Het probleem van de Nederlandse IS-vrouwen in Noord-Syrië lijkt een abces dat niemand wil doorprikken, hoewel het ongenadig blijft jeuken. Tientallen vrouwen zitten met hun kinderen in door Koerden beheerde kampen. De meesten willen terug naar Nederland, maar Den Haag, gesteund door de publieke opinie, werkt niet mee. Deze passieve houding is een recept voor rampspoed, zeggen steeds meer experts. Verslag van een explosief dilemma.

STEUN RO

DOOR THIJS BROEKKAMP, ALICE PAP, SISKA PATER, CARL STELLWEG en MARIANNE VAN DE WERKEN

Zelfs in november is de zon meedogenloos heet in Noord-Irak. We leren er Hewan Omer kennen. Ze werkt als lokale manager van de Free Yezidi Foundation in het vluchtelingenkamp Khanke. Regelmatig moet ze in de schaduw bijkomen. Van de hitte, maar ook van opgehoopte frustratie. Ze loopt door het kamp waar 17.000 Jezidi’s al bijna zes jaar wonen – een van de vele kampen in de regio. Op 3 augustus 2014 veroverde IS het woongebied van de Jezidi’s in noordwest-Irak en richtte er een bloedbad aan. Vijftigduizend inwoners sloegen op de vlucht. Na al die jaren kunnen de meeste vluchtelingen nog steeds niet terug naar huis.

Het gebrek aan hulp zit Hewan erg dwars. ‘Het is nu zes jaar later, politici vergaderen erover, maar er gebeurt niets. Hoe lang zitten we hier nog vast? In de winter zijn er overstromingen, in de zomer is het verschroeiend heet, er zijn vaak branden en er is bijna geen werk. Deze tenten zijn niet gemaakt om jaren in te leven.’ De hopeloosheid blijkt ook uit toenemende zelfmoordcijfers.

Jezidi-kinderen in het kamp Khanke in noord-Irak. ©Orlastraz/Wikimedia
Jezidi-kinderen in het kamp Khanke in noord-Irak. ©Orlastraz/Wikimedia

Gevoegd bij al die ellende is de verbittering onder Jezidi’s over de lichte straffen die met name IS-vrouwen in Nederland tot nu toe hebben gekregen. Het is moeilijk om bewijs te verzamelen over wat de vrouwen precies hebben misdaan, en dus blijft de tenlastelegging vaak bepekt tot lidmaatschap van een terroristische organisatie. Dergelijke overwegingen zijn niet besteed aan Dalal Ghanim, een Jezidische farmaciestudente die met haar familie uit Irak naar Nederland vluchtte: ‘Twee jaar in een Nederlandse cel is een stuk comfortabeler dan zes jaar in een vluchtelingenkamp.’

Appels en peren? Feit blijft dat de slachtoffers lijken te zijn ondergesneeuwd in het debat over de Nederlandse IS-vrouwen. En dat doet pijn. De Jezidi-gemeenschap voelt zich aan haar lot overgelaten. Het steekt dat IS-vrouwen terug kunnen naar Nederland als het ze lukt een consulaat in de regio te bereiken, terwijl de meeste Jezidi’s geen asiel krijgen. De situatie in Irak zou immers weer veilig zijn. Is dat ook echt zo? Het is maar hoe je het bekijkt, meent Dalal. ‘Op 2 augustus 2014 was de situatie ook veilig. Op 3 augustus werden duizenden mensen vermoord en ontvoerd. Dat kan zo weer gebeuren.’

De slachtoffers lijken te zijn ondergesneeuwd in het debat over de Nederlandse IS-vrouwen. En dat doet pijn.

Mensen denken volgens Dalal te gemakkelijk dat de wandaden jegens de Jezidi’s voorbije geschiedenis zijn. ‘Ze vergeten de gevolgen. In totaal hebben we het over een half miljoen vluchtelingen, die alles kwijt zijn. Er is een collectief trauma, en hulp blijft uit. De vrouwelijke Syriëgangers die wél terug kunnen krijgen na een relatief korte gevangenisstraf een normaal leven.’

Dalal heeft weinig begrip voor de kalifaatvrouwen die beweren dat ze niet hebben deelgenomen aan IS-wreedheden en daar soms niet eens weet van zouden hebben gehad. Weliswaar worden vooral mannen verantwoordelijk gehouden voor de gruwelen die namens het kalifaat werden gepleegd, maar vrouwen droegen hun steentje bij. Ze hielpen bij verkrachtingen, juichten mishandeling toe of maakten zich er zelf schuldig aan. Althans volgens getuigenissen van overlevenden en studies. ‘Ze zijn direct of indirect verantwoordelijk voor het faciliteren van de misdaden van IS,’ zegt Dalal. ‘Ik ken persoonlijk Jezidi’s die zijn ontvoerd en mishandeld door Europese uitreizigers. Naar getuigenissen wordt niet gevraagd.’

In Duitsland gebeurt dat wel, met onlangs het allereerste proces waarin een IS-man en zijn vrouw terechtstaan voor genocide en oorlogsmisdaden. Een Jezidi-vrouw die twee jaar door het stel werd gegijzeld, getuigt in de zaak.

‘Veel massagraven in de regio bevatten bewijsmateriaal’, zegt Amjad-Al Karaf, medeoprichter van een platform voor Jezidi’s, die in 2011 naar Nederland vluchtte. ‘Meer dan tachtig van die graven zijn in kaart gebracht, maar tot nu toe zijn er niet meer dan achttien geopend. We zijn bang dat bewijsmateriaal verdwijnt.’

Genoeg reden dus om passende berechting van Syriëgangers uiterst serieus te nemen. En het ontbreken van mogelijkheden daartoe in Nederland te zien als een zwaarwegend ethisch en juridisch bezwaar tegen repatriëring.

Toch lijkt een kanttekening op zijn plaats. Misschien wel een hele reeks kanttekeningen.
Criminologe Marion van San, die onderzoek deed naar (de)radicalisering en daar een boek over schreef, verzet zich tegen het over één kam scheren van alle IS-vrouwen. ‘Het is geen homogene groep. Zijn ze allemaal medeplichtig? Absoluut. Veel IS-vrouwen die ik sprak hadden het vooral over zichzelf en niet over slachtoffers. Dat is tekenend. Maar ik weet niet op welke schaal ze betrokken zijn geweest bij de misdaden tegen Jezidi’s.’

De IS-vrouwen zaten volgens Van San veelal thuis. ‘Ik betwijfel of ze veel van het geweld met eigen ogen hebben gezien. Dat vertellen ze zelf. Maar ook als je het optreden van IS als beweging onder de loep neemt, blijkt dat vrouwen geen wapens kregen, behalve op het laatst. Je ziet hooguit een vrouw met een kalasjnikov op een foto, en dat was vooral propaganda. Voor IS lagen de taken van de vrouw thuis.’

 Veel IS-vrouwen die ik sprak hadden het vooral over zichzelf en niet over slachtoffers. Dat is tekenend.

Tom de Boer, die als advocaat optrad namens vrouwen die terugkeer naar Nederland eisten, zegt heel goed te begrijpen wat de Jezidi-gemeenschap dwars zit. ‘In het land waarnaar je bent gevlucht, wil je niet opnieuw oog in oog staan met iemand die het gedachtegoed aanhangt waaronder je zo hebt geleden. De vraag is echter of de vrouwen – die Nederlands zijn – het recht hebben terug te keren naar het land waarvan ze de nationaliteit bezitten? Ja, en dus zullen ze dat recht vroeg of laat opeisen.’

De Hoge Raad besliste niettemin anders: de Nederlandse regering hoeft zich niet in te spannen voor repatriëring. Dit arrest stuit De Boer vooral tegen de borst vanwege de kinderen van de vrouwen, die per definitie onschuldig zijn en in de kampen geen enkel perspectief hebben. ‘Elk ander Nederlands kind was allang terug geweest, maar het gevoel leeft in de samenleving dat zij hier niet horen.’

Dat de IS-vrouwen in Noord-Syrië in een penibele situatie verkeren, is door eigen verkiezing, stelt het Nederlandse kabinet. Bovendien vindt de regering het te gevaarlijk voor ambtenaren om de vrouwen en hun kinderen op te halen. Oorlogscorrespondent Hans Jaap Melissen, die de regio goed kent, bestrijdt dit: ‘De MIVD komt regelmatig langs om vrouwen te ondervragen. De Amerikanen zijn bovendien bereid te helpen bij repatriëring.’

Het Ministerie van Defensie wil niet op Melissens beweringen reageren.

Het moet gezegd: bijna elk Europees land met Syriëgangers legt eenzelfde passiviteit aan de dag als Nederland. Uitzondering is het kleine Kosovo, misschien niet toevallig het enige Europese land met een in overgrote meerderheid islamitische bevolking. Anderhalf jaar geleden repatrieerde het met hulp van de Verenigde Staten ruim honderd IS-ers uit de Noord-Syrische kampen, vooral vrouwen en kinderen.

©David Liuzzo

Zij, en strijders die eerder terugkeerden, werden onderworpen aan deradicaliseringsprogramma’s. Dat gebeurde bijvoorbeeld door het ‘Institute for Security, Integration and Deradicalization’. Opmerkelijk is dat het om een NGO van spijtoptanten gaat, dus om mannen die hun radicale verleden afzwoeren. Zoals mede-oprichter Arbër Vokrri (40), tegenwoordig arts, maar in zijn jonge jaren islamist.

Hij heeft begrip voor de angst om IS-ers terug te halen, zegt hij in een Zoom-gesprek vanuit de Kosovaarse hoofdstad Pristina. ‘Toch is repatriëring de beste optie. Terroristen vinden altijd de weg terug naar hun land als ze dat willen. Bovendien is het een morele plicht de kinderen te redden. Doe het anders uit eigenbelang: laat je het na, dan heb je de jihadi’s van morgen al gekweekt. Je verkleint het gevaar dat terugkeerders vertegenwoordigen door ze te deradicaliseren. Een voorwaarde is wel dat je daar veel tijd in stopt.’

In Nederland bestaat de nodige scepsis rond de ‘deradicaliseringsindustrie’. De meeste Kosovaarse radicalen waren volgens Vokkri echter nog jong toen ze werden ‘gehersenspoeld door extremistische propaganda’. Dus zou je ze in principe weer kunnen deprogrammeren. ‘Hun kennis van religie is oppervlakkig. Waar ze vooral behoefte aan hebben is zingeving, een spiritueel houvast. Dat zocht ik zelf destijds ook. Probeer ze daarom niet met alle geweld van hun geloof af te brengen. Belangrijker is dat je ze het gevoel geeft van waarde te kunnen zijn voor een gemeenschap. Geef ze vooral ook iets te doen. En bedenk, ten slotte, dat deze investering zich kan terugverdienen: mensen die gederadicaliseerd zijn, willen heel graag ook anderen op het rechte pad terugbrengen.’

Skender Perteshi, expert van de Kosovaarse denktank KCSS (Kosovar Centre of Security Studies) zegt het clubje van Vokkri een warm hart toe te dragen (‘they’re friends’), maar heeft toch zijn bedenkingen. Religie speelt volgens hem wel een rol, maar geen hoofdrol bij deradicalisering. ‘Veel Syriëgangers kwamen uit criminele milieus en zijn voor hun recrutering individueel benaderd.’ Leveren ze bij terugkeer gevaar op? ‘Een klein percentage misschien, op de korte termijn. Uiteindelijk is niet terughalen gevaarlijker.’

Dan fronst hij zijn wenkbrauwen: ‘Laten we eerlijk zijn,’ zegt hij, ‘daarmee houden westerse regeringen zich toch helemaal niet bezig? Ze zijn gewoon bang dat terughalen stemmen kost. Hier in Kosovo zijn er nog zo veel méér problemen dat de kwestie lang niet zo’n heet hangijzer is.’

Beide Kosovaarse experts zijn het erover eens dat deradicalisering alleen kans van slagen heeft wanneer de eigen familie daarbij nauw wordt betrokken. Criminologe Van San onderschrijft deze visie, maar blijft somber over het effect van deradicalisering. ‘Je kunt er nog zoveel programma’s op loslaten, maar dat werkt niet als iemand zelf niet wil.’ Voor de kinderen is ze hoopvoller. ‘Met de juiste begeleiding krijgen ze hoogstwaarschijnlijk een vrij normaal leven.’

Laten we eerlijk zijn. Westerse regeringen zijn gewoon bang dat terughalen stemmen kost.’

Een ding lijkt vast te staan: in de Syrische kampen raken de vrouwen nooit uit de greep van IS, zelfs niet als ze dat werkelijk willen. In verband met haar onderzoek onderhoudt Van San contact met Belgische en Nederlandse kalifaatvrouwen. Een aantal kwam in Koerdische gevangenschap aanvankelijk redelijk gematigd over, maar doordat het uitzicht op terugkeer naar Nederland ontbreekt, verdampt vroeg of laat de motivatie om de beweging de rug toe te keren. ‘Ik wil mij niet meer aansluiten bij IS,’ zei een van hen tegen Van San, ‘maar in het kamp kan ik alleen zandhappen. Bij IS krijg ik tenminste brood.’

Het terughalen van de IS-vrouwen naar Nederland is dus ook in van Sans ogen uiteindelijk de minst slechte optie. ‘Ik kan niet uitsluiten dat ze een gevaar zullen vormen, maar hier kun je ze in ieder geval monitoren.’

Strafrechtadvocaat Tamara Buruma pleit eveneens voor repatriëring en berechting in Nederland. Waarom geen vervolging in Syrië en Irak zelf? Daaraan kleven ernstige bezwaren. De Syrische Koerden hebben de middelen niet, Irak is zeer kwistig met de doodstraf.

Bovendien, zo stelt Buruma, zal het verzamelen van bewijs overal moeilijk zijn. ‘Feit is,’ zo stelt ze, ‘dat vrouwen en onschuldige kinderen al langer dan drie jaar vastzitten zonder enige vorm van proces. De keus is dus niet tussen vervolging hier of vervolging daar, maar voor vervolging hier of geen enkele vorm van gerechtigheid. Niet voor de vrouwen, niet voor hun kinderen, en niet voor de Jezidi’s.’

Veel Jezidi’s hebben hun hoop gevestigd op een internationaal tribunaal, maar die is ijdel, meent Christophe Paulussen, senior onderzoeker bij het T.M.C. Asser Instituut (een kenniscentrum op het gebied van internationaal recht) en research fellow bij het International Centre for Counter-Terrorism – The Hague. ‘Dat kost allemaal tijd en geld, en er moet nú gehandeld worden. De kampen zijn lek, er verdwijnen steeds meer mensen onder de radar, een levensgevaarlijke situatie. Maak daarom gebruik van de middelen die je hebt: repatriëren en berechten.’

Dit is volgens Paulussen ook wat het OM en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid aanraden. ‘Maar de politieke wil ontbreekt. Politici zijn bang dat er een terreurdaad in Nederland wordt gepleegd onder hun bewindsperiode. Als ze er de komende jaren voor zorgen dat Nederland veilig is, zien ze hun taak als volbracht.’

Ter illustratie van de risico’s die een dergelijke kortzichtigheid met zich meebrengt haalt Paulussen een berucht voorbeeld aan uit een recent verleden: Camp Bucca in Irak, een gevangenis die de Amerikanen na hun invasie in 2003 hadden opgezet. Daaruit zijn de ISIS-netwerken voortgekomen. ‘Dus zeggen Amerikaanse experts nu: haal ze weg uit die kampen in Noord-Syrië, trek ze uit elkaar, je creëert een Bucca 2.0.’

Waarom een internationaal terrorismetribunaal geen haalbare kaart is? Dat zit hem al in de definitie van terrorisme: ‘Daarover is geen overeenstemming en dat is een enorm struikelblok,’ zegt Paulussen. Ook het Internationaal Strafhof, nota bene zetelend in Den Haag, biedt geen uitkomst. Syrië, bijvoorbeeld, is geen lid, en in dat geval is goedkeuring van de VN-Veiligheidsraad nodig. Die zal hoogstwaarschijnlijk uitblijven wegens een Russisch veto.

Is deelname van Syrië aan zo’n internationaal proces dan nodig? Paulussen meent van wel. Hij vindt het in ieder geval twijfelachtig om binnen de Syrische context alleen IS te berechten. ‘Dan laat je de misdaden van Assad buiten beschouwing, en die waren het talrijkst in de regio. Wanneer het uiteindelijke doel nationale verzoening is, kun je niet zo eenzijdig zijn.’

Waarom een internationaal terrorismetribunaal geen haalbare kaart is? Dat zit hem al in de definitie van terrorisme

Volgens Tamara Buruma is het bovendien de vraag of de vrouwen om wie het gaat belangrijk genoeg zijn voor berechting door een internationaal tribunaal: ‘Dat richt zich enkel op grote vissen, zo leert de geschiedenis.’

Paulussen begrijpt dat de getraumatiseerde Jezidi’s zich niet kunnen neerleggen bij de lichte Nederlandse straffen. Hij signaleert echter een hoopgevende ontwikkeling: ‘Europese landen experimenteren gezamenlijk op het gebied van oorlogsrecht. Aanklagers keken in het verleden vaak alleen naar IS-lidmaatschap, want dat was de snelste en eenvoudigste manier om tot een veroordeling te komen. Sinds kort zie je in Europa dat het OM op grond van bepaald bewijs verschillende aanklachten formuleert. Een foto van een strijder die poseert bij een lijk toont niet alleen lidmaatschap van een terreurorganisatie aan, maar is ook een oorlogsmisdaad. Zo kun je de straf opkrikken.

Wellicht nog belangrijker is dat er door deze werkwijze steeds meer gekeken wordt naar specifieke daden en niet enkel naar algemene aanklachten. ‘Dat is ook voor de slachtoffers van belang, want die willen uiteindelijk weten wat er precies met hun naasten is gebeurd’, aldus Paulussen.’

Al enige tijd bestaat er een Europees netwerk van officieren van justitie dat zich bezighoudt met genocide, misdaden tegen de mensheid, en oorlogsmisdaden. Steeds intensiever onderzoekt dit ‘genocide network’ hoe aan terreurzaken andere aanklachten kunnen worden gekoppeld, waardoor een straf hoger uitvalt.

De slachtoffers van IS hoeven de hoop op passende berechting in Nederland dus niet op te geven. Mits Den Haag in beweging komt. Want anders valt er helemaal niets meer te berechten. Dat is de wrange conclusie.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -
    Carl Stellweg is geboren in Beiroet en groeide op in Libanon, Egypte en Syrië. Als buitenlandverslaggever van het AD reisde hij het hele Grote Midden-Oosten af, en schreef hij honderden reportages, interviews, analyses en achtergronden. Sinds 2009 is hij freelancer. Hij publiceerde een roman en is medeoprichter van Het Grote Midden Oosten Platform.