Ineens leek het einde van België me akelig dichtbij. Jarenlang alarmisme stompt af als de wind steeds uit dezelfde hoek waait, maar dit keer werd ik verrast. Door twee stukken in twee kranten, in twee talen, en dat op dezelfde dag.

STEUN RO

Le Soir liet in een tweegesprek Vincent de Coorebyter, filosoof-politicoloog, en Marc Uyttendaele, specialist in grondwettelijk recht, aan het woord. Beide mannen zijn Franstalig en Belg in hart en nieren. Maar ze gooien de handdoek in de ring. Al zijn we nog mijlenver verwijderd van een nieuw record regeringsloos regeren, een nieuwe coalitie zit er niet in en is zelfs niet wenselijk. Toen, bij dat record, ging het nog ergens over. Bijna tien jaar later zijn Noord en Zuid uitgepraat. Er zit geen muziek meer in België.

Ook de voorpagina van de Standaard liet me schrikken. Er komt geen geld meer van de Vlaamse regering voor wie polariseert en segregeert. Het is zover, dacht ik, het land dreigt te breken en de separatisten moet resoluut een halt worden toegeroepen.

Een triomfantelijke Charles Michel op de voorpagina van het zaterdagse katern maakte me niet minder achterdochtig. Zo, op zijn springveer, zag hij er opgelucht uit. Het artikel binnenin reconstrueerde de lancering van de Belgische premier tot president van de Europese Raad. Handel met voorkennis, zou je het bijna noemen, als het om zaken, om àndere zaken ging.

Die kop over polarisatie had ik verkeerd begrepen. Het ging alleen over polariserende verenigingen van niet-Vlaamse makelij. Als Vlaming mag je erop los polariseren zoveel je wilt, je bijvoorbeeld afzetten tegen een Belgische, tegen een Europese identiteit. Sterker nog: in het huidige karige subsidieklimaat vergroot dat alleen maar je kansen om nog wat geld los te peuteren.

De Coorebyter en Uyttendaele opperen intussen “cogestion” als beleidsvorm, een zachte variant van confederalisme. Ze zien een referendum over het lot van België nog als een uitweg uit de impasse. Ik huiver en zoek mijn toevlucht tot een stripverhaal.

Le Belge du futur1 verscheen precies een jaar terug en is geschreven door Edgar Kosma, met  tekeningen van Pierre Lecrenier. Het is iets waar je als Nederlander groen en geel van jaloezie van wordt: het vermogen jezelf niet al te serieus te nemen, de kunst vederlicht over een zwaar onderwerp te zweven.

De striproman schetst de lotgevallen van Gérard Lambert, een doodgewone Belg die door een kermisongeluk vooruitgeslingerd wordt naar 2048. België bestaat dan niet meer. Vruchteloze  formatiepogingen na de landelijke verkiezingen van 2024 leidden ertoe dat het land een jaar later gesplitst werd.

Brussel staat onder Europees bewind en is omgedoopt in Euro City. De stad is ommuurd, om haar te beschermen tegen nationalistisch-Belgische terroristen. De Waalse Volksrepubliek gaat het voor de wind sinds de cultivering en verkoop van cannabis Staatssache is. Vlaanderen is daarentegen verlaten en verpauperd. Het grootste deel is door de stijgende zeespiegel verzonken, samen met Nederland. Maar waar caravans vol Hollandse klimaatvluchtelingen zijn neergestreken in de Ardennen, worden de Vlamingen geweerd in Wallonië. Het revanchisme leeft nog sterk – de slag om Waals Brabant uit de dertiger jaren heeft diepe littekens achtergelaten. Het Europese leger probeert met alle middelen de vrede te bewaren.

Ook in Wallonië is het geen rozengeur en maneschijn. Verregaande industrialisatie en overproductie eisen hun tol van de natuur. Verder begluurt de autoritaire staat zijn burgers dag en nacht. Lambert herkent zich niet meer in deze dystopische nazaat van wat ooit zijn land was. Eenmaal teruggekeerd van zijn spatiotemporele avontuur is hij vastbesloten om een nieuwe politieke partij op te richten. België één, L’Union fait la force, dat soort namen staan hem voor ogen. Zijn kinderen lachen hem uit.

Ik raak in paniek. Het is maar een verhaal, maar nee, alsjeblieft niet nog een partij. Niet nog een marktkramer die op de grote verkiezingenbazar zijn ideeën moet verkopen.

Het keurslijf van de electorale democratie, daarmee verklaren Michael Vlerick en David Van Reybrouck in diezelfde Standaard de paralyse van de landelijke politiek. Ze stippen ook de successen aan die al geboekt werden met burgerparticipatie in Nederland, op lokaal niveau in België, in de Duitstalige Gemeenschap. Tegelijk constateert De Coorebyter dat de meningen over de grote thema’s van onze tijd aan beide kanten van de taalgrens niet veel van elkaar verschillen. Pas na de gang door het stemhokje zijn de tegenstellingen onverzoenlijk aangescherpt. Misschien bieden burgerpanels zo soelaas voor federale patstellingen. Er zit nog muziek in België.

 1 Edgar Kosma, Pierre Lecrenier, Le Belge du futur, Éditions Delcourt, november 2018

Dit artikel is eerder verschenen op apache.be, 17 december 2019

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -