Augustus 2016, New York City. Mijn dochter is vijftien maanden oud. Ze wankelt enthousiast door de sproeiers in de speeltuin in Tompkins Square Park. De zon brandt. Ik zie hoe mijn vriendin Julia met mijn kind speelt. Ze is hier zoveel beter in dan ik, denk ik. Zoveel natuurlijker. Julia wil al heel lang een kind. In haar eentje. De intra-uteriene inseminaties zijn inmiddels al op twee handen te tellen. Elke paar maanden een behandeling, al bijna twee jaar. Vergeleken met die van haar, was mijn weg naar het moederschap veel minder een kwestie van wachten, hopen en plannen. Ik heb het ‘zomaar’ laten gebeuren, onbevreesd voor wat het leven mij zou kunnen geven. Ik was er klaar voor, dacht ik. Vandaag word ik zevenendertig. Enigszins ongerust volg ik Julia en mijn dochter over het houten klimrek en vraag ik me af of het moederschap ooit ‘natuurlijk’ zal aanvoelen. Of klopt de verwachting niet dat je moeiteloos zou kunnen veranderen van niet-moeder in moeder? En toch – hoelang gaat dit nog duren, dit schurende gevoel van onvermogen? Door Ilse Josepha Lazaroms

STEUN RO

Ik sluit mijn ogen en laat het opgewonden gelach van mijn dochter over me heen spoelen – als licht, feller dan de zon. In de maanden na haar geboorte verslind ik alle boeken die ik kan vinden over nieuwbakken moederschap van schrijvers in vergelijkbare posities – wat ‘oudere’, witte vrouwelijke auteurs. Ik herinner me niet meer waar, of hoe ik deze boeken tot me nam, waarschijnlijk ergens in de eindeloze leegte tussen de voedingen, maar ondanks mijn eigen onvervulde verlangen om te schrijven doet het me goed ze te lezen, alsof ik me voorbereid op de dag dat ook ik zal kunnen stilstaan en (al schrijvende) reflecteren op de storm die een pasgeboren baby is. De stapel groeit. Sarah Manguso, Maggie Nelson, Belle Boggs, Rivka Galchen; allemaal auteurs wier moederschap zich op papier presenteert als een onvermijdelijke noodzakelijkheid – hoe kun je hier niet over schrijven? –, een noodzakelijkheid die hun schrijverschap bovendien transformeert.

 

Zelf tijd worden

Op de bloedige route tussen huid en taal – want de noodzaak tot schrijven over moederschap komt voort uit niets minder dan de noodzaak om jezelf als mens te hervinden na een geboorte – blijkt dat de enige manier om uiting te geven aan de nieuwe realiteit het vinden van een nieuwe vorm is. Aforismen, korte zinnen, een paragraaf, drie pagina’s; een opvallende gelijkenis tussen de boeken is dat ze even veelzeggend zijn als beknopt. Het resultaat is essayistiek over moederschap die de grenzen van de taal opzoekt en expliciet een verhouding nastreeft met het lichaam dat deze teksten voortbrengt: het gewonde, vrouwelijk lichaam, dat, zo lijkt het, door het baren van een kind voor altijd is gespleten. Mijn eigen lijf, waarvan de vorm mij nu vreemd is, schreeuwt om erkenning, iets wat zich alleen maar via de taal kan verwezenlijken. Het heeft te maken met de verhouding tussen huid en realiteit. Mijn eigen ervaringen als kersverse moeder leerden me dat de nood aan een nieuwe uitdrukkingsvorm hoog is. Daarom was de vraag die me tijdens het lezen van de boeken steeds bestookte in hoeverre de essayistische, fragmentarische en experimentele stijl van deze auteurs samenhangt met de onderwerpen die ze bespreken: het lichaam, moederschap, geboorte, lust, verlies en liefde. Hoe onderzoekt deze nieuwe essayistiek de aard en de grenzen van de ervaring? Het confessionele schrijven van de jaren zestig, waaronder de poëzie van Anne Sexton en Sylvia Plath, die de ‘feminiene autobiografie’ tot literatuur verhieven, heeft zich in de loop der tijd ontwikkeld tot een geavanceerd literair schrijven dat balanceert op de rand tussen memoires en journalistiek. Niet langer wordt het moederschap behandeld als een marginaal, geïsoleerd thema, maar als een ervaring die integraal onderdeel uitmaakt van de geschiedenis, de cultuur, het menszijn. In 2001 schreef Rachel Cusk in A Life’s Work: On Becoming a Mother dat geboorte een vrouw van zichzelf scheidt: ‘Another person has existed in her, and after their birth they live within the jurisdiction of her consciousness. When she is with them she is not herself; when she is without them she is not herself; and so it is as difficult to leave your children as it is to stay with them. To discover this is to feel that your life has become irretrievably mired in conflict, or caught in some mythic snare in which you will perpetually, vainly struggle.’ Dit conflict benoemen was een activistische daad. Nu, zestien jaar later, is schrijven over de complexe, donkere kanten van het moederschap in volle gang – en de vorm waarin dit gebeurt geheel nieuw. Sarah Manguso weet in Ongoingness: The End of a Diary (2015) in 88 korte pagina’s de transformatie te beschrijven die zich in haar leven voltrekt na de geboorte van haar zoon. Het is een boek over existentiële thema’s: tijd en sterfelijkheid, en over de vraag hoe en waarom te leven. Sinds haar tienerjaren houdt Manguso koortsachtig een dagboek bij. In meer dan 800.000 woorden legt ze haar leven erin vast, om er grip op te krijgen, het niet te laten ontsnappen. Het opschrijven van de ervaring is daarbij belangrijker dan de ervaring zelf – om te voorkomen, zegt ze, dat ze ‘in de tijd oplost’. Om de voortgang van de tijd in de hand te houden, de dood van zich af te schrijven. Wat haar zorgen baart, is dat dingen die ze niet opschrijft, de gapende leegtes tussen de momenten die op papier terechtkomen, wegslinken in het witte gat van de tijd. Daarom schrijft ze zo veel mogelijk op. Totdat ze moeder wordt. ‘I began to inhabit time differently,’ noteert ze. ‘It had something to do with mortality.’ Het verwateren van haar dwangmatige schrijven begint al tijdens de zwangerschap. Ze kan niets onthouden, de herinneringen laten los, en het dagboek helpt niet. Als haar zoon is geboren, ontstaat er tussen het voeden van haar baby eindeloos veel verloren, lege wachttijd. Manguso ervaart dat haar lichaam het landschap wordt waarin haar zoon kan groeien: ‘The mother becomes the background against which the baby lives, becomes time. I used to exist against the continuity of time. Then I became the baby’s continuity, a background of ongoing time for him to live against.’ In plaats van de tijd krampachtig in haar greep te willen houden, wordt ze zelf tijd; ze wordt decor, vruchtbare bodem voor haar zoon. De eerste achttien maanden van zijn leven beleeft ze louter als directe ervaringen – niets van dit alles geraakt op papier. Niet meer haar eigen schrijven, maar het lichaam van haar zoon is het bewijs dat de tijd voorbijgaat: zijn haar groeit, tandjes komen door. Zijn bestaan is woordeloos, zijn lichaam ‘een instrument van herinnering’, (nog) niet van taal. Vaak is, paradoxaal genoeg, het eerste wat je voelt als het allerergste gebeurt opluchting. Er is dan namelijk geen reden meer voor angst. Zo ook voor Manguso. Opeens bestaat haar leven niet meer uit vastgelegde, opgeschreven beginmomenten en eindes, maar uit een continue stroom van ‘voortdurendheid’. Ze bevecht haar sterfelijkheid niet langer met een jachtige woordenstroom, maar realiseert zich dat je moet vergeten om te kunnen leven. Langdurige deelname aan het leven vraagt van je dat je het grootste gedeelte van de meegemaakte momenten vergeet – iets wat voor een schrijver moeilijk te accepteren is. Met deze realisatie verandert ook de functie van literatuur – schrijven is niet langer een vorm van vastleggen, maar een vorm van leegmaken: ‘The experience is no longer experience. It is writing. I am still writing. And I’m forgetting everything. My goal now is to forget it all so that I’m clean for death. Just the vaguest memory of love, of participation in the great unity.’ Het tijdperk van Manguso’s dagboekmanie is ten einde: waar ze voordat ze moeder werd 800.000 woorden aan zou wijden, past nu op 88 pagina’s. Haar breuk met de tijd, of met het najagen ervan, zorgt voor ruimte, en licht.

 

Jezelf ‘ont-breken’

Voor Maggie Nelson, die in De Argonauten (2015) de monsterachtigheid en de queerness van zwangerschap en geboorte onderzocht, is schrijven ook een oefening in het creëren van leegte, van ruimte. Dit jaar verscheen bij Jonathan Cape de Britse versie van haar bundel aforismen, Bluets, die in de Verenigde Staten al in 2009 uitkwam. Het is een verzameling – 95 korte pagina’s – van 240 stellingen of proposities, die Nelson ‘bluets’ noemt. Samen zijn ze haar ode aan de kleur blauw, waarop ze, als betoverd, verliefd werd; een kleur die haar leven en haar denken beïnvloedt. Wat is een kleur, vraagt ze, als die niet aan een object toebehoort maar eerder een lichtinval is, uitwisbaar als de wind? ‘A warm afternoon in early spring, New York City. We went to the Chelsea Hotel to fuck. Afterward, from the window of our room, I watched a blue tarp on a roof across the way flap in the wind. You slept, so it was secret. It was a smear of the quotidian, a bright blue flake amidst all the dank providence. It was the only time I came. It was essentially our lives. It was shaking.’ Nelson schrijft over blauw zonder blauwe objecten die haar dierbaar zijn te noemen: ze wil het risico niet lopen dat het schrijven de herinnering vervangt. In plaats daarvan wil ze ruimte scheppen, haar lichaam en geest leegmaken zodat ze nog meer blauw kan absorberen. Nog meer liefde, meer licht. ‘I am writing all this down in blue ink, so as to remember that all words, not just some, are written in water.’ Het gaat haar om de illusie van kleur, die, ondanks dat ze geen ding is in de wereld, wel degelijk van waarde kan zijn, omdat ze aanleiding kan geven tot nieuwe, betekenisvolle associaties, eigenlijk net zoals de taal dat kan. Voor Nelson beslaat deze illusie niet alleen het domein van de visuele waarneming, maar ook van de emotie. ‘Perhaps it is also [the illusion] of love. But I am not willing to go there—not just yet. I believed in you.’ Nelson treurt terwijl ze Bluets schrijft om het verlies van een geliefde, op hetzelfde moment dat een goede vriendin, die na een auto-ongeluk verlamd is geraakt, treurt om haar lichaam. In Bluets gaat het niet direct om het moederschap, maar om het lichaam, en hoe dit lichaam, dat een vrouw toebehoort, zich verhoudt tot de realiteit. Nelson praat niet over ‘de liefde bedrijven’ – bij haar is het ‘fucking’. Het is ruw en direct, en altijd is er de kans dat het pijn doet. Net zoals haar lichaam de pijn, maar ook het genot, die het ervaart moet vergeten om door te kunnen leven, zo moet haar geest ruimte scheppen om te kunnen blijven creëren. De korte aforismen, waarin Nelson een doorlopende dialoog voert met twee denkers die haar hebben beïnvloed, Goethe en Wittgenstein, zijn als een nest waarin ze zich thuis voelt; van hen heeft ze onder meer haar besef van de vluchtigheid en kwetsbaarheid van het menselijk bestaan. Maar woorden zijn geen objecten, en bouwen dus niets. Haar bouwstenen zijn van lucht, de aforismen pareltjes van verdriet. Nelson maakt het gemis van een geliefde weer heel – ze ‘ont-breekt’ het – door middel van de taal. De fragmenten hangen aan elkaar met dunne draadjes, gedachtesprongen over het gemis. De ‘heelheid’ die door Nelsons taalgebruik ontstaat doet echter niet alsof er nooit een breuk tussen haar en haar geliefde heeft plaatsgevonden. Nee, het is een ‘heelheid’ die erkent dat die breuk nog steeds impact heeft op haar leven. Hij heeft haar bestaan gefragmenteerd, en de fragmenten zullen nooit meer naadloos aan elkaar passen, maar slechts door nieuwe, inventieve, fragiele draadjes verbonden kunnen worden. Het zijn hoopvolle projecties, net als kleur. Waarom blauw? vragen mensen haar vaak. ‘We don’t get to choose what or whom we love, I want to say. We just don’t get to choose.’ Net als in De Argonauten zijn Nelsons ideeën meedogenloos. Net als je denkt, ja, zo is het! gaat ze een stap verder en trekt een scheur door haar eerdere gedachten. Bluets is een prelude op het lichaam dat jaren later haar kind zal baren – met geliefde Harry aan haar zijde, twee transformerende lichamen verbonden door liefde, en licht. Want Nelsons opvattingen van ‘heelheid’ leren haar de veranderingen te begrijpen die haar eigen lichaam en dat van Harry zullen ondergaan. Wat in Bluets nog een door verdriet gespleten lichaam was, wordt zes jaar later een bloedend, uit elkaar getrokken en gescheurd lichaam, dat, in plaats van aangetast of mismaakt te zijn, juist op weg is zichzelf te worden. Met de hechtingen in haar vel als bewijs dat haar lichaam voor altijd gespleten is – of, in het geval van Harry, dat zijn vrouwelijke lichaam niet past bij de innerlijke beleving van zijn persoon – realiseert Nelson zich dat ze, door middel van een transformatie die de kern van haar ziel raakt, een ‘heelheid’ heeft bereikt die haar mens-zijn voor altijd verankert in haar fysieke lichaam. Ook voor Rivka Galchen is geatomiseerde tekst de juiste vorm om uitdrukking te geven aan het leven als jonge moeder. In Little Labors (2016) doet ze in 130 pagina’s – soms een enkele zin, soms een kort essay – verslag van het leven met kind. Centraal staat de vraag hoe een ‘moeder-schrijver’ te zijn. Adequate literaire spiegels voor het moederschap ontbreken: de literatuur, zegt ze, kent ‘more dogs than babies, and also more abortions’. Als ze voorkomen, zijn baby’s vaak ‘catalysts of decay or despair’, wat ze, toegegeven, in het echte leven ook vaak zijn. Maar Galchen pleit niet voor meer baby’s in de literatuur, wel voor het inzicht dat baby’s de enige onder ons zijn die in maat lopen met de tijd. Vreemd is het dan ook niet dat je verhouding tot de tijd verandert als je constant – constant! – in het gezelschap verkeert van iemand die letterlijk de haast uit je lichaam zuigt. In het fragment ‘Notes on some twentieth-century writers’ onderzoekt Galchen de schaalverhouding tussen boeken en kinderen. Je raadt het al: veel vrouwelijke auteurs hebben of hadden geen kinderen, en de vrouwen die ze wel hebben publiceren aanzienlijk later, en minder: ‘Alice Munro: Three children. Two husbands. First story collection at age thirty-seven. Toni Morrison: Two children. First novel at age thirty-nine.’ In de marge noteer ik: ‘Anne Sexton: One child, Sylvia Plath: Two children. Tried. Went mad. Killed themselves.’ Galchen bekent dat ze sinds de geboorte van haar dochter voor het eerst ‘gender-envy’ ervaart. Niet vanwege de vele boeken die mannelijke auteurs schrijven, of ‘the higher incidence of ungrounded confidence and monomania’ – deze eigenschappen benijdt ze niet –, maar vanwege het feit dat een man een kind kan krijgen zonder dat, bijvoorbeeld, zijn partner hier iets vanaf weet. Met andere woorden: het allesomvattende dat een baby voor een vrouw betekent, wat begint met een lichaam dat omsloten – omvat – wordt door een nieuwe huid, een ander lichaam, kan voor een man een geheim blijven, een ongeplande passant, een heimelijk bestaan. Dit is wat Galchen benijdt: dat de ‘ik’ van de vrouw zich een weg moet banen door een moeras van verloren tijd, waar de ik van de man gewoon kan doorbestaan. Toch zegt ze: ‘A baby is a goldmine.’ Een goudmijn voor een schrijver, een vrouw, een mens. Zoals in iedere mijn kun je erin verdwalen. En in dit verdwalen, zo blijkt, ligt tegelijkertijd de mogelijkheid van literaire schepping.

 

Verhalen van een gefaald lichaam

Manguso, Nelson en Galchen beschrijven allemaal hun verhouding tot een lichaam dat verandert, maar ‘werkt’. Maar wat als je lichaam het laat afweten, als het ‘faalt’? Zowel Belle Boggs, in The Art of Waiting: On Fertility, Medicine, and Motherhood (2016), als Bregje Hofstede, in De herontdekking van het lichaam. Over de burn-out (2016), vertellen wat er gebeurt met je identiteit als je lichaam in opstand komt. Als het niet meer wil lopen of werken, of geen kind wil verwekken. Ook dan word je geconfronteerd met wachten, niet met de opgeloste tijd van het prille moederschap, maar met het wachten op iets waarvan je niet zeker weet of het ook gebeurt. Boggs, die jarenlang kampte met een onvervulde kinderwens, tekent de bijbehorende verhalen op die niet verteld worden, die niemand wil horen. Verhalen over falen en onzekerheid. De tunnel die het leven met onvruchtbaarheid is. Over hoe de jaren voorbijgaan, de tijd die wordt gemeten in een reeks van cyclussen, afspraken, testen en medicijnen. Over de kosten – de negen IUI-behandelingen die Julia heeft ondergaan hebben inmiddels al zo’n 20.000 dollar gekost – en de psychische pijn die onvruchtbaarheid veroorzaakt. Het falen van je lichaam, zegt Boggs, is een aanval op je identiteit die enorme mentale stress veroorzaakt, want hoe rouw je om het verlies van een droom of een wens? Net als Rivka Galchen verbaast Boggs zich over het feit dat de literatuur, die ons toch zou moeten kunnen voorbereiden of troosten, het laat afweten. ‘I am shocked by how little consolation there is for the infertile, or even those who are childless by choice and trying to live in a world that is largely fertile and family driven.’ Het kinderloze of kindervrije leven, dat een subversie is van de heteroseksuele relatie, wordt vaak gezien als bedreigend omdat in levens zonder kinderen het ‘anchoring effect’ van een traditioneel gezin ontbreekt. Juist om deze reden is het optekenen van kinderloze levensverhalen cruciaal. Zelfs als deze verhalen, die we in het dagelijks leven zo hard nodig hebben, falen en onbruikbaar worden in situaties van chaos en crisis – wat Boggs ‘the collapse of narrative’ noemt. Verhalen kunnen ons niet beschermen, maar toch leunen we erop. Boggs vindt deze verhalen over niet-traditioneel ouderschap in haar eigen leven en dat van haar vrienden, maar ook in de medische wetenschap, de sociologie en de geschiedenis. Haar essays scheppen ruimte voor de vele vormen die het leven met een kind – of een onvervulde kinderwens – kan aannemen, en op deze manier ontkracht ze het ‘gelukzalige beeld’ van een zwangere vrouw, waarin de meeste zwangere vrouwen zich, denk ik, sowieso niet herkennen. Bovendien onderbouwt Boggs de sociaal-culturele urgentie van projecten als die van Manguso, Nelson en Galchen: niet alleen is het standaardverhaal van de nucleaire familie op veel individuen niet van toepassing, ook de ervaring van het zwangere lichaam of het moederschap zelf is aan een zo primaire intensiteit onderhevig dat het traditionele, grotendeels patriarchale verhaal over ouderschap noodgedwongen aan geloofwaardigheid moet inboeten. Bregje Hofstede, in haar relaas over het ‘gefaalde lichaam’, vraagt zich af hoe de moeizame relatie met haar lichaam samenhangt met haar geslacht. Dat het lichaam een onderwerp van schrijven zou kunnen zijn, lag voor haar aanvankelijk niet voor de hand: ‘Van alle soorten werk is schrijven misschien het meest onstoffelijke. Verhalen verzinnen, ideeën verwoorden: puur geestelijke arbeid. Het lichaam is daarbij een last: het zeurt om onderhoud, staat in de weg. Zo dacht ik.’ Net als Manguso houdt Hofstede een dagboek bij, waarin ze zich meer thuis voelt dan als lichaam in de echte wereld. Als tiener ontdekt ze dat je veel beter ‘heel veel hoofd kon zijn en heel weinig lichaam’. En toch – als haar lichaam opeens niet meer meewerkt, realiseert ze zich dat ze het mis had: haar lichaam is dan wel een schrijvend lichaam, maar nog altijd een lichaam. Dat soms ook moeder is, of ziek, of onvruchtbaar. Er bestaat geen rigide onderscheid tussen lichaam en geest, er is sprake van ‘vervlechting’. Haar antwoord op een ontheemd lichaam is wandelen. ‘Zodra je loopt,’ zegt Hofstede, ‘wordt het daarom duidelijk – fysiek, onmiddellijk en grondig – dat jij zelf de enige werkelijke continuïteit van je bestaan vormt. Jouw lichaam is je enige container. Wandelen is, op het meest fundamentele niveau, het vaststellen van eigenheid.’ Wandelen is een vorm van ongoingness. Want ook de burn-out vraagt in een wereld waarin het ‘prikkels regent’ om leegte, om ‘het bewaken of heroveren van een eigen ruimte, een ledigheid’. In de mentale ruimte, de innerlijke stilte die wandelen schept, kun je schuilen. Het lichaam beweegt zich nou eenmaal door de wereld; je kunt het niet wegdenken.

 

Like a natural woman

In haar nieuwe bundel 300 Arguments (2017) komt Manguso tot een vergelijkbare conclusie over het verband tussen schrijver zijn en een lichaam in de wereld zijn: ‘My least favorite received idea about writing is that one must find one’s voice, as if it’s there inside you, ready to be turned on like a player piano. Like character, its very existence depends on interaction with the world.’ Het soort schrijver dat je bent of wordt is verweven met de ervaringen die jij, in jouw lichaam, meemaakt. Moeder worden maakt je hiervan bewust: na het krijgen van een kind is ‘unchallenged selfhood’ niet langer mogelijk. Als schrijver-moeder kun je nooit ‘zomaar’ schrijven, sta je altijd voor de vraag: zijn deze woorden het waard om mijn kind een hele dag niet te zien? Manguso is zich bewust van het postnataal schrijven: ‘Slowly, slowly, I accumulate sentences. I have no idea what I’m doing, until suddenly it reveals itself, almost done.’ Maar geldt dit wel alleen voor postnataal schrijven? De taal, zegt ze, is niet genoeg om de wereld te beschrijven; deze realisatie zou het begin van alle schrijven moeten zijn, vanuit hier zou iedere schrijver moeten proberen de capaciteit van de taal te vergroten. ‘I like writing that is unsummarizable, a kernel that cannot be condensed, that must be uttered exactly as it is.’ 300 Arguments is een boek waarvan je iedere zin woord voor woord zou willen citeren, bewaren, onthouden – net als iedere seconde met je pasgeboren kind. Mijn dochter is nu twee jaar en negen maanden. De gedachte dat er iets ‘natuurlijks’ zou moeten zijn aan het moederschap, het getransformeerde of verdubbelde lichaam, ben ik inmiddels kwijt. Ergens wist ik al langer dat de gedachte niet klopte – sinds ik, als studente gender studies in Utrecht, begreep dat Aretha Franklin niet voor niets zingt: ‘You make me feel like a natural woman.’ Like a natural woman, want de natuurlijke vrouw bestaat niet. Moederschap, als thema in de literatuur, maakt dit des te duidelijker. Voor alle besproken auteurs nestelt de tekst zich bovenal op de huid; door de huid komen de woorden naar buiten. ‘Je schrijft met je lijf,’ zegt Hofstede. Hun teksten zijn scherp en beknopt omdat dit is wat het leven met een baby of een ‘gefaald lichaam’ biedt: een uitdrukking van de tien minuten hier, het korte uurtje daar, dat zich opent tussen de ‘voortdurende dag’ – die maanden of jaren kan duren – van voeden en zorgen of pijn hebben. Het zijn momentopnames van helderheid en concentratie. ‘Finally,’ zegt Manguso, ‘a form I’ll always have time to write – but of course it demands more than time.’ Het lichaam dat een ander lichaam voortbrengt ervaart het ‘erna’ in een nieuw licht – een licht dat feller is dan de zon.