Ruzies binnen de kerk of geloofsgemeenschap zou je niet verwachten in een gelovig land als Nederland, dat op de wereldranglijst de zeventiende plaats inneemt en moddergevechten toch bittere werkelijkheid blijken te zijn. Gerenommeerde advocaten leven ervan, maar kunnen geen “jackpot” beloven.

STEUN RO

Het kerkrecht in Nederland is al lange tijd in het geding, maar ondanks de vele publicaties van wetenschappers lijkt er niets te veranderen. Kerkrechtspecialisten menen dat het kerkrecht in verkeerde handen is bij ‘amateurs’ en deze zogeheten ‘lekenrechters’ onvoldoende onderlegd zijn om recht te spreken.

Ook blijkt er een groot machtsverschil te zijn tussen bestuursleden c.q. kerkenraad en de leden die, zo is de algemene overtuiging, niet of nauwelijks rechten hebben en niet opgewassen zijn tegen kerkenraden als ze hun doelwit zijn geworden. En of er sprake is van objectiviteit kan in twijfel worden getrokken. ‘Wat is objectiviteit?’ zegt docent kerkrecht Jan-Willem de Jong aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) in Amsterdam.

Het kerkrecht zou eigenlijk in dat opzicht op de schop moeten. Dat vindt Louis Meijer van Platform Mijnkerkinorde (www.mijnkerkinorde.nl) Hij maakt het binnen zijn eigen Gereformeerde Kerk vrijgemaakt (GKv) van nabij mee hoe een gemeentelid door de mangel wordt gehaald door een kerkenraad en begon een website met een oproep voor ‘invulling van kerkrecht met het hart’ om deze misstand onder de aandacht te brengen en om anderen te helpen.

Hij heeft in een brief aan de Generale Synodes en de politiek gevraagd maatregelen te nemen. De synodes zijn gevraagd in de nieuwe kerkorde die volgend jaar zou moeten verschijnen een regel op te nemen, dat een conflict binnen de kerk voortaan behandeld moet kunnen worden door de burgerlijke rechter. Dat zou een waarborg moeten zijn voor de ongeveer 150.000 kerkleden, dat zij niet het slachtoffer kunnen worden van machtsmisbruik binnen de kerkgemeenschap.

Cultuurverandering is volgens Meijer hard nodig. Conflicten binnen de kerk grijpen volgens hem diep in op het persoonlijke en sociale leven van een gemeentelid. Hij verklaart: ‘Een kerkgenootschap is je levensovertuiging. Dat is je sociaal netwerk, daar zit je familie en noem maar op. Dat keert zich allemaal tegen je als dit soort ellende allemaal over je heen komt. Het heeft heel sterk met je identiteit te maken.

Hij prijst zich gelukkig dat er nog kerkenraden zijn die niet onwelwillend staan tegenover een aanpassing van het kerkrecht: Baat het niet, schaadt het niet. Meijer geeft echter ook aan dat het dan nog steeds mogelijk zal zijn dat een kerklid onwetend kan zijn van bijvoorbeeld smaad en laster die door een kerkenraad op papier wordt gezet, maar onder het mom van ambtsgeheim verborgen wordt gehouden. Om die vorm van onrecht te stoppen, zijn naar zijn mening eerlijke ambtsdragers nodig die vanwege hun gehoorzaamheid aan God de gesloten gelederen van de kring van ambtsdragers durven te doorbreken.

Ook de Protestantse Kerk Nederland (ruim anderhalf miljoen leden) heeft te maken met de nodige besognes. Klaas-Willem de Jong heeft zich daarin verdiept. Hij is als docent kerkrecht verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit en studeerde Nederlands recht aan de Open Universiteit. Een lid staat volgens hem niet geheel machteloos, maar heeft verhoudingsgewijs een duidelijk zwakkere positie dan het bestuur.

Hij zegt: ‘In de vereniging heeft de ledenvergadering weliswaar het laatste woord, maar statuten kunnen dit zodanig beperken dat dit laatste woord in de praktijk niet veel voorstelt. Afgezien daarvan krijgt een bestuur eigenlijk altijd het voordeel van de twijfel. Pas bij langdurige en ingrijpende ‘affaires’ verliest een bestuur het vertrouwen. Althans, zo gaat het meestal in de praktijk.’

Maar het is niet alleen de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt en de Protestantse Kerk, waarin de nodige strijd wordt geleverd ook binnen het Nederlands-Israëlitische Kerkgenootschap (circa drieduizend leden) lijkt een machtstrijd gaande tussen Parnassiem (bestuursleden) en rabbijnen of Parnassiem (bestuursleden) met rabbijnen samenspannen om op onorthodoxe wijze leden dwars te zitten. 

Het is geen nieuws dat rabbijnen zijn geschorst, omdat ze een bepaalde mening verkondigden die bestuursleden niet zinden. Willekeur lijkt ook een rol mee te spelen, want daar waar rabbijnen worden geschorst, lopen leden het risico te worden geroyeerd. In het laatste geval is er dan sprake van een samenzwering tussen een rabbijn en bestuursleden van een Joodse gemeente.

Ook is er sprake van een angstcultuur, want ouders willen liever anoniem reageren bij misstanden, omdat ze bang zijn, dat hun kinderen anders niet meer worden toegelaten tot het Joods onderwijs. Ook kan er sprake zijn van een ‘stille censuur’ en bestuursleden leden influisteren geen contact op te nemen met de vermeende zondebok.

Dat lijkt niet aan te sluiten bij de stelling van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK) in het jaarverslag van 1993 dat ‘iedere Jood, die op basis van de halacha (wetgeving) tot het Joodse volk behoort, onafhankelijk of hij volledig of in mindere mate godsdienstige voorschriften nakomt, gelijke rechten heeft en zich thuis kan voelen.’

Of die rechten zo gelijk zijn, valt te betwijfelen als artikel 60 uit een reglement erbij wordt gehaald, dat het bestuur een absolute macht lijkt toe te kennen en leden kan maken en breken. In de praktijk betekent dit dat religieus machtsmisbruik in de hand kan worden gewerkt, en hoor en wederhoor onmogelijk wordt gemaakt:

‘In geval van twijfel over de betekenis van enige bepaling in dit reglement, stelt het bestuur de betekenis vast. In alle gevallen waar dit reglement niet voorziet beslist het bestuur.’

Opvallend in de roerige geschiedenis van het Jodendom zijn de tuchtmaatregelen, die werden toegepast om de orde en rust in de synagoge te bewaren. In de achttiende eeuw werd bijvoorbeeld het wegblijven uit de synagoge beboet met drie stuivers per week. Dat was meer dan de helft wat een ongeschoolde arbeider in die tijd verdiende.

Het reglement bevatte ook een gedragscode. Tijdens de dienst mocht er niet worden gepraat over koetjes en kalfjes. Als iemand na een aanmaning niet stil wilde zijn, kreeg hij een boete van drie stuivers, die ten goede zou komen aan de armen. Achttien stuivers diende aan de armen te worden betaald als tijdens het lezen van de Thora onbetamelijke uitlatingen werden gedaan. De helft was voor de arme Joden, de andere helft voor de armen in de stad.

De sancties konden echter niet voorkomen, dat op een gegeven moment in de synagoge zich een incident voordeed, waarbij een man uit boosheid een andere man met de Thora op zijn hoofd sloeg.

Opzien baarde ook de excommunicatie (cherem) van de filosoof Baruch d’ Spinoza (1632-1677) in Amsterdam. Hij kreeg het aan de stok met de gevestigde Joodse orde, toen hij het geloof onder vuur nam. Er was geen ruimte voor zijn ideeën en hij werd verbannen. Dat werd bekrachtigd met een banvloek.

Op 6 oktober 2009 liet opperrabbijn B. Jacobs in dagblad Trouw weten, dat de ban niet wordt opgegeven, omdat Spinoza zijn denkbeelden nooit heeft gewijzigd en de mens loskoppelt van de Allerhoogste.

Dat wijkt af van de ‘traditionele Joden die wel geloven in een persoonlijke G’d, die iets van hen wil en contact heeft met de wereld.’ Volgens Jacobs viel Spinoza buiten het systeem, omdat hij niet geloofde in een G’d, die zich met alles bemoeit en twijfelde aan de goddelijke oorsprong van Thora en bijbel.

Jacobs verklaring wordt bestreden door emeritus professor Joodse Studies, dr. Judith Frischman, aan de Universiteit Leiden. Volgens haar zijn er wetenschappers, die menen dat de overtreding van Spinoza niets met ketterij te maken had, maar met allerlei economische malversaties.

Een verbanning komt volgens Jacobs zelden voor. Er wordt wel druk uitgeoefend op leden, die weigeren mee te werken aan een echtscheidingsprocedure en daardoor een ander schade berokkent. Hij stelt dat het niet aan hem is om de verbanning op te heffen. Dat is naar zijn mening een zaak van de Portugees-Israëlitische Gemeente, waartoe Spinoza behoorde. Hij is er echter geen voorstander van, want dat zou naar zijn mening een belediging zijn voor de gemeenschap en rabbijnen van toen. Rabbijn Nathan Lopes Cardozo vindt het niet-opheffen van de ban van Spinoza een daad van kortzichtigheid.

Opperrabbijn Jacobs kwam zelf in conflict met de orthodox Joodse gemeenschap in Amsterdam, die de contacten met hem verbrak. Hij zou een misbruikzaak op de Joodse school Cheider in Amsterdam onder de keppel hebben willen houden. Zo berichtte Het Parool op 7 maart 2018. Als vice-voorzitter van de school was er een vraagteken achter zijn naam gezet, omdat hij verschillende ouders zou hebben gestimuleerd geen aangiftes te doen tegen een docent, die werd verdacht werd van ‘ernstig misbruik waaronder verkrachting’. De man is uiteindelijk veroordeeld. 

Volgens Het Parool waarschuwde Jacobs ouders dat er sancties zouden volgen op het doen van valse aangiftes en dat hun kinderen later niet meer zouden kunnen trouwen binnen de gemeenschap. Jacobs, die tevens voorzitter is van het college voor rabbinale zaken, ontkende de beschuldigingen en kreeg alle gelegenheid zich vrij te pleiten in het Nieuw Israelitisch Weekblad.

Ook was hij betrokken bij een royement van leden uit hetzelfde gezin, waarbij de kinderen werden uitgesloten van Joodse lessen, die door zijn rabbinaat werden verzorgd. Het bestuur wilde de vader daarmee treffen om een zakelijk conflict te beslechten. Ook adviseerde hij met buitensluiting van het gezin het bestuur de vader en moeder ongevraagd van elkaar te scheiden om in strijd met de Joodse wetgeving de één wel en de ander geen lid te laten zijn. De vader behoefde volgens hem geen stemrecht, omdat het bestuur toch niet of nauwelijks vergaderde met de leden.  

In verband met een eerlijke behandeling dringt het beginsel van hoor en wederhoor zich wel het meest op. Zo is te lezen in ‘Kerken in geding, de burgerlijke rechter en kerkelijke geschillen’ van mr. dr. Betty Santing-Wubs, die verbonden is aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de Rijks Universiteit Groningen.

Volgens haar is dit beginsel zonder meer ook van toepassing op de kerkelijke geschillenbeslechting. In een kort geding uit 1944 overweegt de president van de rechtbank naar aanleiding van een schorsing van enkele predikanten van de Gereformeerde Kerk in Groningen – nadat hij heeft vastgesteld dat de vergaderingen waarin deze besluiten zijn genomen niet wettig waren vanwege strijd met de kerkorde – het volgende:

‘daargelaten nog, dat in strijd met alle recht en gereformeerd beginsel de eischers (de kerk) de gedaagden niet gehoord heeft over wat hun ten laste is gelegd.’

Wegens schending van het beginsel hoor en wederhoor door de kerkenraad werd door de president van de rechtbank Dordrecht beslist dat de kerkenraad een nieuwe gemeentevergadering moest beleggen, waarin een ontslagen predikant de gelegenheid moest worden geboden om zijn standpunt tegenover de gemeente uiteen te zetten.

In verband met de ontzetting uit het ambt van een predikant en een aantal kerkenraadsleden zonder hen aan te horen, overweegt de president van rechtbank Breda:

‘Bovendien, doch zeker niet in de laatste plaats, moet ook bij het opleggen van kerkelijke tuchtrechtelijke maatregelen gelden het grondbeginsel van ieder tuchtrecht dat de betrokkene moet worden gehoord en het recht moet hebben zich te verdedigen.’

Betty Santing: ‘We zien in de genoemde gevallen dat het gaat om tuchtmaatregelen. Met name in tuchtzaken dient zeer zorgvuldig met de belangen van de betrokkenen te worden omgegaan.’ Met betrekking tot de schadelijkheid van een tuchtmaatregel wordt door de rechtbank Utrecht overwogen:

‘Daarbij dient opmerking dat het afzetten van een kerkelijke ambtsdrager bij wijze van tuchtmaatregel een besluit is dat diep ingrijpt in het persoonlijk, kerkelijk en maatschappelijk leven van de betrokkene, zodat aan de totstandkoming daarvan hoge eisen van zorgvuldigheid gesteld moet worden. Hoewel de burgerlijke rechter bij toetsing van kerkelijke besluiten terughoudendheid past, dient het ontslagbesluit van een ambtsdrager in ieder geval de toets van het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor te kunnen doorstaan.’

Royementen komen volgens Betty Santing zelden voor. De aard kan op verschillende zaken betrekking hebben. Het kan gaan om een theologisch argument of gedragingen die worden afgekeurd of een levenswandel, die erop wordt nagehouden.

Met betrekking tot het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap heeft zij gekeken naar het statuut, het reglement van arbitrage, de geschillen die werden afgehandeld en wat als arbitraal vonnis kan gelden naar Nederlands recht.

Zij erkent dat een bestuur met een artikel 60 om een omstreden royement te rechtvaardigen alle kanten op kan en veel religieuze macht heeft om een zaak (ten onrechte) in zijn eigen voordeel uit te leggen zonder de leden daarover te raadplegen. Aan dat beleid van een bestuur zijn geen sancties verbonden, omdat precies wordt gedaan wat in het artikel staat. Een lid heeft echter in geval het om een absurde uitleg gaat de mogelijkheid de burgerlijke rechter in te schakelen op basis van dat er eigenlijk geen sprake is geweest van een kerkelijke rechtsgang.

Maar volgens professor mr. dr. Fokko Oldenhuis, hoogleraar Religie en Recht aan de Rijksuniversiteit Groningen, zal een rechter zich niet snel branden aan een statuut waardoor een kerkgenootschap wordt geregeerd – ook al komt royement er niet in voor – en evenmin aan een arbitraal vonnis dat onder de koepelorganisatie is afgekomen. Notaris mr. Ariën J. Nielsen meent, dat niemand kan worden geroyeerd als het niet in het reglement is opgenomen.

Volgens Betty Santing blijft het een complexe wereld en heeft dat alles te maken met de manier waarop een kerkgenootschap is georganiseerd. ‘Veel wordt veel van bovenaf geregeld en kunnen er sancties worden opgelegd. Dat maakt het aannemelijk, dat er meer rechtszaken zijn, doordat leden naar de burgerlijke rechter stappen, omdat ze zeggen: “Dat pik ik gewoon niet meer.” Zij stelt verder dat leden zich tegenwoordig minder snel neerleggen bij besluiten van kerkbestuurders.

Santing zegt het wel in de rechtszaken steeds terug te zien, dat er een verkeerde balans is tussen een enorm instituut en een individu, dat niet zo makkelijk zijn weg weet te vinden in het statuut en de reglementen.

Minder goed te spreken, is zij over de uitspraken van de kerkgenootschappen zelf. Vaak gaat het volgens haar om amateurs. ‘Goedwillende vrijwilligers, die vast niet altijd bewust fouten maken, maar dat gebeurt kennelijk wel, omdat ze waarschijnlijk te weinig weten van hoe een goede procedure eruit moet zien’, aldus Santing.

Of de regeltjes met voeten worden getreden en bestuurders elkaar in bescherming nemen om geen schade te veroorzaken zou naar haar mening nieuw onderzoek vragen, maar dat gevaar sluit zij op zichzelf niet uit. (Wordt vervolgd)

Foto: Het oordeel van Salomon, pelgrimkerk van Frauenberg in Styria (Oostenrijk), plafondschildering in de pastorie (‘Keizerskamer’), 17e eeuw, schilder onbekend.

De zweepslag van het kerkrecht (slot)

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -

 

jvg