De Vlinderbuurt in Eindhoven is een rustige woonwijk. De straten, pleinen en lanen zijn genoemd naar vlinders waar de meeste bewoners nimmer van hadden gehoord voordat ze er zelf een huis kregen: Satijnvlinder, Dagvlinder, Reuzenvlinder, Bessenvlinder, Vuurvlinder, Windevlinder, Citroenvlinder, Maanvlinder, Kuifvlinder, Satijnvlinder. Het lijkt of hier nooit iets gebeurt, maar schijn bedriegt: in een van de lanen wordt een Irakees echtpaar al jarenlang geterroriseerd door de Marokkaanse buurvrouw. Waarom? Ze hebben geen idee. Jaloezie? De wijkagent heeft er de handen vol aan, maar er komt geen oplossing. Volgens de slachtoffers omdat er fouten zijn gemaakt, ze voelen zich onveilig en onrechtvaardig behandeld.

STEUN RO

Er zullen weinig mensen zijn die iets lelijks over Tamir* en Hadassa* (niet hun echte namen) zullen zeggen. Hadassa is een goede vrouw, die vrijwilligerswerk doet en altijd klaarstaat voor de medemens. Ook Tamir doet geen vlieg kwaad. In 1998 waren ze al getrouwd toen ze uit Noord-Irak vluchtten, voor dictator Saddam Hoessein. Tamir was juwelier in Mosoel en was vanwege ‘andere politieke opvattingen’ gevangen genomen. Bij toeval kwamen ze in Nederland terecht, in asielzoekerscentra in Rijsbergen, Eindhoven en Middelburg. In 2002 kregen ze een verblijfsvergunning, in 2007 kregen ze een woning toegewezen in de Eindhovense vlinderbuurt.

Ze leefden er gelukkig en tevreden. Zij hebben geen kinderen, haar Marokkaanse buurvrouw wel. Hadassa: “Het probleem begon twee jaar geleden. Ik heb goed contact met haar. Ik heb haar veel geholpen met wegbrengen, meegaan naar afspraken. Haar man werkt, ze hebben geen tijd voor elkaar. Ik heb haar vaak hier en daar gebracht. Toen wij met vakantie gingen, heb ik onze sleutel aan haar gegeven. Ik vertrouwde haar. Ik wist wel dat ze een beetje jaloers was. Op mijn goede relatie met mijn man, op mijn goede contacten met de buren. Zij had veel problemen met haar buren aan de andere kant, waar ik wel goed mee omging.”

Kuchen

Hadassa doet al zes jaar vrijwilligerswerk bij Humanitas. Op een ochtend, als ze naar haar werk moet en zich aankleedt, ziet ze dat er achter het raam allerlei spullen in de tuin liggen op de terras. Ze doet de deur open. Het is een koude dag. Ze hoort haar buurvrouw kuchen. Ze maakt foto’s. “Ik rook terpentine en ik zag lucifers. Acht of negen stuks. Vijf ervan waren afgebrand, maar er was geen brand ontstaan. Er lagen tissues, een zakje witte verf, papieren, werkschoenen, in terpentine gedipt en neergelegd om te branden. Het was op mijn terras, onder de overkapping. Ik hoorde kuchen en heb de buurvrouw geroepen en gezegd wat er aan de hand was. Ze zei: ‘Misschien racistische mensen?’ Ik zei: ‘Dat kan niet, daar heb ik niks mee te maken, ik heb met niemand ruzie.’ Ik zei dat ik de politie ging bellen, voor poging tot doodslag. Ik vroeg of zij het nummer had. Dat moest wel, ze belde vaak met de politie voor de andere buren . Ze zei dat ze het niet had. Ik heb het algemeen nummer gebeld, maar ik kon haast niet praten. De wijkagent zou komen, ik heb naar mijn werk gebeld: ‘Ik kan vandaag niet komen.’