Strips werden in de jaren vijftig gezien als gevaarlijk. Nog altijd werkt dat door op het imago van de strip.

STEUN RO

Superhelden zijn al een decennium een garantie voor succes in de bioscoop, maar er was een tijd in de vorige eeuw toen het leek dat het hele medium strip het niet zou overleven.

In de jaren vijftig van de twintigste eeuw waren de grootste vijanden van Superman, Batman en Captain America niet respectievelijk Lex Luthor, de Joker en de Red Skull.

Nee, die jaren waren de voornaamste tegenstanders van de striphelden geen fictieve schurken. De meeste weerstand kwam uit de echte wereld. 

In 1954 publiceerde psychiater Fredric Wertham het boek Seduction of the Innocent. Daarin beargumenteert hij dat geweld in strips schadelijk is voor de kinderen die deze comics lezen. Het viel hem op dat jeugddelinquenten die hij had behandeld „deze zogeheten comic books” lazen.

Ook zou een strip als Batman bij kinderen „homoseksuele fantasieën stimuleren”, iets dat in de jaren vijftig net zo gevaarlijk was als iemand aanzetten tot geweld. „Alleen iemand die geen basiskennis heeft van psychiatrie en de psychopathologie van seks kan het ontgaan dat er een subtiele atmosfeer van homoerotiek die de avonturen van de volwassen "Batman" en zijn jonge vriend "Robin" doordringt", schrijft Wertham.

Dat de alter ego’s van Batman en Robin, Bruce Wayne en Dick Grayson, samenwonen is volgens de psychiater „een wensdroom van twee homoseksuelen”. (In die tijd dacht men dat dat supergevaarlijk was)

Het argument van Wertham rammelde wetenschappelijk, want het feit dat delinquenten strips lazen, bewijst nog niet dat er een causaal verband is. Aangezien volgens een peiling uit de jaren veertig negen op de tien kinderen stripboeken lazen, was het niet zo onwaarschijnlijk dat tussen de criminele kinderen ook kinderen zaten die stripboeken lazen.

Maar in de paranoïde jaren vijftig (communisme, weet je nog) was geen ruimte voor een debat over het verschil tussen correlatie en causaliteit. Wertham werd gehoord door een senaatscommissie, de Senate Judiciary Committee’s Subcommittee on Juvenile Delinquency.

Het onderzoek in de senaat ging specifiek over horror- en misdaadcomics, maar de daaropvolgende negatieve publiciteit was slecht voor het imago van alle strips. Nog meer dan al het geval was, moesten de strips onschuldiger worden en gericht op kinderen. Dat, terwijl er al flink wat concurrentie was gekomen voor het medium. 

Rond 1954 werd de de comic book business namelijk al flink getroffen door de concurrentie van televisie en paperbacks. Ook kwam in de Verenigde Staten de supermarkt op, en die verving kleine snoepwinkeltjes en kiosken, waar tot die tijd kinderen vooral heen gingen om hun strips te halen. Voor supermarkten waren strips niet zo interessant om in het assortiment op te nemen, en stripspeciaalzaken bestonden nog niet.

Ook lukte het nog niet om volwassenen te bereiken, waardoor er nog niet echt een verzamelcultuur ontstond. De hoop die er bij stripliefhebbers bestond dat (superhelden)strips ook een medium voor volwassenen zou worden, werd voorlopig gesmoord – mede dankzij Seduction of the Innocent en de hoorzitting in de Senaat.

Het duurde tot halverwege de jaren zestig, toen een groepje schrijvers en tekenaars bij een uitgeverij die later Marvel Comics zou gaan heten, het superheldengenre een boost gaven en aan populariteit wonnen bij studenten.

Toch heeft het stripgenre nog altijd niet het culturele imago waarmee het zich kan meten aan andere 'volwassen' media, en dat mogen we meneer Wertham kwalijk nemen.

Fragment uit documentaire over Wertham en de hoorzitting

In de afgelopen jaren zijn superhelden de favoriete hoofdpersonen van veel Hollywood-filmmakers geworden. Maar wie zijn de bedenkers van de helden die iedereen kent en hoe opereren de uitgeverijen die de personages bezitten?ΠPeter Teffer interviewt stripmakers en analyseert de economische en culturele impact van de superheld.