De islam vormt dikwijls een fundamenteel onderdeel van het leven van de mensen in het Midden-Oosten. In het verleden schepten Syrische intellectuelen vaak op over de gematigde religiositeit in hun land; een vorm van islam die zich niet bemoeit met de politiek en het persoonlijke leven van de mensen, en die verschilt van de Saoedische extremistische, salafistische religiositeit.

Het is waar dat in Syrië de gematigde islam de officiële islam was die werd gesteund door de prominente, religieuze geleerden en de bovenklasse van de handelaren in de grote steden zoals Damascus en Aleppo. Maar op het platteland en in arme steden was deze gematigde, liberale islam nooit erg geliefd, hoewel de religie een eenvoudig karakter had vanwege de politieke stabiliteit in Syrië, in het bijzonder na de onderdrukking van de islamitische opstand in de jaren tachtig door het regime.

Op het platteland en in sommige steden heerste grote werkloosheid onder jongeren. Bovendien besteedde de overheid geen aandacht aan publieke diensten in de plattelandsgebieden. In combinatie met het ontbreken van een cultuur van respect voor de mensenrechten en de democratie, ontstonden gemarginaliseerde gebieden. In deze geïsoleerde eilanden, ver van de grote steden, ademde men geen lucht van religieuze gematigdheid in. Men leefde daar, meer dan in andere gebieden, onder de tirannie van het stamverband, het sektarisme en het regionalisme. Niemand durfde daarover hardop te praten.