De wijkagent heeft haast geen tijd meer om de buurt in te gaan. Terwijl het juist nu zo belangrijk is dat hij informatie verzamelt over een nieuwe generatie criminelen, van diverse afkomst. Vooral in de stedelijke achterstandsbuurten is het belangrijk contact te houden met bewoners van verschillende etnische groepen. Zeker nu de ‘nieuwe Holleeders’ meedogenloos met elkaar in gevecht zijn.

STEUN RO

Vrijdag 26 januari 2018, even na acht uur ‘s avonds. Het straatbeeld op een van de Amsterdamse Oostelijke eilanden lijkt te zijn veranderd in dat van een oorlogsgebied. Waar vier eeuwen terug de oorlogsschepen voor de admiraliteit werden gebouwd, lopen nu tientallen politieagenten en rechercheurs rond. Het terrein rond het wijkcentrum op Wittenburg is afgezet met rood wit lint, en voor de deur van het gloednieuwe buurthuis staat een container van de forensische recherche. Door de kieren van de schermen is te zien hoe zij in hun witte pakken het buurtcentrum binnengaan.

Aan de andere zijde van de plastic afzetting staan vooral veel Marokkaans-Nederlandse buurtbewoners. Bij een aantal is angst in de ogen te zien, anderen zijn terneergeslagen. Een scooter rijdt plotseling op hoge snelheid voorbij. Het geraas doorbreekt de bezorgde stilte.

De volgende dag wordt pas exact duidelijk welk drama zich heeft afgespeeld. Het slachtoffer is de pas 17-jarige scholier Mohammed, die door twee schutters met bivakmutsen op om het leven is gebracht. Hij was niet het beoogde slachtoffer. Het gaat om een zogenaamde ‘vergismoord’ door de ‘Mocro-maffia’, echoot het in het nieuws.

‘Een scooter rijdt plotseling op hoge snelheid voorbij. Het geraas doorbreekt de bezorgde stilte’

Nadat hem eerst wordt verweten dat hij zijn gezicht niet heeft laten zien na de schietpartij, bezoekt de Amsterdamse burgemeester Jozias van Aartsen een paar dagen later de wijk. Hij spreekt afkeurende en troostende woorden, en belooft cameratoezicht. Maar hij wijst ook op het zwijgen van de buurtbewoners ten opzichte van de politie, over wat zich afspeelt in de buurt. Waardoor de recherche geen goede informatiepositie zou hebben in de aanpak van de drugsoorlog.

Een paar weken later wordt op het Amsterdamse stadhuis duidelijk dat de hoofdstad in de aanpak van de georganiseerde misdaad geen extra hulp vanuit Den Haag hoeft te verwachten. In de raadszaal is het stil als men zich realiseert dat er voorlopig geen extra politie beschikbaar zal komen voor de aanpak van de liquidatiegolf. De minister van Justitie brengt dezelfde week nog wel een bezoekje, maar wijst vooral op de belangrijke rol die moeders kunnen spelen in de begeleiding van ontspoorde kinderen.

Framing

Het Amsterdamse gemeenteraadslid Sofyan Mbarki (PvdA) is van Marokkaanse afkomst. Hij is verontwaardigd over het commentaar op de Marokkaanse gemeenschap na de gebeurtenissen op Wittenburg. Hij vindt dat er sprake is van een zwijgcultuur in criminele kringen en niet binnen de Marokkaanse gemeenschap, zoals werd gesuggereerd: ‘De Marokkaanse middenklasse in deze stad zwijgt niet’, stelt Mbarki. ‘Die meldt het gewoon als ze criminaliteit ziet, bijvoorbeeld in de vorm van een hennepplantage.’

Mbarki verbaast zich ook over de term ‘Mocro-maffia’ die ingeburgerd is geraakt: ‘Dat is dezelfde framing. Zo’n Gwenette Martha bijvoorbeeld (een kopstuk van een criminele groepering, JvdW.) was helemaal niet van Marokkaanse afkomst. Het gaat hier gewoon om een nieuwe lichting zware criminelen, van diverse afkomst, die de voormalige zogenaamde Hollandse netwerken hebben overgenomen. Dit zijn de Holleeders van vandaag. Die zijn juist heel goed geïntegreerd in de stad, waardoor ze in contact met de bovenwereld zijn komen te staan, waar ze hun geld kunnen witwassen.’

Mbarki denkt dat de gevolgen van etnisch profileren door politiemensen op straat schadelijke gevolgen kan hebben voor de opsporing. Mbarki vindt dat de politie daardoor niet goed genoeg weet wat in de stad plaatsvindt: ‘De agent op straat die mij met mijn Marokkaanse uiterlijk net even te lang aankijkt, zit verkeerd. We hebben politiemensen nodig die niet op basis van die etniciteit naar de wereld kijken, maar die snappen dat het een divers verhaal is geworden. Alleen door zo te kijken, kunnen we die daders pakken. Het is één van de oplossingen die we de mensen in de stad kunnen bieden, want geld voor meer agenten is er niet.’

Ogen en oren

Afwezig in de reeks aan gebeurtenissen op Wittenburg was de wijkagent. Hij verscheen niet in het nieuws, terwijl hij bij uitstek de figuur is die in Nederland moet fungeren als de ‘ogen en oren’ van een buurt. De vertrouwenspersoon in een wijk, die als het nodig is de recherche op weg kan helpen in een onderzoek. Maar het werk van die wijkagent is onder druk komen te staan, als gevolg van de bezuinigingen door de omvorming tot een Nationale politie in de laatste zeven jaar.

Dit komt onder meer naar voren uit onderzoek van Marc Schuilenburg, criminoloog aan de Vrije Universiteit in de hoofdstad. Zijn conclusie luidt dat de politie steeds minder benaderbaar is geworden voor de burger. Naast de 200 politiebureaus die zijn gesloten, zijn er ook te weinig wijkagenten aan het werk. Schuilenburg: ‘Het Kabinet Rutte 2 nam zich voor om tot een aantal van 4000 wijkagenten te komen. Maar het voorgenomen aantal van 1 wijkagent op de 5000 inwoners in Nederland is nog lang niet gehaald. Bij de laatste telling in 2016 waren het er nog maar 3400.’

Hij constateert dat wijkagenten steeds minder op straat te vinden zijn. Dat heeft volgens hem te maken met de hoeveelheid aan taken die op hen afkomt: ‘Dat brengt een enorme bureaucratische rompslomp met zich mee. Het is absurd wat een wijkagent allemaal op zijn bordje heeft gekregen. Hij heeft een functiepakket dat niet meer te doen is. Zeker niet voor een normale agent, met slechts een MBO-opleiding.’

Terugtrekken

Collega-criminoloog Eric Bervoets, die onder meer onderzoek deed naar politiewerk in hechte gemeenschappen, bevestigt dat de bezuinigingen tot gevolg hebben gehad dat de wijkagent minder in zijn wijk kan investeren. Dat verhoudt zich volgens hem slecht tot de wensen die we in de loop der jaren bij de wijkagent hebben neergelegd: ‘Want zij moeten wel iets met radicalisering, en met de preventie van jeugdcriminaliteit. Er zijn allerlei ambities.’

Bervoets is ervan overtuigd dat de huidige ontwikkeling ten koste gaat van de kennis die politiemensen hebben over hun wijk: ‘De old school-wijkagenten wisten doorgaans wie de roverhoofdmannen in hun stad waren.’

In de praktijk hoort Bervoets die wijkagenten verzuchtten dat ze net Haarlemmerolie zijn. Ze worden voor de noodhulp ingezet, of voor andere werkzaamheden in de organisatie, maar niet waar ze eigenlijk voor nodig zijn.’

Ook raadslid Sofyan Mbarki hoort dat de wijkagent niet genoeg tijd aan de wijk kan besteden, omdat ze bijvoorbeeld op het bureaudiensten draaiende moeten houden. ‘Daar zijn ze in essentie niet voor.’

 

‘De old school-wijkagenten wisten doorgaans wie de roverhoofdmannen in hun stad waren’

 

De komst van de Nationale politie is bedoeld om beter te kunnen vechten tegen de opkomst van de georganiseerde misdaad en de vervlechting van onder- en bovenwereld die daarop plaatsvond, met als gevolg onder meer de ondermijning van de democratie. Bijvoorbeeld door ernstige bedreiging van burgemeesters in gemeentes waar de misdaad actief is. Het is inmiddels duidelijk dat die reorganisatie als bijverschijnsel heeft, dat de wijkagent zich veel minder kan laten zien.

Door de afwezigheid van de aanpak in de wijk wordt het vertrouwen van de politie volgens Schuilenburg kleiner: ‘Mensen hebben niet zoveel met de aanpak van die “ondermijning”, zoals het beleidsmatig heet. Ze willen dat hangjongeren worden aangepakt, dat het vuil op straat wordt opgeruimd en dat parkeeroverlast verdwijnt. Door de strijd tegen de georganiseerde misdaad, komt de politie te weinig toe aan het ‘er zijn’ voor de mensen, het gesprek met bewoners. Terwijl ze daar juist behoefte aan heeft.’

Collega Bervoets denkt dat de burger in zijn straat tot op zekere hoogte wel degelijk last heeft van de georganiseerde criminaliteit. Dat is volgens hem een ‘veelkoppig monster’, dat dichterbij de burger is dan hij zou vermoeden: ‘Bijvoorbeeld door de invloed die ze heeft op criminele jeugdgroepen in de buurt die overlast veroorzaken.’ Maar de onderzoeker erkent ook dat de landelijke aanpak van de criminaliteit veel van de capaciteit opslokt. De politie is boeven gaan vangen, zoals haar is opgedragen, maar dat is ten koste gegaan van het toezicht in de wijk.’

PvdA-raadslid Mbarki denkt dat de komst van een Nationale politie zelfs kan leiden tot de vervreemding van de politie van een stad: ‘Het is in het verleden voorgekomen dat er opsporingsteams in de stad werden opgebouwd met rechercheurs die werden ingevlogen uit Groningen. Al die diensten die landelijk opereren: ik begrijp wel dat ze een nationale scope willen houden. Maar daar bereik je de haarvaten van de stad natuurlijk niet mee, als dit nodig is.’

Herkenbaar

Schuilenburg vindt dat vooral in de zogenaamde ‘superdiverse wijken’ een inhaalslag moet worden gemaakt. In die buurten heeft nog maar 40 procent van de mensen nog vertrouwen in de politie, ten opzichte van een landelijk cijfer van 70 procent. Dat wordt wat hem betreft veroorzaakt door zaken als etnisch profileren en de patseraanpak waarbij jongens in te dure jassen extra gecontroleerd worden door de politie.

Hij wijst op de wijken met overmatig veel belwinkels, waar de politie er niet meer in slaagt sociale cohesie te creëren, omdat ze er niet meer aanwezig is: ‘Juist die wijken zijn gebaat bij een politie die herkenbaar en aanspreekbaar is. Anders keert ze zich steeds meer naar binnen.’

Een politie die zich ‘weg reorganiseert’ van de straat draagt hier niet aan bij, aldus de onderzoeker: ‘Dit soort gemeenschappen, neem de Turkse, worden steeds groter, terwijl de politie erop steeds meer afstand van komt te staan. Zo is er ook steeds minder bereidheid om met informatie naar de politie te stappen, of aangifte te doen. Men lost het binnen de eigen kring wel op.’

Naschrift: Sofyan Mbarki is inmiddels fractievoorzitter van de PvdA in Amsterdam

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Joost van der Wegen (1970) is (onderzoeks)-journalist op het gebied van criminaliteit, politie en justitie, inlichtingendiensten, slachtofferschap, en drugsbeleid. Hij publiceerde hierover onder meer in Metro, Panorama, Crimelink en Vrij Nederland. Voor Crimesite schreef hij het boek 'Onder spanning’, over politiewerk en PTSS. In 2018 werden zijn verzamelde misdaadreportages gebundeld in ‘Moordboek’ (Just Publishers).