De laatste plaats winnen. Het klinkt tegenstrijdig, maar dat is het niet als het om de Tour de France gaat. Daar proberen sommige renners opzettelijk laatste te worden, zodat ze de figuurlijke rode lantaarn mogen dragen. Want in de Tour de France wordt de drager van de lanterne rouge niet uitgefloten, maar juist toegejuicht.

STEUN RO

Lanterne rouge

Sport draait om winnen. Op elk niveau telt alleen de eerste plaats. Niemand wil laatste worden, want niemand wil een loser zijn of degraderen. De laatste plaats in de sport wordt vaak aangeduid als de rode lantaarndrager. Deze term refereert aan een rode lantaarn die vroeger aan de laatste wagon van een trein hing.

De term heeft waarschijnlijk bij de Tour de France zijn intrede in de sport gemaakt. Max Leonard heeft een boek aan het fenomeen gewijd: Lanterne Rouge: The Last Man in the Tour de France. Hij kwam bij het onderzoek voor zijn boek het begrip al tegen in krantenberichten uit 1919, het jaar dat de gele trui voor het eerst werd gedragen in de Ronde van Frankrijk.

Igor & Iker

Alle rode lantaarndragers delen dat ze de Tour de France hebben uitgereden. Ze hebben Parijs gehaald. Dat maakt van hen overlevers. Ze worden als verliezers aangeduid – sommigen voelen zich ook verliezers – maar ze hebben een groot percentage renners achter zich gelaten dat de finish niet eens heeft gehaald. Daarnaast hebben zij het langst van iedereen op de fiets gezeten. Arsène Millocheau had in 1903 maar liefst 64 uur, 57 minuten en 8 seconden langer gedaan over de eerste Tour de France dan de winnaar.

Ik was laatste omdat ik dat wilde zijn en Iker was laatste omdat hij niet beter kon

Er zijn twee soorten rode lantaarndragers. Zij die niet beter kunnen én zij die niet beter willen zijn. Leonard interviewde voor zijn boek meerdere rode lantaarndragers, waaronder de broers Igor en Iker Flores – in 2002 respectievelijk 2005 laatste in de Tour de France. Igor vertelt over de rode lantaarn: ‘Ik was laatste omdat ik dat wilde zijn en Iker was laatste omdat hij niet beter kon.’

Cultheld

Wim Vansevenant is met drie rode lantaarns in de Tour de France recordhouder. Hij liet op de Franse televisie weten waarom sommige renners opzettelijk laatste proberen te worden. ‘Waar kijken mensen naar die in de kranten het klassement bekijken? Naar de eerste en de laatste plaats. Die onthoudt men.’

Aangezien de naam van de rode lantaarndrager onthouden wordt, is hij commercieel gezien interessant voor organisaties van criteriums die al decennialang na de Tour worden gehouden. Dat betekent dat wielrenners ondanks de laatste plaats toch nog een som geld kunnen verdienen.

Daarnaast wordt er rond sommige dragers van de lanterne rouge een cultstatus gecreëerd. Iedereen herinnert zich nog hoe Kenny van Hummel in 2009 in zijn eentje over de bergen van de Tour de France zwoegde. Hij moest uiteindelijk afstappen, maar een cultheld was geboren. In 1999 lag heel Frankrijk aan de voeten van Jacky Durand. Niet vanwege zijn successen, maar omdat Dudu zowel de meest strijdlustige renner als de rode lantaarndrager was.

ASO

Renners simuleren lekke banden, gaan koffie drinken of verstoppen zich in de bosjes. In bergetappes kunnen renners veel tijd 'winnen', maar deze etappes brengen het risico mee dat men niet op tijd binnenkomt. Niet iedereen is blij met een strijd om de laatste plaats. De Ameury Sport Organisation (ASO) – de organisator van de Tour de France – hekelt renners die een wedstrijd maken van laatste worden. Alle aandacht hoort naar de winnaars te gaan en niet naar degenen die opzettelijk verliezen. De rode lantaarn is dan ook geen officiële prijs.

In 1979 voerden Gerhard Schönbacher en Philippe Tesnière de bekendste strijd om de rode lantaarn

De ASO heeft in het verleden maatregelen genomen om duels om de laatste plaats tegen te gaan. In 1979 voerden Gerhard Schönbacher en Philippe Tesnière de bekendste strijd om de rode lantaarn. Laatstgenoemde sloeg te ver door en finishte in de laatste tijdrit buiten de tijd. Schönbacher maakte van zichzelf vervolgens het middelpunt van alle aandacht door in de slotetappe vlak voor de finish op de Champs-Élysées de grond te kussen. De ASO besloot een jaar later bij de laatste etappes de laatste renner uit het klassement te halen, zodat niemand laatste wilde worden. Iedereen wil immers Parijs halen. Tot frustratie van de ASO én zijn ploegleider Patrick Lefevre slaagde Schönbacher er alsnog in om voor het tweede jaar op rij de lanterne rouge te winnen.

John Talen

Max Leonard heeft veel van deze bijzondere verhalen opgeschreven in het boek Lanterne rouge dat in april door Yellow Jersey Press is uitgegeven. Het is één van de mooiste wielerboeken van de laatste jaren, waarin Leonard de kunst van het willen verliezen achterhaalt. Hij achterhaalt het verhaal van Millocheau, interviewt Tony Hoar en laat Aad van den Hoek vertellen hoe hij in 1976 pech fingeerde, achter de pilaar van een brug stond te wachten tot het peloton voorbij kwam en hij als laatste over de streep kon komen.

De komende drie weken wijzen uit wat voor soort rode lantaarndrager de 101ste editie van de Tour de France krijgt. Iemand die niet beter kan of iemand die niet beter wil zijn. Misschien krijgt John Talen na twintig jaar eindelijk een Nederlandse opvolger. Het merendeel van de renners maakt zich geen illusie om mee te doen om de prijzen. Sommigen zullen ongetwijfeld het idee krijgen om dan maar de laatste plaats proberen in te nemen, in plaats van op een nietszeggende 83ste plaats te eindigen. Zij zullen proberen de laatste plaats te winnen om de lanterne rouge te mogen dragen.

Gepko Hahn (1990) is freelance journalist en historicus. Zijn voorliefde voor sport en geschiedenis combineert hij in achtergrondverhalen en prikkelende analyses over de sportwereld. Hoewel hij houdt van feitjes en cijfers, zullen zijn artikelen geen scorebordjournalistiek zijn, maar het werk van een onderzoeksjournalist die de Code van Bordeaux hoog in het vaandel heeft staan.