In de grensstreek van India en Birma strijdt het Naga-volk voor onafhankelijkheid. ‘We worden de vrije mensen genoemd.’

STEUN RO

Als een berggeit springt de jonge Naga Shingnya over de losse rotsen naar de ‘geheime grot’. Onder een loodsteile klif trekt hij de begroeiing weg en gunt ons een blik in het knekelhuis. Even waant de bezoeker zich in een avonturenfilm van Indiana Jones. Veertig witte schedels staren grijnzend naar het binnenvallende zonlicht. De Naga pakt er twee vast, blaast er stof af en laat ze balanceren op zijn handen. 

Decennialang verzamelden zijn voorvaderen de hoofden van verslagen vijanden. Shingnya trekt een parallel met de huidige strijd van de Naga’s. ‘Het bezit van de schedels geeft ons de kracht tegen het Birmese en Indiase leger te vechten. De koppen worden overgedragen van vader op zoon en symboliseren onze onoverwinnelijkheid.’ Met een plof verdwijnen de koppen terug in de grot. 
Gids Inscha, een forse Naga met indo-mongoloïde gelaatstrekken glundert. De oud-studentenleider voelt allerminst schaamte over de woeste taferelen die zich eeuwenlang hebben afgespeeld tussen de dorpen die in dit ruige heuvellandschap strategisch op de toppen zijn gevestigd. De dalen waar de woest uitgedoste strijders elkaar ontmoetten kleurden regelmatig rood. ‘Het maakt ons uniek en gevreesd.’ 

Gandhi

Het laatste hoofd werd in de jaren zestig afgesneden maar de oorlog bleef in dit afgelegen oostelijk deel van India. Niet tussen de veertig stammen onderling maar tegen twee regeringen. Voor de onafhankelijkheid van India op 15 augustus 1947 spraken vertegenwoordigers van de Naga’s met Mahatma Gandhi. Hij zei hen: ‘We zullen jullie nooit dwingen om deel uit te maken van India.’ Maar Gandhi stierf en India’s eerste premier Jawaharlal Nehru hield zich niet aan de toezegging. Het Indiase leger kwam en verbrandde dorpen. ‘Soms tot 20 maal toe’, verzekeren verschillende Naga’s. 
Het gebied rond het grensdorp Noklak valt onder Foreigners Protected Areas waarvoor buitenlanders speciale toestemming nodig hebben. Onderweg passeren we slagbomen van wegblokkades van Indiase militairen. Naar papieren vragen ze niet. ‘Ze kunnen je paspoort toch niet lezen’, grapt Inscha. 
’s Avonds bij het licht van een petroleumlamp klagen twee afgevaardigden van een van de grootste Naga-stammen, de Khiamniungan-stam die zo’n 300.000 leden telt, over de bezetting. ‘We worden geregeerd met het geweer op ons gericht’, zegt een. Hun gebied is verdeeld over twee landen: veertig dorpen liggen in India en 166 dorpen in Birma. 
De volgende ochtend wordt naar een smal pad gewezen dat door dikke bosschages, langs afgronden en middels wankele bruggen over kolkende riviertjes voert. Het gebied is zo ondoordringbaar dat de Japanners tijdens de Tweede Wereldoorlog het meden. Het dorp waar we na een half etmaal marcheren halt houden, heet Taingan en telt 39 huizen. Het lijkt of de tijd heeft stilgestaan: alle hutten zijn opgebouwd uit hout, bamboe en riet. Een week eerder zijn 25 bewoners door Birmese militairen meegenomen voor dwangarbeid. De volgende ochtend komen ze uitgeput terug. Een vrouw vertelt: ‘Voordat de hanen kraaiden begonnen we met lopen. Per twee dragers moesten we een zak van honderd kilo rijst vijf dagen lang sjouwen.’ 

In een hut waar midden op de moddervloer een houtvuur brandt, worden legerbrieven getoond waarin eisen staan over het aantal kippen, buffels of dwangarbeiders dat het dorp moet leveren. Een dorpsoudste: ‘Vaak zit bij de brief een kogel ingesloten, om te waarschuwen dat bij weigering iemand wordt doodgeschoten. Soms een stuk houtskool als waarschuwing dat bij verzet het dorp in de as wordt gelegd.’ Als ze niet aan de eisen kunnen voldoen zoeken bewoners tijdelijk een schuilplaats in de bossen. 
Eén geschilderd gebouw kent het gehucht, de kerk. Samen met de Britten kwamen in de negentiende eeuw ook de zendelingen; de Naga’s behoren tot de enige christelijke minderheidgroep in India en Birma, zegt de voorganger, een plaatselijke Naga. Na de zondagsdienst spreekt hij zijn bezorgdheid uit over de religieuze onderdrukking in Birma. ‘Een Naga die een vervolgopleiding wil doen wordt gedwongen zich te bekeren tot het boeddhisme, anders slaagt hij nooit voor het examen.’ 
Om Indiase en Birmese grenspatrouilles te ontwijken vertrekken we vroeg, de volgende ochtend. ‘In het donker wagen ze zich niet buiten hun kazernes, bang als ze zijn voor ons’, zegt een bewoner die ons uitzwaait. 
Het pad voert verder langs dorpen die alleen te voet zijn te bereiken. De eerste berijdbare wegen vertonen diepe gaten door achterstallig onderhoud. Opnieuw stoppen we bij een Indiase kazerne, ditmaal aan de achterzijde. 
‘Ogenblikje’, verontschuldigt Inscha zich. Even later keert hij terug met een fles Officers choice whisky, gebietst voor vier euro. ‘Hoe kun je dat kopen bij je vijand?’, vraag ik. Hij haalt zijn schouders op: ‘Zijn ze nog ergens goed voor.’ 
Twee dagen later, in de stad Kohima, vertelt dr. N. Venuh van de mensenrechtencommissie van Nagaland over de rechteloosheid die heerst aan Indiase zijde. ‘Het dorp Oinam in de Manipur-deelstaat werd in 1987 vernietigd. Mannen werden vermoord en vrouwen verkracht, maar nog is de klacht niet door het hoogste rechtscollege in India behandeld. Als ik naar een andere stad rijd, word ik gestopt en mijn auto doorzocht. Het maakt allemaal deel uit van de psychologische oorlogsvoering tegen de Naga’s.’ 

Kloof

In de stad Dimapur, waar auto’s en brommers knetterend rondpuffen, spreekt Akum Longcharti, politicoloog in conflictstudies, over een ‘kloof’ tussen hen die onafhankelijkheid willen, vooral de oudere generatie, en zij die akkoord gaan met meer autonomie, zoals erkenning van de taal en culturele vrijheid. Vooral jongeren in de ontwikkelde woongebieden ontgaat het belang van een gewapende vrijheidsstrijd. Naar schatting zijn daarbij zo’n 30.000 Naga’s de laatste 63 jaar gestorven, vooral in de jaren ‘60 en ‘70. ‘Er is weinig discussie over de voor- en nadelen van de onafhankelijkheid. Het is ook lastig, want een bijeenkomst met meer dan vijf personen kan door de Indiase autoriteiten als een verboden bijeenkomst worden bestempeld. Discussie zou het vredesproces helpen. Een dorpsbewoner kan al tevreden zijn als hij niet langer wordt lastig gevallen door Indiase militairen.’ 
We rijden verder, nu over asfalt, naar de grootste rebellenbasis ‘Hebron’. Bij de ingang verklaart een bord ‘Vrijheid is het geboorterecht van alle naties.’ Over de keurig aangelegde perkjes en paden marcheren mannen in uniform met een willekeur aan wapens. De diensttijd is vrijwillig maar bedraagt minimaal zes jaar. Volgens majoor-generaal Phungthing Shimrang houdt zijn beweging, de NSCN-IM, vijfduizend mannen en vrouwen onder de wapens. 
‘Sinds 1997 is een staakt het vuren van kracht maar rustig is het nooit geworden,’ zegt Shimrang. Honderden NSCN-leden maar ook leden van twee andere Naga-groeperingen, de NNC en de NSCN-K, zijn gedood. Vooral door leden van de paramilitaire Assam Rifles en met name buiten de deelstaat Nagaland waar Naga’s een minderheid vormen en dus zwakker staan. Maar ook onderlinge rivaliteit tussen de drie grootste fracties kostte veel levens, want soms drijft de oude koppensnellersmentaliteit weer boven. 
Luitenant Ami Muinao (33) is overtuigd van het recht op zelfbeschikking. Ze toont de epauletten op haar uniform waarop een kruis staat. We zijn geen hindoe, boeddhist of moslim, wil ze er mee zeggen. ‘We leven onder iemand anders macht in ons eigen land. Om hiervan verlost te worden dien ik de natie. Op een dag zullen we vrij zijn.’

    Arnold Karskens is Neerlands meest onafhankelijke en ervaren oorlogsverslaggever. Muckraker. Nachtmerrie voor nazi’s en andere oorlogsmisdadigers. Auteur van tienŒ boeken. Onderzoeksjournalist die nooit ‘nee!’ als antwoord accepteert. Lastig, dwars & gehaat door zijn vijanden, maar Last Man Standing voor mensenrechten en vrijheid van meningsuiting.

    Geef een antwoord