendrik Hooft was een nazaat van Henrik Daniëlszoon. Het is een boek over de familiegeschiedenis van Hooft en Ondaatje, waarvan hun voorvaderen ieder een belangrijke rol speelden in de 18e eeuw bij een democratische beweging van patriotisme.

Via een omweg kwam ik in contact met de auteur Jhr. Hendrik Hooft. Hij schrijft ook over Casanova in zijn boek. Voordat de schrijver Hoek had gepubliceerd over Casanova, had Hooft nog nooit binnen zijn familie gehoord dat zijn voorvader en diens dochter Hester zich hadden ingelaten met Casanova. Hij schrijft: ‘Casanova zou haar vader dan niet bankier hebben genoemd in zijn memoires maar ‘bourgemaïtre’’. En dat klopt, want Hooft Daniëlszoon leefde toen nog en was jarenlang burgemeester geweest. Voor mij is het duidelijk: Henrik Hooft Daniëlszoon was niet mijnheer D.O.

Thomas Hope

Al mijn aandacht richtte ik op Thomas Hope. In eerste instantie beperkte ik mij tot het lezen van een informatieve online pagina. Die onthult dat Thomas Hope samen met zijn oudere broer Archibald jr. (1698-1734) een handelshuis heeft opgezet. Toen Archibald stierf zette Thomas dit voort met zijn jongere broer Adrian Hope (1709-1781). Hieruit ontstond een bank met allure: Hope & Co. Deze bank floreerde door het geven van internationale leningen en door de aandelenhandel. Bovendien was Thomas door stadhouder prins Willem IV aangesteld als bewindhebber bij het Verenigde Oost-Indische Compagnie en de Nederlandse West-Indische Compagnie. Hij bedacht voor de geldhandel ook een systeem van kostenberekening.

Standaard informatie, maar ik kwam niet verder. Dit veranderde totdat ik een groot artikel onder ogen kreeg, geschreven door Taco Tichelaar, over het enorme grachtenpand waar Hope woonde: op de Keizersgracht 444-446. Dit artikel bevat een belangrijke voetnoot over het boek: De vroedschap van Amsterdam over de Amsterdamse patriciaat elite geschreven door Johan Engelbert Elias (1875-1959). Hierin lees je dat Thomas Hope trouwde met Margaretha Marcelis, een dochter van een rijke Amsterdamse koopman. Zij is in 1705 geboren en stierf in de zomer van 1758. Dit betekent dus dat de bankier in het jaar dat Casanova in Holland kwam weduwnaar was geworden.

Keizergracht 444 en 446
Woning Thomas Hope Keizersgracht 444-446, Amsterdam (bron Taco Tichelaar.nl)

Verder viel te lezen dat deze Hope in datzelfde jaar 1758 het riante pand Keizersgracht 444-446 kocht. Dit pand had een stal en koetshuis dat al een tijd leeg stond en toebehoorde aan Mattheus Lestevenon (1715–1797), de toenmalige Nederlandse ambassadeur in Frankrijk. Toevalligerwijs haalde Casanova in Parijs in september 1758 zijn paspoort voor Holland bij deze Lestevenon.

Casanova schreef over het huis (De jacht op geld) van D.O. toen hij voor het eerst bij hem en Esther at: ‘Na het diner liet mijnheer D.O. mij zijn huis zien. Dit was onbewoond, omdat hij na de dood van zijn vrouw een appartement op de benedenverdieping had betrokken, waar hij comfortabel was gehuisvest. Het deel van het huis dat hij mij liet zien telde zes of zeven vertrekken waarin een schat aan antiek porselein bevond. (…)’. Had ik hier een aanknopingspunt? Uit archieven blijkt dat de familie Hope fervente kunstverzamelaars waren, met name oom Adrian en Thomas’ zoon, John Hope.

Wat nog meer te lezen viel in ‘De vroedschap’, is dat Thomas Hope in 1748 een grote buitenplaats aan de Amstel kocht: hofstede Vreugdenhof (voorheen Dubbelloon geheten).
Casanova schrijft (De Jacht op geld) ook over een buitenhuis aan de Amstel waar hij, Esther en haar vrienden hem op deze bevroren rivier leerde schaatsen. ‘Om elf uur stapten wij in een slede en gingen naar het kleine huis waar, naar waar zij mij had verteld (..) ‘Kom mee, kom mee,’ zei Esther vrolijk, ‘Laten we schaatsen aandoen en snel naar de Amstel gaan (…). Kijk je naar bovenstaande tekening uit ongeveer 1730 (Leon Schenk), dan is de afstand van het buitenhuis naar de waterkant met schaatsen aan een korte afstand. Wellicht heeft Casanova naar deze rivier gekluund.

Later benoemt hij weer een huis aan de Amstel. Hij had net een bezoek gebracht aan het Admiraliteitsgebouw (Prinsenhof) aan de Oudezijds Voorburgwal. ‘Toen ik het Admiraliteitsgebouw verliet, stuurde ik mijn koets en mijn bediende terug, en gaf hem opdracht om elf uur bij het huis van mijnheer D.O. aan de Amstel te zijn. Ik ging er te voet naar toe. (…) Esther zag mij vanuit het raam, er werd op de tweede etage aan een koord getrokken, de deur ging open’ (…).

Vreugdenhof
Buitenplaats Vreugdenhof (bron: buitenplaatseninnederland.nl)

Er is bij de Casanova-onderzoekers veel te doen over dit buitenhuis. Als Casanova met het huis aan de Amstel de ‘Vreugdenhof’ bedoelt, dan klopt dat niet. Dit buitenhuis (zie tekening) heeft niet echt zichtbaar twee etages. En hoe kan hij zien dat er aan een touw getrokken wordt? Hij zou overigens nooit naar deze buitenplaats gelopen zijn want dan was hij, volgens Google Maps, een uur onderweg. En dat in de ijzige kou! Aannemelijker is, dat als het de woning van Hope is, hij naar de Keizersgracht liep en wellicht via een andere ingang het enorme pand is binnengegaan. Dat hij het huis bij de Amstel noemt in plaats van de Keizersgracht, is niet gek: de rivier stroomde toen nog volop door de stad heen.

In mijn zoektocht heb ik veel mensen aangeschreven die mogelijkerwijs iets afwisten van ‘vrienden’ van Casanova die hij in zijn memoires noemt en heeft ontmoet in Nederland. Het leverde veel correspondentie op, maar niet een bewijs dat Thomas Hope nu echt mijnheer D.O. was.

Finse vertaler

Ik hoopte toch op een klein wonder en die kreeg ik. Ik kwam in contact met de Finse vertaler Seppo Sipilä die bezig is met het vertalen van Casanova’s dagboeken in het Fins. Histoire de ma vie is in 2015 aangekocht door de Bibliothèque nationale de France in Parijs. Casanova’s memoires zijn toen gedigitaliseerd en door iedereen in te zien. Seppo Sipilä vertaalt, in tegenstelling tot Theo Kars, rechtstreeks van een kopie van de authentieke dagboeken.

Ook Sipilä haalt prins De Ligne aan met zijn memoires ‘Fragment sur Casanova’: dat ‘D.O.’ de rijke bankier Thomas Hope (1704-1779) is en sinds 1758 weduwnaar. Een opmerkelijke aanvulling van Sipilä is dat Casanova vaak ‘Mr. D O.’ schrijft in plaats van de Franse manier ‘M. D.O.’. ‘Mr.’ wat impliceert Hope’s Engelse afkomst.
Op mijn vraag of Hope wellicht aangesloten was bij de vrijmetselaars meldt hij: ‘Ik heb niet het bewijs gevonden dat Thomas bij de vrijmetselarij zat, maar volgens het internet was dat zijn oudere broer Henri Hope lll (1699-1734) wel. Het zou me niet verbazen als Thomas er ook een was.’

Verrassend en doorslaggevend meldt de Finse vertaler over het meisje Esther: ‘Thomas Hope had zelf geen dochter, maar ‘Esther’ zou de dochter Agatha Maria van zijn broer Zachary kunnen zijn. Zij werd geboren in 1745 en haar moeder (Agatha van Vlierden) stierf al in 1747. Het is dus mogelijk dat ze werd opgevoed door haar oom Thomas en zijn vrouw. Agatha Maria was in 1759 op dat moment veertien jaar oud. Aangezien ze nog leefde toen C. zijn memoires schreef, zou het begrijpelijk zijn haar echte naam geheim te houden.’ De Finse schrijver vindt het overtuigend dat ‘Mr. D.O.’ in Casanova’s manuscript Thomas Hope is.

Tegenargumenten

De eerdergenoemde historica Van Eeghen schrijft over het meisje Esther in haar artikel ‘dat serieuze commentatoren de naam Hope en eventueel een nichtje of pleegkind ter zijde hadden geschoven’. Van Eeghen en voorgaande onderzoekers hebben dus niet verder hiernaar gezocht. Laat ik een poging wagen.

Een zekere Dr. Marten G. Buist doorzocht het (bank)archief van de familie Hope en schreef toen zijn onderzoek: At spes non fracta: Hope & Co. 1770-1815 (1974) uitgegeven door de Bank Mees & Hope. Hij kwam tot de conclusie dat Casanova nooit op visite kan zijn geweest bij Hope. Hierbij enkele tegenargumenten. Uit Buist’ onderzoek blijkt dat Hope niet aangesloten was bij de Hervormde Kerk. De bankier was zeer waarschijnlijk een Quaker. Hij was een zoon van een Quaker en een Quaker gelooft dat er iets van God in ieder mens zit en in bezit is van een ‘innerlijk licht’ Dit is een ondogmatisch geloof dat openstaat voor andere levensbeschouwingen.

Het zou kunnen verklaren dat Casanova, met een hele andere culturele achtergrond en geloofsovertuiging, als gast bij de familie Hope welkom was. Bovendien als Hope een vrijmetselaar was, dan deed hij zijn voordeel Casanova te ontvangen en hem op te nemen en zaken mee te doen. Daarnaast, de naam Agatha Maria Hope komt niet in Buist zijn onderzoek voor, terwijl zij wel in allerlei notariële aktes voorkomt.

Agatha Maria Hope

Over Agatha Maria Hope is online te vinden dat zij op 30 december 1745 gedoopt is. Ze overlijdt in Rotterdam in Haringvliet op 5 december 1805. Zij is altijd ongetrouwd gebleven en stierf niet onfortuinlijk. Ze liet bijvoorbeeld buitenplaats Ypenhof in Kralingen achter. Opvallend is dat er in de familie Hope weinig werd getrouwd of hertrouwd. Haar vader hertrouwde niet, haar oom Thomas niet en oom Adrian trouwde helemaal niet. Ook haar neef Henry Hope bleef ongetrouwd (1735-1811) en omdat hij geen kinderen had, adopteerde Henry Hope zijn klerk John Williams.
Het Amsterdams archief geeft prijs dat Agatha Maria in allerlei testamentaire documenten genoemd wordt. Thomas Hope en zijn broers stelden hun bezit niet alleen veilig in hun naaste familie, maar betrokken daar ook hun nichten en neven bij. Opmerkelijk is ook dat er verschillende documenten te vinden zijn in het stadsarchief van Amsterdam van vrachtbewijzen geregistreerd door de gebroeders Hope van het schip De Agatha Maria.

Joodse naam

Stel dat je aanneemt dat Agatha Maria Hope het meisje Esther is, waarom gaf Casanova haar dan de joodse naam Esther? Het is gissen, maar Casanova heeft Esther en haar vader kennis laten maken met het eerdergenoemde cijferspel kabbala. Hij schrijft hierover (De jacht op geld):
‘Ik vond haar schrijvend aan een tafel. Zij vermaakte zich met een rekenkundig vraagstuk. (…) Mijn goede genius bracht mij op het idee haar een proeve van mijn kabbala te geven. Ik zei tegen haar dat zij een vraag op moest schrijven die betrekking had op iets wat zij niet wist en waarop zij graag het antwoord wilde weten. (…) Ik leerde haar piramides te vormen van de getallen die de woorden opleverden, (…). Het orakel zou haar dan een antwoord geven.

Ook mijnheer D.O. was enthousiast: ‘Mijn beste Casanova, sinds mijn jeugd weet ik af van het bestaan van de wetenschap waarin u bedreven bent, en ik heb een jood gekend die daarmee een groot fortuin heeft verworven.’ Zeer vermakelijk schrijft Casanova uitgebreid over de ervaringen van de kabbala bij Esther en D.O., hoe hij het spel manipuleerde, maar ook hoe hij bijna zichzelf in de problemen bracht. Zo vond Casanova zogenaamd een vermiste portefeuille van Hope terug, en liet hij de bankier doen geloven dat een vrachtschip dat onderweg was naar Nederland wel zou aankomen (zonder dat écht te weten). Hope ging de lading voor duizenden guldens extra verzekeren, wat een groot verlies had kunnen betekenen. Gelukkig kwam het schip wel aan.

Geert Kimpen, een publicist op het gebied van kabbala, weet dat een rabbi (een geestelijke leraar) die zich bezighoudt met kabbala, je een andere naam geeft die beter bij je past. Casanova was voor Esther de meester die haar inleidde in de kabbala. En later toen hij in zijn memoires over haar schreef gaf hij haar een passende naam.

Als laatste

Gebaseerd op mijn bevindingen in de zoektocht naar de ware identiteit van mijnheer D.O., durf ik te zeggen dat mijnheer D.O., hoogstwaarschijnlijk Thomas Hope is. De beschrijvingen van Casanova over Hope, zijn huis en zijn buitenhuis, zijn mijn bewijsgronden. Hope was een rijk en machtig man die als internationale bankier en bewindvoerder van de VOC toebehoorde tot de regenten van Amsterdam. Hope was, in tegenstelling tot de patriot Henrik Hooft, koningsgezind. Hij was een vrijdenker, een wereldse man die verstand had van handel en cijfers. Casanova, die een begaafde mathematicus was, was voor Hope en al zijn financiële transacties, uiterst interessant.

Over de initialen van D.O. is het volgende te vertellen. Thomas Hope overleed in 1779, maar zijn bank Hope & Co bestond nog toen Casanova aan zijn memoires begon. De ‘D’ is in het Frans niet een eigennaam, maar vertaald met ‘van’ en verwijst naar zijn bankiershuis. Het zou kunnen betekenen: mijnheer van bankiershuis Hope.
Tot slot. We weten nog niet alles over Agatha Maria Hope, maar de (Nederlandse) archieven zullen in de toekomst nog van alles over haar prijsgeven.

Dit artikel is mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten

Rudolf Hunnik

Mijn gekozen waardering € -

Rudolf Hunnik is cultuurjournalist, filmprogrammeur en trainer. Al vanaf 1999 schrijft hij artikelen voor internet en de papieren pers. Als journalist en recensent werkt hij met name voor dagblad de Gooi- en Eemlander, schrijft hij voor Place de l’Opera en Cultuurpers. Als filmprogrammeur is hij verbonden aan Pier K Nieuw-Vennep en geeft hij de workshop 'Communiceren met de pers' over persberichten schrijven en zelfpubliceren www.diversityathome.nl.
Sinds 2019 begeleidt hij mensen tot inzichten (3 Principes) https://www.diversityathome.nl/kunst-en-een-goed-gesprek/