Dus toch. Anass Aouragh heeft het zelf gedaan. Ik heb zojuist hardvochtig gevloekt toen ik het hoorde. Dat een kind dood is, is al verschrikkelijk. Maar dat het zelf niet meer wilde leven onverdraaglijk.

STEUN RO

Toen ik zwanger was van mijn oudste zoon, had ik een discussie met een vriendin. Zij wist heel zeker dat ze nooit moeder wilde worden. Niet omdat ze bang was voor papjesprikjesdrabjesluiers en gebroken nachten.

Nee, wat als haar kind later niet gelukkig zou zijn? "Stel dat hij gepest wordt en ik kan er niks aan doen… Daar zou ik niet tegen kunnen, dus dan maar liever geen kind."

Dat is natuurlijk een absurde redenering. Je moet het leven niet utsluiten omdat je bang bent voor rampspoed. Maar alle berichten over tieners die niet meer willen leven, ik raak er van in de war. Gepest, buitengesloten, onpopulair verklaard. En vervolgens liever dood.

Het andere kwaad

Het klinkt raar, maar ergens hoopte ik dat Anass met een enge man was meegegaan. Dat het kwaad tastbaar was. Gewoon een gestoorde gek. Daar is natuurlijk niets gewoons aan, maar ik verdraag het geloof ik beter dan dit duister. Het andere kwaad, het kwaad dat in Anass’ hoofd is gaan zitten en waar hij niet onderuit kon, zo is althans het vermoeden.

Anass was een aparte jongen. De ene dag op school met een vlinderdas, de andere dag met een groene broek. Als ik zijn moeder was, was ik daar trots op geweest. Mijn kind dat zich zo durfde te uiten.

We willen toch allemaal dat ons kind speciaal is? 'Hij speelt nu al hele toneelstukken in zijn eentje en hij is pas anderhalf,' snoeven we. 'Ze kent het volledige Ave Maria uit haar hoofd. Zo mal, maar ook zo knap,' vertellen we niet zonder trots. 'Hij kan uren alleen spelen, dan merkt ie niet eens dat we in de kamer zijn.'

Té speciaal

Het zijn bijzondere kinderen en dat zijn het. Wij ouders scheppen graag op over de opmerkelijke kwaliteiten van onze hartelapjes. Wel eens een vader of moeder heel trots horen zeggen: "Die van ons bijzonder? Neuh…  Wij hebben een heel gemiddeld kind."

Maar als we ze loslaten in de buitenwereld, kunnen we alleen maar hopen dat ze niet té speciaal zijn, niet té veel opvallen, zich niet té uitzonderlijk voelen.

Pas na mijn vijfentwintigste realiseerde ik me dat alles waardoor ik me vroeger op school een outcast waande, behoort tot mijn grootste kwaliteiten.

Anass zal er nooit achter komen hoe mooi bijzonder is.

Toch zal er geen mens zijn, die zal zeggen: "Ik wou dat hij er nooit geweest was."

Had hij dat maar geweten.

    Roos Schlikker begon ooit als financieel journalist maar dat was een vergissing. Nu schrijft ze interviews en reportages over alles behalve stropdassen, volgens collega’s met een voorliefde voor de moderne (stads)mens. Doet mee aan 'Wie is de Mol'. Op Reporters Online publiceert ze columns.

    Geef een antwoord