Elf uur en vijf minuten duurde de tenniswedstrijd tussen John Isner en Nicolas Mahut op Wimbledon in 2010. Zo bont maken de tennissers het tijdens de competitie in ons land niet, maar de wedstrijden mogen wel wat korter vindt de tennisbond. Zij introduceert daarom dit voorjaar een aangepaste telling. Wat zijn de gevolgen?

STEUN RO

“Radicaal”, noemt Yoran Verschoor het besluit van de bond. Verschoor is sportpsycholoog en tenniscoach, en speelt mee in de heren eredivisiecompetitie. “Deze telling geeft een nieuwe dimensie aan de sport. Als psycholoog vind ik de aanpassing uitdagend omdat het voor extra spanning zorgt en aanspraak doet op de mentale veerkracht van een speler. Maar als categorie twee tennisser ben ik minder enthousiast omdat het met name het fysieke karakter van tennis inperkt. Eén van de charmes van de sport is de lange derde set waar het op vechtlust aan komt, die gaat nu verdwijnen.”

Verschoor heeft het hier over tennis, de sport met sowieso al een eigenaardige telling (zie kader ‘De telling bij tennis: een stukje geschiedenis’). Een telling die in de loop der jaren regelmatig veranderde en die op de Nederlandse banen dit voorjaar verder opgeschud wordt door een nieuwe regel van de tennisbond. De bond, met zo’n 600 duizend leden de tweede sportbond in ons land, zet in op een groei van het aantal competitiespelers de komende jaren. Maar omdat daar wel plek voor moet zijn -voldoende banen dus- krijgen thuisspelende clubs de mogelijkheid om ‘compact’ te spelen. De verandering? Bij deuce (40-40) wordt een beslissend punt gespeeld (waarbij de ontvanger bepaalt vanaf welke kant de serveerder opslaat) en bij een stand van 1-1 in sets volgt geen volledige derde set maar een tiebreak tot en met de tien (een wedstrijdtiebreak).

Tijdwinst

Dat een tenniswedstrijd hierdoor korter gaat duren, ligt voor de hand. Vergeet echter niet dat het overgrote deel van de tijd tijdens een tenniswedstrijd niet opgaat aan het spel zelf maar aan het wachten tussen punten, het wisselen van kant, het rapen van ballen en andere ‘randzaken’. De Australische statisticus John Croucher onderzocht de effectieve tennistijd tijdens alle wedstrijden van de mannen en vrouwen op de French Open in 1991 en constateerde dat gemiddeld genomen in één uur wedstrijd op het Parijse gravel er slechts een kwartiertje daadwerkelijk getennist werd. Op snellere banen waren de effectieve speelminuten nog minder in aantal, zo bleek uit Crouchers observaties op de US Open en Wimbledon. Op het hardcourt van Flushing Meadows was de bal iets minder dan tien minuten per uur in het spel. Hetzelfde gold voor de damespartijen op het gras van Wimbledon maar bij de heren werd er écht amper getennist: Croucher noteerde in Londen een effectieve speeltijd van drie minuten en 42 seconden in één uur tennis.

Nu zijn dit cijfers van profs die, met name op het snelle gras van Wimbledon, met een dominante service en effectieve slagen de rally’s kort kunnen houden. Een andere situatie dan veel wedstrijden in de Nederlandse competitie waar ook minder getalenteerde tennissers een balletje slaan. Volgens de bond levert het compact spelen een tijdwinst van een kwartier per wedstrijd op: de gemiddelde duur ervan gaat van anderhalf uur naar één uur en een kwartier. De tijdwinst zit hem vooral in de wedstrijden waar tegenstanders aan elkaar gewaagd zijn. Die lopen immers vaak uit op een derde set en hebben regelmatig deuce op het scorebord staan. Met andere woorden, de duur van een wedstrijd tussen een sterke speler die met 6-1 6-1 over zijn veel zwakkere opponent heen walst, zal amper korter worden met compact spelen, maar die van een pittige driesetter van 6-7, 6-4 en 7-5 tussen twee spelers die weinig voor elkaar onder doen, wél.

Alleen al de vervanging van een volledige derde set door een wedstrijdtiebreak kan volgens berekeningen van sportdata analist Jeff Sackmann een driesetter met bijna een half uur verkorten. Althans, bij enkelwedstrijden van proftennissters. Sackmann zette alle 1915 enkelpartijen in de damestour van 2016 op een rij. Een kwart van de wedstrijden duurde langer dan twee uur. Logischerwijs waren de meeste hiervan een driesetter waarin een gemiddelde van 63 punten gespeeld werd. Dat zijn aanzienlijk meer punten dan het verwachte aantal in een wedstrijdtiebreak, waar de speler die als eerste (met minimaal twee punten verschil) tien punten wint aan het langste eind trekt. De tijdwinst die dit oplevert wordt echter deels opgeheven door het feit dat een punt in een tiebreak langer duurt dan in een gewone set, namelijk 54 om 42 seconden (inclusief wachten en wisselen). Sackmann nam dit verschil mee in zijn analyse: bij een gemiddelde van 19 punten zou een wedstrijdtiebreak 17 minuten duren. Een winst van 27 minuten ten opzichte van de 44 minuten die een volledige derde set gemiddeld aan tijd kost.

Hierbij steekt de geschatte tijdwinst van het beslissend punt bij deuce schril af, zo laat een volgende analyse van Sackmann zien. Hij bekeek 3600 heren enkel wedstrijden in het Challenger circuit, zeg maar de eerste divisie bij tennis, en vond dat in een kwart van de gespeelde games deuce op het scorebord stond. Een game met deuce telde gemiddeld genomen 9,7 punten; het toepassen van beslissend punt bij deuce (waardoor er maximaal 7 punten in een game gespeeld worden) betekent een afname van 2,7 punten in zo’n game maar voor alle games samen slechts een afname van 0,65 punt per game. Gaan we uit van tien games in een set (een stand van 6-4), dan zal het beslissend punt bij deuce 6 à 7 punten in een set schelen. Een paar minuutjes maar, aldus Sackmann.

Big points

Compact spelen betekent derhalve het einde van de lange driesetter. Een gemis voor de tennisser die het juist van strijdlust en uithoudingsvermogen moet hebben. Verschoor: “Een lange driesetter is vaak een slijtageslag, fysiek én mentaal. Bij een achterstand van 4-1 moet een speler niet alleen de conditie hebben, maar het ook kunnen opbrengen om te blijven vechten. Dat verandert nu. De fysiek fittere speler komt minder aan zijn trekken.”

Aan de andere kant komt juist de mentaal sterkere speler bovendrijven, geeft Verschoor aan. “Maar die bezit wel een ander soort mentale kracht dan waar een lange driesetter om vraagt. Er komen namelijk méér belangrijke en spannende punten.” Niet alleen de wedstrijdtiebreak zorgt hiervoor, dit doet zeker ook het beslissend punt systeem, bevestigt Franc Klaassen. Klaassen is hoogleraar internationale economische betrekkingen aan de universiteit van Amsterdam en schreef samen met Jan Magnus in 2014 het boek ‘Analyzing Wimbledon’. Aan de hand van een statistische analyse van alle punten die van 1992 tot en met 1995 tijdens de heren- en damesenkelwedstrijden op Wimbledon gespeeld werden, kregen Klaassen en Magnus inzicht in wat de écht belangrijke punten in een tenniswedstrijd zijn. In een game die beslist wordt op de klassieke manier (met twee punten verschil), is, uitgaande van een relatief sterke serveerder, 30-40 of nadeel een ‘big point’. Maar zoals het door Klaassen en Magnus ontwikkelde computerprogramma met de toepasselijke naam ‘Richard’ demonstreert: het beslissend punt op deuce is nog een slagje belangrijker omdat na afloop ervan de game sowieso voorbij is. Het is een alles of niets punt. Een mega ‘big point’ dus. Klaassen: “Deuce wordt compleet anders. Nu worden op links bijna altijd de belangrijke punten gespeeld terwijl op rechts méér punten worden gespeeld. In het nieuwe -beslissend punt- systeem worden links en rechts gelijk. Een speler met een sterkere service zal vaker gebroken worden, terwijl voor iemand met een zwakke opslag de kansen om zijn servicegame te winnen juist stijgen. Ja, je kunt dit met recht een gamechanger noemen.”

Toeval

Maar aan het toegenomen belang van het punt op deuce kleeft daarmee ook een belangrijk nadeel, zeggen Verschoor en Klaassen. Want deze regel zorgt ervoor dat een speler in het begin van een wedstrijd eerder overgeleverd wordt aan toevalligheden. Vooral als het niveauverschil niet heel groot is, hoeft op deuce het dubbeltje maar een paar keer verkeerd te vallen om een forse achterstand in games op te lopen. “Een goede speler heeft punten nodig om het toeval uit te filteren”, legt Klaassen uit. Hetzelfde speelt ook als de derde set wordt vervangen door een wedstrijdtiebreak. “Ten opzichte van een volledige derde set stijgen bij een wedstrijdtiebreak de kansen dat de zwakkere speler wint. Goede spelers krijgen minder punten te spelen om hun kwaliteit te laten zien.”

Voor heel wat competitiespelers die nog niet zo ervaren zijn in het spelen van spannende punten, kan het al snel teveel worden, vermoedt Verschoor. “Hoe met die spanning om te gaan, daar draait het om. Dat onderscheidt de toppers van de mindere goden. De mindere goden gaan onder druk inhouden of anders serveren, dat moet je juist niet doen.” Klaassens analyse van drie jaar Wimbledon bevestigt dit. Terwijl de echte toppers schijnbaar onverstoorbaar ieder punt op eenzelfde manier benaderen, spelen subtoppers net even anders wanneer het er om spant.

Voordeel

Punt voor punt spelen is het devies voor elke tennisser, ongeacht de stand en het belang van het punt. De speler die dat het beste kan, zal geen spanning ondervinden van compact spelen. Maar het leeuwendeel van de competitiespelers in Nederland benadert een tenniswedstrijd toch even anders, weet ook Verschoor. Voor hen heeft hij wat tips. “In ieder geval moet een speler niet op de baan gaan klagen dat het nieuwe systeem zo oneerlijk is. Hij moet het juist leren om te draaien, dat gaat het snelst door er op te trainen. Zo leert een speler om allereerst de charme van de verandering in te zien en vervolgens te kijken of hij er een voordeel uit kan halen, bijvoorbeeld omdat hij een voorkeurskant heeft om te ontvangen.”

Bij deuce mag de ontvangende speler namelijk bepalen vanaf welke kant er geserveerd gaat worden. En dat biedt kansen zolang de ontvangende speler maar uitgaat van zijn eigen kracht, zegt Verschoor. “Een speler die zijn kwaliteiten goed kent, heeft voor de wedstrijd al een keuze gemaakt op welke kant hij wil ontvangen. Als dat bij het eerste beslissend punt verkeerd voor hem afloopt, jammer dan, maar het is geen reden om meteen de volgende keer voor een andere kant te kiezen. Pas als in de loop van de wedstrijd het duidelijk wordt dat de tegenstander vanaf de andere kant echt slechter serveert, dan kan de speler alsnog besluiten om te veranderen. Maar alleen op basis van zijn eigen objectieve waarnemingen en gevoel.” Om vanaf het begin van een wedstrijd elk punt te gaan analyseren om tot een goede afweging te komen, raadt Verschoor dan ook af. “Te veel analyse en goed tennissen, dat gaat vaak niet samen.”

De telling bij tennis: een stukje geschiedenis

Roger en Rafael, het zouden zo maar twee Franse heren in de Middeleeuwen kunnen zijn die het ‘jeu de paume’ speelden. Het ‘spel met de handpalm’ wordt gezien als de voorloper van het moderne tennis. De rare telling die tennis kent, heeft de sport dan ook aan deze oorsprong te danken. Omdat 60 destijds voor de Fransen het belangrijkste getal was (denk ook aan de onderverdeling van een uur in 60 minuten en van een minuut in 60 seconden), was het logisch om een game in vier punten van 15 op te delen. Waarom dan het derde gewonnen punt in de game ogenschijnlijk slechts 10 oplevert (immers na 15 en 30 volgt 40)? Dát en wat andere gekke termen heeft de sport te danken aan de Engelsen toen zij het tennis oppikten. ‘Forty-five’ werd door hen al snel verhaspeld tot ‘forty’ en l’oeuf, wat in het Frans ook nul aanduidt, tot ‘love’. Een zelfde lot onderging ‘a deux du jeu’. Deze term die aangaf dat spelers nog twee punten verwijderd waren van een game, verbasterden de Engelsen tot het welbekende ‘deuce’. Die oorspronkelijke betekenis verliest deuce dus volledig wanneer een beslissend punt gespeeld wordt.

Tennis mag dan als een conservatieve sport overkomen, feit is wel dat de telling in de loop van de geschiedenis regelmatig aangepast is om de sport aantrekkelijker te maken en de duur van een tenniswedstrijd in te perken. De Amerikaan Jimmy van Alen kwam in 1965 met de tiebreak op de proppen: deze werd bij een stand van 6-6 in games ingezet om tot een sneller einde van een set te komen. Van Alen stierf op 3 juli 1991; toen twee dagen later Stefan Edberg de halve finale op Wimbledon na drie tiebreaks van Michael Stich had verloren, grapte de Zweed: “Als Van Alen er niet was geweest, zouden Michael en ik nu nog bezig zijn met onze wedstrijd.” De tiebreak is inmiddels volledig ingeburgerd in het tennis; alleen in de laatste set van een paar Grand Slams wordt hij nog niet gespeeld. Met als gevolg dat een wedstrijd op Wimbledon nog steeds met 70-68 in de vijfde set kan eindigen, zoals gebeurde in de 11 uur en 5 minuten durende thriller tussen de Amerikaan John Isner en de Fransman Nicolas Mahut in 2010.

Het compact spelen –met het beslissend punt bij deuce en een wedstrijdtiebreak als vervanging van de laatste set- dat de Nederlandse tennisbond deze voorjaarscompetitie invoert, is binnen het profcircuit al zo’n tien jaar in gebruik. Maar alleen bij het dubbelspel en sowieso niet op de Grand Slam toernooien. Zo kan de heroïek van een lange vijfsetter op Wimbledon nog even bestaan. Want de ware tennisliefhebber moet er niet aan denken dat de legendarische finale tussen Rafael Nadal en Roger Federer in 2008 (6–4, 6–4, 6-7, 6–7, 9–7; winst voor Nadal na 4 uur en 48 minuten) compact zou zijn gespeeld. Het beslissend punt bij deuce zou zo maar voor een andere winnaar hebben gezorgd: in de eerste twee sets won Federer vier keer het eerste punt bij deuce op de service van Nadal, maar verloor uiteindelijk toch vier keer de game.

Jurgen van Teeffelen (1968) is freelance wetenschapsjournalist sinds 2014. Tot die tijd werkte hij als gepromoveerd fysioloog aan universiteiten in Nederland (AMC, Maastricht) en de Verenigde Staten (Yale). Data in plaats van meningen vormen de basis van zijn artikelen. Jurgen schrijft graag over wetenschap in relatie tot sport en bewegen. Hij is auteur van 'Het maakbare uur - een zoektocht naar de ultieme wielerprestatie' en mede-presentator van de 'Slimmer Presteren Podcast'.