Er is twijfel aan het handelen van de Amsterdamse politieagent die de verwarde Cyprian Broekhuis (23) doodschoot. In de jaren tachtig was er in de hoofdstad een vergelijkbare zaak: die van psychiatrisch patiente Meta Hofman. Politiechef Ton Koenders pleitte er toen al voor niet politiemensen, maar psychiaters naar binnen te laten gaan in dit soort gevallen.

STEUN RO

De Amsterdamse ex-commissaris van politie Ton Koenders was lange tijd verantwoordelijk voor de beoordeling van de ‘geweldsaanwending’ in het Amsterdamse korps. In die functie schreef hij in 2003 al eens een praktische handleiding voor leidinggevenden, zodat zij een handvat hadden hoe om te gaan met medewerkers die bij een schietincident betrokken waren geweest.

De ervaren voormalige politiebaas woont alweer enkele decennia buiten de hoofdstad. Op zo’n twintig minuten rijden, met uitzicht op een paardenmanege. Inmiddels kijkt hij ook met wat meer distantie naar het politiewerk. Hij spreekt met zachte stem over de tijd waarin hij zelf als politiebaas te maken kreeg met incidenten. En hoe hij regelmatig via gesprekken inzicht probeerde te krijgen in wat politiemensen in hun werk bewoog.

Koenders was vanaf de jaren tachtig tien jaar districtschef in de stad, hij wist dus van de hoed en de rand. Als een rode draad door zijn carrière liep ook het leidinggeven aan politietrainingen, de zogenaamde integrale beroepsvaardighedentrainingen (IBT). ‘Zo ontwikkelde ik affiniteit met de vraag hoe je ervoor kunt zorgen politiemensen zich veilig voelen in hun werk’, legt Koenders uit.

Het eerste geweld dat Koenders zelf meemaakte, was toen hij net van de Politieacademie kwam: ‘Het waren de rellen op de Dam in 1970, vanwege het verbod om daar nog langer te slapen. Het ging er heftig aan toe, de ruiten van de Bijenkorf gingen er zelfs uit. Vooral een aantal motorrijders kreeg het voor zijn kiezen. Later, toen ik veel met het onderwerp te maken kreeg, heb ik me wel eens afgevraagd of ze daar geen PTSS hadden opgelopen. Maar daarvan wisten we het bestaan daarvan nog helemaal niet af.’

Om het leven

De meest dramatische gebeurtenis waar hij als chef van het bureau waar de zogenaamde geweldsbeoordeling was ondergebracht mee te maken kreeg, was de schietpartij waarbij Meta Hofman om het leven kwam. Dat was op 12 augustus 1981. Twee politieagenten kregen de melding van een vrouw die glazen voorwerpen uit het raam gooide van haar bovenverdieping. Ze gingen erop af. Omdat een van de agenten vermoedde dat het om een vechtpartij ging, laadde hij op de trap zijn wapen door, dat politiemensen in die tijd in een open holster bij zich droegen. Het was het pistool dat later als dienstpistool zou gaan fungeren: de Walther P-5.

Binnen bleek het om verwarde vrouw te gaan, die leek te slapen. Toen zij bij kennis kwam en wat water in de keuken haalde, pakte ze plotseling een mes en bedreigde de agent ermee, met de woorden ‘ik steek je kapot’. De vrouw reageerde daarna niet op het bevel om het mes weg te doen. Ze zei: ‘schiet maar, ik ben toch sneller, ik steek je kapot.’

Daarop vuurde de agent een waarschuwingsschot in het plafond. De vrouw stapte daarop naar voren, met haar mes op de agent gericht. Die wilde een stap naar achteren doen, maar daar stond zijn collega. Hij zag geen andere mogelijkheid meer dan gericht te schieten. Niet lang daarna lag het ontzielde lichaam van de vrouw bij de patholoog-anatoom dr. Jan Zeldenrust. Uit onderzoek bleek dat Meta Hofman een alcoholpromillage van 1,48 in haar bloed had.

Niet lang daarna lag het ontzielde lichaam van de vrouw bij de patholoog-anatoom dr. Jan Zeldenrust

Ton Koenders was getuige-deskundige in deze zaak, waarvan de beslissing van het Hof later een bekend arrest werd. Het Hof sloot zich trouwens aan bij zijn getuigenis: Koenders was van mening dat het aanvaardbaar was dat de politieman zich – zeker omdat er gevaar voor anderen was ontstaan door gewelddadig gedrag van de vrouw – niet had teruggetrokken, maar de situatie probeerde op te lossen met de middelen die hem ter beschikking stonden. Met in dit geval als uiterste consequentie het gebruik van een wapen. Het Hof was ook van mening dat de man die wapeninstructies misschien wel had overtreden, maar dat hij in de situatie waar hij in terechtkwam toch goed had gehandeld.

Het gebrek aan training van de jonge politieman speelde in deze zaak ook nog een rol. De Amsterdamse politie kreeg daarover op haar falie van het gerechtshof, nadat de politieman, die eerder door de rechtbank was veroordeeld, in hoger beroep werd vrijgesproken. Zijn werkgever had tekort geschoten in het trainen van de politieman. Hij bleek niet geoefend in conflictoplossing, niet in het gebruik van de wapenstok, niet geoefend in het afweren van een mes, hij had nooit geoefend in een zogenaamd ‘noodweerschot’ en tenslotte was ook de wapeninstructie nooit goed overgebracht.

Koenders herinnert zich nog hoe de schietbanen van de politie indertijd, gesloten waren, omdat er kans op loodvergiftiging aanwezig was: ‘De jongen is indertijd ontsnapt aan een veroordeling, omdat de politie als organisatie gefaald had.’

De voormalige commissaris kan zich herinneren dat de politieman die Meta Hofman doodschoot, nog jaren bezig is geweest om over het gebeurde heen te komen: ‘Hij had PTSS, maar de behandeling daarvan stond nog in de kinderschoenen. Zijn leidinggevenden waren daar indertijd ook niet alert op, omdat ze niet vertrouwd waren met de verschijnselen ervan. Later heeft hij nog wel eens een conflict gehad met zijn chef, wat terug te voeren viel op de traumatische gebeurtenis die hij als jonge agent meemaakte: ‘Maar zijn leidinggevende wist dat niet, waardoor de ruzie uit de hand liep.’

De dood van Meta Hofman had flinke consequenties voor de bedrijfsvoering bij de politie, in het bijzonder voor de beroepsvaardighedentrainingen. Koenders besloot alle schietincidenten die in Amsterdam hadden plaatsgevonden tussen 1967 en 1980 te gaan bestuderen. Wat hem opviel was dat de situaties waarin van het vuurwapen gebruik werd gemaakt, in tien types te onderscheiden vielen. Dat was begin jaren tachtig onder meer het binnentreden bij geestelijk gestoorde mensen. ‘Waarom zouden dienders daar dan naar binnen gaan? Laat een psychiater het doen’, concludeerde Koenders namens de Amsterdamse politie.

‘Waarom zouden dienders daar dan naar binnen gaan? Laat een psychiater het doen’

Hij liet van de scenario’s voor meestvoorkomende schietincidenten een bedrijfsfilm maken, die bij trainingen werd ingezet. Later kwam hier een systeem voor terug dat films projecteerde van praktijksituaties, waarin politiemensen binnen korte tijd moesten beslissen of ze geweld zouden gebruiken. In 1996 onderzocht Jaap Timmer het vuurwapengebruik in de periode 1978- 1995. Daaruit bleek ook dat er landelijk ook tien typen gevaarsituaties bleken te bestaan.

Te heftig

Koenders snijdt het verschijnsel van de gedreven politieman aan, die zijn werk prima doet, maar toch net wat te vaak bij geweldsincidenten betrokken lijkt. Als districtschef merkte hij een keer op dat een agent al enkele aanrijdingen achter de rug had tijdens het werk, inclusief een schietincident, terwijl andere goede ‘dienders’ dat nooit meemaakten. Koenders probeerde met de man in gesprek te gaan: ‘Hij reageerde daarop een beetje macho-achtig. Ik twijfelde niet aan de kwaliteit van zijn politiewerk, maar ik vond dat hij er wel te heftig in stond. Ik kende politiemensen die net zoveel aanhoudingen als hij verrichten, maar geen aanrijdingen of incidenten hadden. Waarom was hij nou altijd als eerste bij een incident ter plaatse, zelfs in de andere districten?’

Koenders vraagt zich af waarom de ene politieman er inderdaad zo snel bij is, en de andere politieman minder gas geeft, huiverig om als eerste ter plekke te komen: ‘Hoe krijg je boven tafel dat een collega bezig is PTSS te ontwikkelen?’ Hij vindt dat de politie zich hier in de loop der jaren veel te weinig mee bezig heeft gehouden: ‘De organisatie moet er rekening mee houden dat bij politiemensen het emmertje vol kan raken, nadat ze een serie van schokkende gebeurtenissen hebben meegemaakt.’

Doodgereden

De oorzaken voor de PTSS liggen op psychologisch vlak vaak dieper dan in eerste instantie wordt vermoed, denkt Koenders. Hij moest als districtschef eens twee collega’s ontslaan, omdat zij zich in hadden gelaten met drugshandel. Ze hadden contact met de eigenaar van een coffeeshop. Koenders riep één van hen toen bij zich. Hij wilde weten waarom hij dat gedaan had. ‘Toen begon hij, heel droevig, een verhaal te vertellen. Dat ging erover dat hij in 1980 tijdens een dienst een vrouw had doodgereden toen zij plotseling de trambaan overstak. Hij vond dat hij daarna nooit goed was opgevangen door het korps. Hij haalde er van alles bij, maar ik begon me toen wel af te vragen of er meer politiemensen zijn die niet-integer gedrag vertonen, als gevolg van de incidenten die ze hebben meegemaakt. Het is niet vast te stellen, maar ik ben ervan overtuigd dat het zo is. Hoewel het natuurlijk niet zo is dat alle politiemensen met PTSS dit soort gedrag op termijn gaat vertonen.’

Deze tekst komt uit het boek ‘Onder spanning-Werken bij de politie’, door Joost van der Wegen (uitgeverij Crimesite, 2013). Het boek is hier te bestellen.

 

Joost van der Wegen (1970) is (onderzoeks)-journalist op het gebied van criminaliteit, politie en justitie, inlichtingendiensten, slachtofferschap, en drugsbeleid. Hij publiceerde hierover onder meer in Metro, Panorama, Crimelink en Vrij Nederland. Voor Crimesite schreef hij het boek 'Onder spanning’, over politiewerk en PTSS. In 2018 werden zijn verzamelde misdaadreportages gebundeld in ‘Moordboek’ (Just Publishers).