Tijdens de oorlog gingen diverse nazi kopstukken zich te buiten aan zwarthandel. De handel werd gedreven met bezittingen van weggevoerde Joden die in beslag waren genomen.

STEUN RO

Een deel van de inbeslaggenomen goederen en vermogens eindigde op de rekeningen van de roofbank Lippman en Rosenthal. Een groot gedeelte verdween echter ook in de zakken en privékluizen van diegene die de oorlog als een buitengewone kans zagen om van de bezetting gebruik te maken. De roofbuit in de vorm van sieraden, diamanten, kunststukken, deviezen en patenten werden op schuiladressen verborgen, op Zwitserse bankrekeningen gestort of verhandeld op de Spaanse zwarte markt.

Uitgeweken nazi’s

Zo vluchtten de Jodenjager Andries Riphagen, de Generalkommissar für Finanz und Wirtshaft Hans Fischböck, de beheerder van het Auswanderungsfonds Eric Rajakowitsch en vele anderen met het vermogen van vermoorde Joden. Met dit geld bekostigden ze de overtocht naar hun nieuwe thuisland, Argentinië. Voordat de voortvluchtige kopstukken konden oversteken, moesten ze hun oorlogsbuit aanbreken voor het betalen van schuiladressen, hun levensonderhoud, valse identiteitsbewijzen, mensensmokkelaars, visa, ontschepingsbewijzen, vliegtickets of een passage aan boord van de toenmalige lijndiensten die op Zuid-Amerika voeren. Sinds de val van het nazi rijk, duurde het gemiddeld tussen 2 á 5 jaar om hun nieuwe thuishaven te kunnen bereiken. Het was een langdurig proces, waarin de duikperiode en het verkrijgen van de vereiste transitpapieren veel geld kostte.

Geallieerde hulp

Een aantal kreeg echter hulp vanuit onverwachte hoek, namelijk de inlichtingendiensten. Nazi’s die hun diensten aan de geallieerden hadden aangeboden konden, afhankelijk van hun expertise, rekenen op een vrijgeleide. Een van hen was de deviezenjurist Friedrich Kadgien die betrokken was bij het leegroven van de Nederlandse diamantenvoorraad. Daarnaast was hij betrokken bij het inwinnen van losgeld van vermogende Joden die tegen betaling naar het buitenland mochten uitwijken. De geroofde gelden, losgelden, waardepapieren en edelstenen bracht hij onder op Zwitserse banken waartoe hij alleen toegang had. Na de oorlog werd dit vermogen onder een dekmantel in Zwitserland ondergebracht. Toen Kadgien door de Amerikaanse geheime dienst werd aangehouden, zagen ze in hem een belangrijk persoon die de sluipwegen van enemy property en roofbuit kon toelichten. De auteur Paul Post verklaarde in zijn werk Diamantenroof (1995): “Het dossier ‘Diamantenroof’ was tijdens de oorlog in Londen al compleet gemaakt, maar er kwam een mededeling van de Amerikaanse en Engelse inlichtingendiensten dat het beter was dit onderwerp nog een tijdje met rust te laten. De diamantendiefstal lag gevoelig, mede omdat langzamerhand duidelijk werd hoe groot de omvang van de Holocaust was. De informatie over de diamantenroof mocht niet uitlekken.” De Nederlandse justitie mocht Kadgien niet aan de tand voelen met betrekking tot de verdwenen diamanten die hij tijdens de bezetting had ontvreemd.

Op 15 januari 1950 verliet Kadgien samen met zijn vrouw met goedkeuring van de geallieerde autoriteiten Bern. Via Genua, Italië, vertrok Kadgien aan boord van de Anna C, naar Brazilië en kort daarna in Argentinië.

Fischböck

Hans Fischböck werd verantwoordelijk gehouden voor het tijdens de oorlog systematisch leegroven van de Nederlandse voorraden grondstoffen, landbouwproducten, deviezen en goud. Hij volgde een jaar later op dezelfde boot naar Argentinie. Ook Fischböck was betrokken in het stallen van roofbuit op Zwitserse bankrekeningen. In de oorlog dreef hij op grote schaal zwarthandel, waarbij enorme winsten werden gemaakt door collaborerende Nederlandse bedrijven en de verhandeling van Joods bezit. Net als Kadgien had Rajakowitsch eveneens de gelden die rijke Joden hadden betaald om zich zelf, of hun familieleden uit de bezette gebieden, vrij te kopen op buitenlandse bankrekeningen geplaatst. Na de val van het nazirijk werd dit vermogen aangewend om diverse kameraden uit Europa helpen te ontsnappen.

Riphagen

De inmiddels beroemde collaborateur van lager allooi Riphagen ging op min of meer dezelfde wijze te werk. Zijn roofbuit in Joodse diamanten werd omgewisseld voor een vliegticket, Argentijns paspoort, dollars en peso’s. De diamanten had hij tijdens de razzia’s op Joden buitgemaakt. Daarnaast organiseerde hij tijdens de bezetting kansspelen voor zwarthandelaren, diamanthandelaren, SD rechercheurs en Duitse officieren die grof geld verdienden door het leegroven en achteroverdrukken van de bezittingen van weggevoerde Joden. Riphagen werd na de bevrijding eerst ondergebracht in een safehouse in Amsterdam. Hij zou de Nederlandse opsporingsdiensten assisteren in het opsporen van andere nazi’s, collaborateurs en een deel van het verborgen roofgoed. Riphagen was op de hoogte dat van veel SD-instellingen de operaties werden bekostigd uit roofbuit, georganiseerde zwarte markt activiteiten, handel in platina en afkoopsommen. Daarnaast chanteerde de dienst rijke Joden wiens familieleden vrijgekocht konden worden. Van de opbrengsten hielden de hogere SD-ambtenaren er een losbandig en luxeleventje op na en brachten de rest onder op geheime bankrekeningen. De Nederlandse verklikkers, politieagenten en lagere SD-medewerkers drukten op grote schaal kleinere items als goud, geld sieraden, elektra of antiek achterover die eveneens op duikadressen werden ondergebracht als reserve voor na de oorlog.

In ruil voor de opsporing van deze buit werd hij, net als Kadgien, geholpen. In plaats van Zwitsersland en Italië werd het voor Riphagen Spanje. Een bevriende rechercheur reisde hem nog achterna naar Madrid om hem zijn oorlogsbuit, diamanten, te overhandigen. Hiermee kon Riphagen een nieuw leven starten in het beloofde land Argentinië.

Bienvenido

De toenmalige Argentijnse president Juan Domingo Perrón stelde het land open voor nieuwe emigranten die bereid waren in het land te investeren. Tussen 1948 en 1955 werden diverse dekmantels en bedrijven opgezet die uitgeweken nazi’s konden opvangen. Emigranten konden een passage naar Argentinie krijgen als iemand of een bedrijf borg voor hem of haar stond en bereid was hem in werk en zijn levensonderhoud te voorzien. De bureaucraat van de Endlösung Adolf Eichmann, Hans Fischböck en de Nederlandse SS oorlogscorrespondent Willem Sassen werkten voor CAPRI SA, een onderneming die door de Duits Argentijn Horst Fuldner was opgezet om nazi kopstukken van werk te voorzien. De hele onderneming was gefinancierd door de bankier Ludwig Freude. Andere technici kwamen terecht bij Mercedes Benz SA of andere Duitse zusterbedrijven.

Na Perón

Na de val van Perón verdween de roofbuit net als de uitgeweken nazi’s naar andere landen. Een gedeelte van het geroofde vermogen kwam weer terecht in Zwitserland. Zo leefde Riphagen tot aan zijn dood van zijn “spaarpot” die veilig was ondergebracht op een Zwitserse bank. Fischböck keerde in de jaren zestig terug naar Duitsland en Oostenrijk. Toen de opsporingsdiensten opnieuw in hem geïnteresseerd raakten, vluchtte hij naar Argentinië. Rajakowitsch werd pas halverwege de jaren zestig opgespoord en veroordeeld. Hij kwam er met een lichte veroordeling van af. Hij werd nooit veroordeeld voor de deportatie van Nederlandse Joden.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -
tarzanvanlimburg@gmail.com'
    Botman is een onafhankelijke non-fictie auteur betreffende de volgende onderwerpen Tweede Wereldoorlog geschiedenis, inlichtingendiensten, biografieën over collaborateurs en spionnen, Koude Oorlog, huurlingen in Afrika en Indonesië, onafhankelijkheidsstrijd RMS, clandestiene operaties MI6 en CIA. Alle informatie is verkregen door intensief archief onderzoek, interviews en privécollecties. Inmiddels zijn er over deze onderwerpen vier non-fictie boeken bij Uitgeverij Aspekt verschenen: De intriges van de gebroeders Sassen (2013), De Tarzan van Limburg (2019), Beruchte Collaborateurs op vrije voeten (2020) en De Nederlandse Rattenlijn (2021), plus een aantal artikelen in de Alkmaarse Courant, De Morgen, Het Nieuwsblad, Het Parool en de Oud Hagenaar.