Weinig dichters hebben zo’n eigen en unieke stem als de Vlaamse dichteres Delphine Lecompte. In de serie DICHTER BIJ, dat een platform biedt aan eigenzinnige dichters uit Nederland en Vlaanderen, deze keer een voorpublicatie van drie gedichten uit haar nieuwe dichtbundel ‘De Baldadige Walvis’, die eind januari verschijnt.

STEUN RO

Delphine Lecompte (1978) debuteerde in 2004 in het Engels met de roman Kittens in the Boiler, waarna ze overschakelde op poëzie in haar moedertaal. Haar debuutbundel, De dieren in mij, viel twee keer in de prijzen: de C. Buddingh’-prijs 2010 en de Prijs voor Letterkunde van de Provincie West-Vlaanderen 2011. In januari 2012 verscheen bij De Bezige Bij Antwerpen Blinde gedichten, die werd genomineerd voor de Herman de Coninckprijs. Op gedichtendag 2013 verscheen haar bundel Schachten en amuletten. Haar nieuwe bundel verschijnt eind januari 2014 en is getiteld De Baldadige Walvis.
Delphine Lecompte heeft een 80-jarige muze die kaas voor haar koopt en op tijd zegt dat het tijd is om te gaan slapen.
_____

Nu ik eindelijk gelovig ben

Nu ik eindelijk gelovig ben zijn mijn wonden van geen tel
Ik tel ze op: 67 letterlijke en meer vanbinnen
Ik lach ze uit, in mijn spiegel zie ik er naamloos uit
God heeft mij ouders gegeven maar geen geboden
Dus mag ik mijn moeder straks vermoorden met een zeeflepel.

Maar ik zal haar niet vermoorden
Sinds ik gelovig ben bezoek ik haar elke vrijdag
Ik breng gouden varkens en kersenbonbons mee
Nee, dat is een leugen, ik breng niets mee
Elke vrijdag verafschuw ik haar minder.

Vandaag zit ik tegenover haar, ik draag een nieuwe regenjas
Ik hou mijn jas aan
Mijn moeder vraagt of ik werk zoek
‘Er wordt werk gezocht voor mij, vooral in kiwibedrijven.’
Mijn moeder zegt: ‘Ah.’ Ze onthoofdt een wesp met een melkkarton.

Niets is symbolisch: wesp noch melk
Ik sta op om mijn moeders haar te strelen
Ze duwt mij weg
Ik zeg: ‘Ik heb God gevonden.’
Het klinkt te klein, te simpel, te rauw.

Mijn moeder lacht, ze blijft lachen
De avond valt en ze onthoofdt een tweede insect
Deze keer is het wel symbolisch: de kever en het druivensap
Buiten regent het maar binnen heb ik een jas
Ik probeer het opnieuw; mijn moeders haar.

Duwt ze mij weer weg?
Waarschijnlijk want ik val op de grond
Een man komt binnen, zijn beroep is belangrijk voor mijn moeder
De fotograaf zegt tegen mij: ‘Je bent er nog.’ Ik sta recht
Hij kust mijn linkerwang en trekt onwetend een foto van mijn nieuwe visie.

AQM Beeldspraak Delphine 4

De waarheid is ook dat ik niet onverwoestbaar ben

Het is nacht op het strand en de visser zegt: ‘Je bent banaal.’
Ik hoop dat hij eenvoudig bedoelt
De maan is een pokdalig eiland en mijn handen proberen
De visser te paaien, maar hij vergeet dat hij paaibaar is
En vraagt kwaad waarom ik gisteren zijn hond heb vergiftigd.

Ik bestond gisteren niet, ik weet zeker dat ik gisteren niet heb geademd
‘Gisteren lag ik de ganse dag in het bed van een balorige walvisjager.
Je kunt het hem vragen, hij staat daar naast de ingang van de bunker.’
Wanneer we de bunker bereiken is het dageraad
De walvisjager wijst naar mij en zegt: ‘Gisteren lag ze niet de ganse dag in mijn bed.’

De Zee is een reddeloos kuiken
De waarheid is ook dat ik gisteren de ganse dag paddenstoelen heb geplukt
Je kunt het niemand vragen, ik was alleen, ik heb ze opgegeten
Terwijl de visser het bloed van zijn polsen schraapt
Red ik een krabbetje uit een kluwen wier, ik geef haar mijn naam.

Ik had gisteren een naam nodig
Om binnen te geraken in het arbeidsbureau
Toen ik binnen was wilde ik naar de duinen
De arbeidstiran voelde mij aan de tand over mijn laatste sollicitatie
Het is waar dat ik in de lasagnefabriek een vleesfontein een kopstoot heb gegeven.

De fontein is ongehavend fontein gebleven
Maar het krabbetje wordt vertrapt door de lompe visser
De waarheid is nooit dat ik een hond heb vermoord, hoe verwoestbaar ook
Gisteren heb ik de ganse dag op de goocheltruc van een ambulancier gewacht.
_____

Opgewekte camouflage overal, op de dijk vooral

Op de dijk krijgt mijn nicht een feeënsmoeltje
Terwijl ze wordt gegrimeerd raak ik bevriend
Met een gepensioneerde taxidermist
Hij vraagt of ik zijn opgezette antilope wil zien?
Natuurlijk wil ik die zien! De antilope is mijn lievelingsdier.

Vorig jaar hing er nog een prent van een antilope in mijn slaapkamer
Maar na de bleekwatervernieling van haar Indonesische voettapijten
Heeft mijn grootmoeder alle posters van de muren verwijderd
Het was nochtans een ongeluk, mijn grootvader geloofde het meteen
De woning van de gepensioneerde taxidermist oogt te klein voor een evenhoevig beest.

Te klein zelfs voor een opgezette geit
Er hing ooit een gravure van een wolf met grootmoederlijke slaapmuts boven mijn bed
De gepensioneerde taxidermist zegt: ‘Ik moet bekennen
Dat ik een simpele kinderlokker ben. Wil je limonade? Of iets sterkers?’
Wanneer ik niet antwoord stelt hij een nieuwe vraag: ‘Is het de eerste keer?’

De eerste keer dat een morsige grijsaard mij verschalkt?
Nee, het is de vijfde keer
Maar de vorige vier grijsaards waren minder morsig
En ze woonden in grotere huizen met onschatbare goudreptielen op ondoorlaatbare gordijnen
Er lagen ijsbeervachten op de vloer, en er zaten levende apinnen op de schouw, 1 heette Alexandra.

Zo heet mijn nicht ook; daarom heb ik het onthouden
In de slaapkamer van de taxidermist hangt een foto van de tweede sukkel op de maan
Op de dijk is de grimeman verdwenen, en alle feeënsmoeltjes uitgelopen door de regen.