De islam vormt dikwijls een fundamenteel onderdeel van het leven van de mensen in het Midden-Oosten. In het verleden schepten Syrische intellectuelen vaak op over de gematigde religiositeit in hun land; een vorm van islam die zich niet bemoeit met de politiek en het persoonlijke leven van de mensen, en die verschilt van de Saoedische extremistische, salafistische religiositeit.

STEUN RO

Het is waar dat in Syrië de gematigde islam de officiële islam was die werd gesteund door de prominente, religieuze geleerden en de bovenklasse van de handelaren in de grote steden zoals Damascus en Aleppo. Maar op het platteland en in arme steden was deze gematigde, liberale islam nooit erg geliefd, hoewel de religie een eenvoudig karakter had vanwege de politieke stabiliteit in Syrië, in het bijzonder na de onderdrukking van de islamitische opstand in de jaren tachtig door het regime.

Op het platteland en in sommige steden heerste grote werkloosheid onder jongeren. Bovendien besteedde de overheid geen aandacht aan publieke diensten in de plattelandsgebieden. In combinatie met het ontbreken van een cultuur van respect voor de mensenrechten en de democratie, ontstonden gemarginaliseerde gebieden. In deze geïsoleerde eilanden, ver van de grote steden, ademde men geen lucht van religieuze gematigdheid in. Men leefde daar, meer dan in andere gebieden, onder de tirannie van het stamverband, het sektarisme en het regionalisme. Niemand durfde daarover hardop te praten.

09/11

De verbreiding van een rigide uitvoering van de religieuze principes was ook het gevolg van de gebeurtenissen van ‘09/11’, de bezetting van Afghanistan en Irak en de religieuze overname van meer tv-kanalen.  Bovendien veranderde het regime rond die tijd zijn beleid tegenover extremistische groepen: het stond hun een grotere mate van vrijheid toe om acties in de gemeenschap uit te voeren, zoals het mobiliseren van jonge mannen, met name werklozen, om te vechten in Irak. Het leidde ook tot  de vorming van groepen in Aleppo die ingrepen in het leven van de mensen, zoals het agressieve optreden tegen winkels die alcohol verkochten. Tegelijkertijd ontstond er een economische crisis in Syrië als gevolg van een overhaaste liberalisering van de buitenlandse handel, zonder bescherming van de lokale industrie. De corruptie nam toe, terwijl politieke vrijheden afnamen.

Door deze grote spanningen is de revolutie onverwacht ontploft en, wat nog belangrijker is, dit gebeurde zonder enige organisatie van de democratische krachten. Die  waren moe van de onderdrukking. Daardoor konden religieuze krachten de leiding van de revolutie overnemen — vooral nadat, in plaats van de vreedzame strijd, het gewapende conflict was losgebarsten.

George Bernard Shaw zei ooit: ‘Als het stormt, schuilt de mens in de dichtstbijzijnde haven’. Een populair gezegde in Syrië is:  ‘Wanneer de wind waait, buigen de bomen’. Deze twee gezegden zijn van toepassing op een groot deel van de Syriërs. Religie was de dichtstbijzijnde haven toen de oorlog in Syrië woedde, want er was geen alternatief. Veel van de deelnemers aan de Syrische revolutie bogen voor de extremisten en een aantal van hen zag in de extremisten de verlossers van de onrechtvaardigheid van het regime. Ze  waren immers sterk en georganiseerd.

Sektarisme

Zo heeft de zwakke, gematigde religiositeit zich aan de salafistische, populistische religie overgegeven, vooral op het  Syrische platteland en in de kleine steden. Hier overheerst nu de salafistische, dorpse religiositeit die geen diversiteit accepteert. En in de geweldscyclus, tegelijk met de mislukking van alle pogingen tot een vreedzame oplossing, legde de democratie het af tegen sektarisme en eigenbelang.

Als de gematigde islam zwak blijft en er geen nationale en internationale partijen zijn die het Syrische bloeden echt willen stoppen, en wier hulp bij de opbouw van een humane en democratische toekomst in Syrië onmisbaar is, dan zal dat leiden tot generaties van haat — generaties die iedereen haten, ja zelfs zichzelf. Zij willen alles vernietigen, inclusief zichzelf.

Een eerdere versie van dit artikel verscheen in het Friesch Dagblad.