De revolutie die Pieter Jelles Troelstra eind 1918 aankondigde, kwam niet als een donderslag bij heldere hemel, maar sloot naadloos aan bij de rellen en opstanden die overal in Europa, niet in de laatste plaats in het grote buurland Duitsland, plaatsvonden. De gebeurtenissen daar werden in Nederland met argusogen gevolgd: politiek extremisme, zo was de wijdverspreide gedachte, zou vroeger of later overslaan naar het kleine buurland. Pas tegen deze achtergrond – die van de strijd om de toekomst van Duitsland – krijgt Troelstra’s mislukte greep naar de macht werkelijk reliëf. Tekst: Ries Roowaan

STEUN RO

Eind 1918, na meer dan vier jaar wereldoorlog – door de Amerikaanse diplomaat en wetenschapper George Kennan met recht de ‘oercatastrofe van de twintigste eeuw’ genoemd -, leek niets meer bij het oude. De militaire strategie, tactiek en ook geneeskunde hadden een razendsnelle ontwikkeling doorgemaakt: terwijl veel in 1914 nauwelijks verschilde van de toestand ten tijde van de Frans-Duitse oorlog in 1870, leek het vier jaar later in menig opzicht al 1940. Dat was niet vanzelf gegaan, maar ontsprongen aan een humanitair drama van onvoorstelbare proporties. Tijdens grootschalige en uiteindelijk volkomen zinloze offensieven was een aanzienlijk deel van Europa’s jeugd weggevaagd: circa tien miljoen soldaten sneuvelden en een veelvoud daarvan raakte gewond. Met name in Duitsland en Frankrijk waren diepe gaten in de bevolkingspiramide geslagen.
De oorlog bleek ook politiek een katalysator zonder weerga, met name in de verliezende landen. In Rusland had in 1917 een socialistische revolutie plaatsgevonden: voor de eerste keer in de geschiedenis leek de utopie van Karl Marx binnen handbereik. Een jaar later, in de laatste dagen van de oorlog, viel de Oostenrijk-Hongaarse dubbelmonarchie, het archetype van een multinationaal rijk, uiteen in diverse Midden- en Oost-Europese landen.
Ook in Duitsland werd de oude politieke orde weggevaagd. In oktober 1918, terwijl het einde van de vijandelijkheden al in zicht was, gaf de leiding van de Duitse vloot het bevel een laatste keer uit te varen, om in een grootse zeeslag ten onder te gaan en daarmee de eer van de keizerlijke marine, die bijna de gehele oorlog voor anker had gelegen, op het allerlaatste moment te redden. De matrozen in Kiel weigerden gehoor te geven en sloegen aan het muiten, door henzelf overigens ‘staken’ genoemd. Die opstand vormde het startschot voor een hele reeks demonstraties en rellen die als een razend vuur over het land gingen en allengs het karakter van een revolutie aannamen.
Begin november werd de republiek uitgeroepen, wat niet het einde van de gewelddadigheden, maar veeleer het begin van een burgeroorlog vormde: in de eerste maanden na de wapenstilstand werd hevig gevochten in de straten van Berlijn. Het Nederlandse gezantschap lag in het epicentrum. Op 8 januari was volgens de tweede man, die de op dat moment zieke gezant verving, de toestand gelijk aan anarchie: hij had al drie dagen geen post meer ontvangen, het openbaar vervoer staakte en de drukkerijen van de kranten waren vrijwel allemaal in handen van de communisten, de zogenaamde Spartakisten onder leiding van Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg. Er werd bijna continu geschoten, af en toe was zelfs het ratelen van machinegeweren te horen.
Uiteindelijk zou Friedrich Ebert, de leider van de nieuwe republiek, een einde maken aan de opstand. Ebert behoorde tot de rechtervleugel van de SPD en was een Verantwortungsethiker pur sang met weinig tijd voor ideologische vergezichten, maar met des te meer aandacht voor verbeteringen, hoe klein dan ook, van het lot van zijn achterban. Hij trad hard op tegen de Spartakisten. In Nederland leidde het herstel van de openbare orde tot grote opluchting: daar had men de gebeurtenissen in Berlijn reeds voor het einde der beschaving gehouden en de teloorgang van Europa als een voldongen feit beschouwd.

Wilhelm II in Nederland
Wilhelm II, de Duitse keizer, verbleef sinds eind oktober in het legerhoofdkwartier in het Belgische Spa en zag, nadat de republiek was uitgeroepen, geen andere mogelijkheid dan naar een neutraal land te vluchten. Aangezien een reis over water of een tocht dwars door Duitsland of Frankrijk te gevaarlijk zou zijn, viel zo goed als elk land inclusief Zwitserland af en bleef slechts Nederland over. Op zondag 10 november, een dag voor de wapenstilstand, stond de vorst bij Eijsden aan de grens en vroeg politiek asiel aan.
Dat asiel werd hem gegund, maar koningin Wilhelmina zou de ex-keizer nooit willen ontmoeten. Haar moeder, man en dochter daarentegen onderhielden een hartelijke relatie met hem. Voor de Nederlandse regering betekende de prominente vluchteling een politiek probleem van formaat. Duitsland zou niet om zijn uitlevering vragen. Al snel na zijn aankomst in Nederland sloot de man die dertig jaar op de troon had gezeten, een overeenkomst met zijn oude vaderland: hij kreeg een jaargeld en een belangrijk deel van zijn bezittingen zou worden overgedragen. De verkiezingen van begin 1919 hadden al laten zien dat de hem gunstig gezinde partijen geen machtsfactor meer vormden: ze hadden een uitgesproken slecht resultaat behaald. De tijd van de monarchie was definitief voorbij.
Frankrijk en Engeland waren evenwel niet van plan de voormalige keizer ongemoeid te laten. Zij beschouwden het politieke asiel als het zoveelste bewijs dat de Nederlandse neutraliteitspolitiek nogal onevenwichtig was en vooral Duitse belangen scheen te dienen. Het Verdrag van Versailles, waarmee in juni 1919 officieel vrede tussen Duitsland en de Geallieerden werd gesloten, stipuleerde dat Wilhelm II voor een internationaal gerechtshof zou moeten verschijnen en als oorlogsmisdadiger terechtstaan. Begin 1920, direct nadat het verdrag in werking trad, werd een officieel uitleveringsverzoek ingediend, dat echter beleefd werd geweigerd: het was niet in overeenstemming met het asielrecht en de nationale traditie, volgens de regering de enige maatstaf aangezien Nederland nu eenmaal geen verdragspartij was.
De Geallieerden accepteerden de afwijzing. Weliswaar had de Engelse premier, David Lloyd George, nog in december 1918 de verkiezingsstrijd gevoerd en gewonnen met de slogan ‘Hang the Kaiser’, maar in 1920 drong hij begrijpelijkerwijs niet al tezeer aan: Wilhelm II was een kleinzoon van koningin Victoria en daarmee een volle neef van de regerend Engelse koning. Bovendien was in 1918 de Russische tsaar en zijn gezin, eveneens directe familie van het koningshuis, door de bolsjewieken zonder pardon vermoord en ook dat maakte de Engelsen huiverig om de voormalige keizer op te eisen. Wilhelm II zou dan ook tot 1941, het jaar waarin hij overleed, in Nederland blijven.

Onmin met de Geallieerden
In het Nederlands-Duitse krachtenveld speelden de Geallieerden een belangrijke rol, niet slechts met betrekking tot het lot van de ex-keizer. In de maanden na de wapenstilstand werd duidelijk dat met name Frankrijk van plan was om de voormalige vijand economisch voor eens en voor altijd de nek om te draaien. Voor de Franse regering had de eigen veiligheid de absolute prioriteit, ook als dat de toekomst van het Europese continent op het spel zou zetten.
Tussen Nederland en zijn grote buurland had zich over de jaren een innige economische relatie ontwikkeld waarbij de kleinere partner land- en tuinbouwproducten leverde en Rotterdam als voornaamste haven van het Roergebied, het industriële hart van Duitsland, fungeerde. In omgekeerde richting kwamen industrieproducten. Voor Nederland was een economisch gezond Duitsland van levensbelang. Om die reden was men fel gekant tegen het Verdrag van Versailles, waarin Duitsland als enige schuldige werd aangewezen en tot enorme herstelbetalingen gedwongen.
In Nederland had men moeite de beenharde politiek van Frankrijk te begrijpen. Tijdens de oorlog was het de regering gelukt om de neutraliteit in ere te houden, ook al was bij tijd en wijle de druk immens geweest. Door het succes van die politiek hadden de Nederlanders evenwel ook een paar beslissende ervaringen gemist: het massale sterven in de loopgraven; de families waar altijd wel een vader, zoon, oom of neef ontbrak; de vrouwen die in de munitiefabrieken moesten werken omdat de mannen aan het front waren. Dat had zijn weerslag op de Nederlandse mentaliteit: het bleek niet eenvoudig om de angsten en zorgen van de voormalige oorlogsvoerende partijen te doorgronden.
Hier te lande was men doodsbang dat de door honger en armoede gevoede opstanden of zelfs een communistische revolutie zouden overslaan. Als Duitsland economisch en politiek in de afgrond stortte, zo was de overtuiging, dan zou Nederland hetzelfde lot wachten. Vanuit het perspectief van de kleinere partner was de grote buur een onmisbaar bolwerk tegen de revolutionaire geest, die het oosten en midden van Europa teisterde.

Respect en huiver
In Nederland bestond voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog veel respect voor wat de Duitsers economisch, academisch en cultureel hadden bereikt. Tegelijkertijd was er de latente angst al te hartelijk omarmd te worden door de machtige buur en langzamerhand de politieke onafhankelijkheid te verliezen. De verhouding Nederland-Duitsland was per definitie ongelijk. Ondanks zijn enorme koloniale rijk behoorde Nederland niet tot de grote machten.
Die spanning tussen bewondering en behoefte aan afstand was kenmerkend voor Nederland, alhoewel niet bij elk maatschappelijk segment in gelijke mate: de katholieke zuil koos vanwege de oriëntatie op België en Frankrijk eerder voor afstand, terwijl de sociaaldemocraten in tegenovergestelde richting neigden. Duitsland was het stamland van de arbeidersbeweging, het vaderland van Karl Marx en Friedrich Engels, het land met de best georganiseerde sociaaldemocratische partij. Tijdens de laatste verkiezingen voor de Eerste Wereldoorlog was de SPD als veruit grootste partij uit de bus gekomen.
Die overwinning had in 1912 nog niet tot regeringsdeelname geleid, maar zeven jaar later zou de partijleider Friedrich Ebert tot rijkspresident worden benoemd. De Duitse zusterpartij was staatstragend geworden, een wonder in de ogen van de Nederlandse sociaaldemocraten. Voor het bestuur van de SDAP was het reden genoeg om eind december 1918 J.F. Ankersmit, een medewerker van Het Volk, het partijblad van de rode zuil, als waarnemer naar het buurland te sturen. Tegelijkertijd zou hij onder de titel ‘Op bezoek in het republikeinsche Duitschland’ meermaals per week – bovenop de reguliere berichtgeving – enkele kolommen van de krant vullen. Zijn artikelen waren goed geïnformeerd en vervuld van sympathie voor Ebert en de zijnen; voor de Spartakisten, die als onrealistisch en destructief werden weggezet, toonde Ankersmit slechts onverholen afkeer, waarmee hij overigens vrij precies de stemming in de eigen partij volgde.
Blijkbaar was Friedrich Ebert een man naar het Nederlandse hart, want ook de gezant was, nadat ze elkaar in augustus 1919 voor het eerst hadden ontmoet, zeer over de nieuwe president te spreken. Op het eerste gezicht lijkt het wellicht een wat onwaarschijnlijk koppel: Willem Alexander Frederik baron Gevers die zelfs tot het einde van de jaren twintig, toen hij werd afgelost, met de koets naar zijn afspraken ging versus de man die zijn loopbaan was begonnen als eenvoudig handwerker en nu aan het hoofd van een van de grootste landen van Europa stond. Evengoed moet het een aangenaam gesprek zijn geweest. Gevers berichtte aan het Haagse ministerie vol lof over het Duitse staatshoofd: hij typeerde Ebert als een kundig bestuurder die het beste voorhad met zijn veelgeplaagde vaderland.
De diplomatiek vertegenwoordiger schreef ook dat Ebert nog zichtbaar aan de waardigheid van zijn hoge ambt moest wennen. Dat is mogelijk, maar wellicht speelde hier tevens een zekere vooringenomenheid mee. Gevers stond bekend als uitgesproken monarchistisch, zelfs dusdanig dat het gezantschap na 1918 een belangrijke ontmoetingsplek van de voormalige hofkliek werd. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk dat de man, die sinds 1906 in Berlijn verbleef, nog erg moest wennen aan de nieuwe wind die door Duitsland ging.