Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg maakt gehakt van het onderzoek door het Nederlands Openbaar Ministerie naar het overlijden van een Irakese burger in 2004. Deze werd door een luitenant bij een wegblokkade doodgeschoten. De uitspraak heeft grote consequenties voor de Nederlandse militaire missies in Irak en in Mali. Oorlogsverslaggever Arnold Karskens onderzocht lange tijd de zaak ter plekke.

STEUN RO

De Amsterdamse advocate Liesbeth Zegveld reageert verheugd op het EHRM-vonnis dat op 20 november bekend is gemaakt. Zij vertegenwoordigt de vader van het slachtoffer. 'De zaak heeft tien jaar aangesleept maar er is dan nu toch rechtvaardigheid.'

Zegveld wilde de vervolging van de schietende luitenant, maar dat werd door het Openbaar Ministerie in Arnhem tot nu toe afgewezen. De luitenant zou de geweldsinstructie voor militairen op vredesmissies hebben gerespecteerd. Daarop stapte ze naar het Europees Gerechtshof.

En dit Europees Hof voor de Rechten van de Mens (afgekort EHRM) deelde een ferme tik uit op de vingers van het Openbaar Ministerie en de Militaire Kamer in Arnhem. Zegveld: 'Ze hadden hun werk niet goed gedaan, stelt het EHRM. Het blijkt dat ze een schietincident in Irak met andere ogen bekijken dan in Nederland. Zo was er geen goede autopsie op het lichaam van de omgekomen Irakees uitgevoerd, kon de schutter met andere getuigen contact hebben en werden kogelresten niet veilig gesteld. De les is: doe het netjes en begin niet gelijk met schieten.'

Defensie stelt tot nu toe dat de Nederlandse militairen in Zuid-Irak deel uitmaakten van de Multinational Division South-East (MND-SE), dat onder commando stond van de Groot-Brittanië. Advocaat Zegveld: 'Het EHRM oordeelt nu dat de Britten misschien bestuurlijk de teugels in handen hadden maar dat Nederland wel degelijk militaire verantwoordelijkheid droeg.'

De Nederlandse staat moet de vader een bedrag van €26.372,06 betalen.

De feiten

Even terug naar de feiten: Nu al weer ruim tien jaar geleden, op 21 april 2004, rond half drie in de nacht, reed Azhar Sabah Jaloud (29) met een vriend in een zwarte Mercedes Benz 320 door de Zuid-Iraakse provincie al Muthanna. De weg even ten noorden van de stad Ar Rumaytah was pikkedonker en de chauffeur zag een mobiele wegblokkade opgezet door leden van Iraqi Civil Defence Corps (ICDC) te laat. De auto ramde de lege olievaten op het wegdek en direct daarop werd de auto beschoten door de Nederlandse luitenant A. die met een zes Nederlandse militairen even daarvoor was aangekomen. De Nederlandse militair behoorde tot een van de 1100 Nederlandse mariniers die tussen begin augustus 2003 en eind juli 2005 deel uitmaakten van de Stabilisatiemacht Irak SFIR, opgericht ter bevordering van de rust en wederopbouw na het regime van dictator Saddam Hussein. Bijrijder Jaloud overleefde de kogelregen niet.

28 maal enkelschots

De schutter, de Nederlandse luitenant, beweert in zijn verdediging dat hij bewust handelde. Hij zag de koplampen van een naderende auto en hoorde schoten. Hij zocht dekking in de berm. In zijn eerste verhoor die ochtend verklaarde de luitenant dat hij zeker wist dat vanuit de auto op hem werd geschoten. Zelf zou hij hebben gewacht met schieten tot de auto voorbij was. Wat de vraag opwerpt of je dan nog kunt spreken van zelfverdediging.

Wat in het voordeel van de Nederlandse luitenant pleit is dat een kwartier voor de fatale schietpartij het checkpoint zelf was beschoten door een auto die met gierende banden wegscheurde. Er was dus sprake van een gespannen situatie. De chauffeur van de beschoten auto gaf toe dat hij die avond enkele blikjes bier had gedronken, maar niet zoveel dat dit zijn rijgedrag zou hebben beïnvloed. Zonder alcohol had hij mogelijk adequater gehandeld.

In juni 2004 oordeelt de officier van Justitie dat Jaloud 'vermoedelijk' door een Iraakse kogel dodelijk is getroffen en de Nederlandse luitenant uit zelfverdediging heeft geschoten. De zaak werd gesloten.

De aanklacht

Omdat ik in die tijd veel in Zuid-Irak kwam, heb ik het schietincident in 2004 en 2005 ter plaatse onderzocht. Zo sprak ik met de vader, Sabah Jaloud in Nasiriyah. Ook interviewde ik de onderzoeksrechter en bekeek ik het autopsierapport. Al snel kwam ik toen tot de conclusie dat de zaak aan alle kanten rammelde. Zonder goede aanleiding was het vuur geopend op de auto.

In oktober 2007 begint Sabah Jaloud, vader van de gedode Azhar Jaloud, een rechtszaak tegen de Nederlandse staat. Advocate Liesbeth Zegveld staat hem bij. Zij stelt dat er geen bewijs is dat Azhar door een Iraakse kogel is gedood. Jalouds vriend Dawoud Joad Kathim, degene die de auto bestuurde, verklaarde tegenover de Iraakse onderzoeksrechter dat hij van de tolk van de Nederlandse militairen de opdracht had gekregen om te zeggen dat Iraakse politieagenten kogels op de auto hadden afgevuurd. Wat hij weigerde. Luitenant A. zou gereageerd hebben met buitenproportioneel geweld, door een heel magazijn van zijn Diemaco aanvalswapen op de auto leeg te schieten en geen waarschuwingsschot te hebben gelost. Ook zou hij de oproep het schieten te stoppen door een collega-militair hebben genegeerd. Advocate Zegveld in een eerder interview: 'De luitenant zou 28 maal enkelschots hebben geschoten. Binnen zeven seconden.' Volgens haar heeft de Nederlandse militair zich schuldig gemaakt aan moord dan wel doodslag door zware mishandeling. In de auto zijn overigens geen wapens of kruitsporen aangetroffen. Dus er kan nooit vanuit de auto zijn gevuurd.

In april 2008 concludeert het Hof in Arnhem echter dat de luitenant reageerde op 'friendly fire' van de andere zijde en dat abusievelijk heeft aangehoord voor schoten uit de auto. Gezien de omstandigheden handelde hij binnen de geweldsinstructie (Rules of Engagement) en hoeft daarom niet te worden vervolgd.

EHRM

Hierop besluit Zegveld op 6 oktober 2008 de zaak aanhangig te maken bij de Grand Chamber van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Dit hoogste Europese hof behandelt klachten gericht tegen de overheid, waarbij sprake is van schending van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en pas als in het eigen land alle mogelijkheden zijn uitgeput. Ze doet dit samen met advocaat Wil Eikelboom die gespecialiseerd is het voeren van internationale procedures. Beide advocaten vinden dat de Nederlandse staat de dood van Azhar Jaloud onvoldoende heeft onderzocht.

Geduld is een schone zaak bij het internationaal recht, want bijna zes jaar later, op 19 februari dit jaar, wordt de zaak Jaloud door de rechters van het EHRM aangehoord. Bij de voorbereidingen blijkt dat elf belastende verklaringen over de Nederlandse luitenant, opgesteld door de Marechaussee, uit het onderzoeksrapport waren gehaald. Daarin staat dat Iraakse agenten níet hebben gevuurd. Over dit achterhouden spreekt Zegveld als van 'meineed door het Arnhems Openbaar Ministerie'. Uit de verklaringen blijkt nogmaals dat de Nederlander als enige heeft geschoten. Tot een rechtszaak in Nederland is het mede door het achterhouden van bewijsstukken nooit gekomen. Onduidelijkheid blijft wel bestaan over een rapport van de Marechaussee dat noteert dat de auto ook inslagen heeft van een zwaarder kaliber kogel, mogelijk uit een AK-47.

De malversaties en leemtes in de zaak Jaloud zijn extra pijnlijk omdat in 2007 twee commissies, de Commissie Van den Berg en de Commissie voor Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) vaststelden dat er geen doofpotcultuur bestaat om vieze zaakjes in Irak onder de pet te houden. Die bewering houdt niet langer stand.

Strafvervolging

Voor Nederland was het overigens de eerste keer dat een nabestaande van een burgerdode in het buitenland aandrong op strafvervolging van een Nederlandse militair op missie. Een eventuele veroordeling kon verstrekkende gevolgen hebben. Azhar Sabah Jaloud is een van de zes ongewapende Irakese burgers die door Nederlands geweld bij en rond wegblokkades om het leven zijn gekomen. De mobiele controleposten waren slecht verlicht en onoverzichtelijk ingericht, waardoor automobilisten in verwarring raakten. Waarop militairen begonnen met schieten zonder dat op hen werd geschoten. Bij andere acties raakten een bewaker en een vrachtwagenchauffeur ernstig gewond.

Het oordeel van EHRM betekent ook dat nabestaanden van burgerslachtoffers tijdens de Nederlandse missie in de Afghaanse provincie Uruzgan (1 augustus 2006 – 31 augustus 2010) makkelijker een rechtszaak kunnen beginnen tegen de Nederlandse staat. Daarvan zijn ook veel getuigenissen opgetekend. Tevens kunnen slachtoffers van de huidige missies in Irak, zoals van de bombardementen van de F-16's (vanaf oktober 2014), en de stabilisatie missie in het Afrikaanse Mali (vanaf april 2014) met de jurisprudentie van het EHRM makkelijker vervolging eisen van de betrokken militairen en schadevergoeding van de Nederlandse staat eisen.

Het ministerie van Defensie in Den Haag laat weten dat de uitspraak van het EHRM door juristen wordt bestudeerd en dat daarom geen reactie kan worden gegeven over de eventuele consequenties voor de lopende missies.

***

Wie het EHRM-vonnis wil nalezen: http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx#_Toc404242973

In 2007 zond Zembla de documentaire Nederlandse kogels, Irakese doden uit met veel interviews die ik toen heb gehouden.

 

    Arnold Karskens is Neerlands meest onafhankelijke en ervaren oorlogsverslaggever. Muckraker. Nachtmerrie voor nazi’s en andere oorlogsmisdadigers. Auteur van tienŒ boeken. Onderzoeksjournalist die nooit ‘nee!’ als antwoord accepteert. Lastig, dwars & gehaat door zijn vijanden, maar Last Man Standing voor mensenrechten en vrijheid van meningsuiting.