De serie DICHTER BIJ biedt eigenzinnige dichters uit Nederland en Vlaanderen een platform voor nieuw en uniek werk. Deze keer een exclusieve voorpublicatie uit de nieuwe bundel van dichter, schrijver en theatermaker Marjolijn van Heemstra, wereldburger met blauw bloed.

STEUN RO

Marjolijn van Heemstra (1981) studeerde godsdienstwetenschappen. Ze debuteerde met de dichtbundel Als Mozes had doorgevraagd (2010), die driemaal werd herdrukt, werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond met de Jo Peters Poëzieprijs. In 2012 volgde haar debuutroman De laatste Aedema. Tevens is zij huisdichter van het ruimtevaartcentrum ESA in Noordwijk.

In haar nieuwe poëziebundel Meer hoef dan voet onderzoekt Marjolijn van Heemstra de oorsprong van de mens en het leven, verwondert ze zich over de voortgang van de tijd en tast ze haar eigen grenzen af. Zonder zich te verliezen in zweverigheid of zwaarwichtigheid verwoordt ze haar evolutionaire verbazing, in even aardse als gelaagde gedichten.

Meer hoef dan voet wordt op zondag 18 mei a.s. i.s.m. de SLAA in het Tuinhuis in de Tolhuistuin in Amsterdam gepresenteerd. Met optredens van o.a. Mustafa Stitou en Maartje Wortel, een presentatie 'Poëzie in de ruimtevaart' van Rob van den Berg (directeur van de Space Expo, Noordwijk) en muziek van Roald van Oosten. Aanvang: 17.00 uur. Entreeprijs € 5,00

Marjolijn van Heemstra – Meer hoef dan voet (64 pag.)
De Bezige Bij, € 17,50 / e-book € 12,99

–––––

 

HET MIDDEN

Ik ken het verhaal van kiem tot kroon, van de eerste symbiose
tot de rechtopstaande borst, de dieren en hun echo in ons, bewaard in vliezen, stukken vacht en hitte rond het hart. Ik ken het verhaal
van aap tot mens, ik weet hoe ik mij tot homo sapiens strekte, rusteloos

en haaks op de aarde. Maar iets in mij staat nooit rechtop, glijdt
onverschillig weg van warmte, ondanks fakkels en vuurstenen ruik ik
naar vocht, in mijn borst geen drift maar de klop van een spons.
Ik ben twee kanten op geworden, naar voren en naar achter
getuimeld in de tijd,

in mij sleept een slak zich prehistorisch kalm
terug naar het begin en een mens zich naar het einde; geen van beide
is in zicht, alleen dit tijdelijke midden.

–––––

NA DE BEROERTE

Toen hij viel is zijn buizerd opgevlogen. Hij ontwaakte als een ander, de gele klauwen blauw van bloedverdunners, de bek zachtaardig, een gras- vogel, pikkend in de broodjes die de verpleging voor hem strooit. Hij was een man die in alles een toendra zag om te trotseren. Op de zware tocht liet hij de zwakken achter om hulp te halen bij de volgende post, jaren verderop en altijd te laat. Nu schommelt hij sterfelijk in zijn trui. De arts zegt dat het vaker voorkomt: ontwaken met een ander in je brein. Hij lacht erom met een dankbaar dicht mondje, hipt op zijn laatste goede been door de gangen van de serviceflat als de vrolijke ekster die hij werd, ha! In de hal wacht hij op wie niet komt. De vrouw die ooit bevroren achterbleef, de zoon die hij liet spartelen in een wak. Hij eet een nootje, fluit een wijsje. Wat niet is kan nog komen, dat lijkt hem wel bewezen. Hij heeft iedereen vergeven, ook zichzelf en ook het leven dat hem pas deze winter in zijn armen sloot. Hij eet een nootje, fluit een wijsje, niks dan zomer in zijn hoofd. En wie niet komt die kan nog komen. En wie hem niet vergeeft, vergeeft hij ook.

–––––

COLLAGEEN

Het is begonnen. Het traag opdrogen van mijn lach,
mijn frons, de vorm waarin ik jaren mijn lippen
heb geplooid om te doen alsof ze voller waren.

Er is nog wat vet om in te schuilen, restjes elastiek
en jeugd, vel van niemand in het bijzonder,
maar de rest is onherroepelijk mezelf.

Mijn pruilen, mijn knipoog, onvrede rond mijn mond, alles
wordt met gevoel voor detail verhaald op de bleke lap
die tot voor kort van iedereen had kunnen zijn.

Mijn ware aard ligt nu onbeschermd op mijn gezicht,
uniek vertakt, ik ben steeds minder
met een ander te verwarren.

–––––

BESTE MARSBEWONER,

Het is zover, we komen.
Het kan nog even duren,
maar dat is mensentijd,
niets vergeleken bij
de logge jaren waarin jij
langs je winters trekt.
Wees gewaarschuwd,
het wordt een enkele reis,
waar nu satellieten landen
lopen wij straks vermagerd
maar voorgoed je lauwe dag in.
We zullen zeven, keren, drillen,
tot last zijn. Wat kan ik zeggen?
We komen van nabij de zon,
onze levens zijn kort
en we branden van verlangen.
Leeg zijn onze geheimen,
ontoereikend onze taal,
we hebben geen woorden
voor het einde, geen
enkel talent voor sterven,
maar ons hart is wijd en rood
als een watermeloen.
Bekijk ons ’s nachts, wie
één mens ziet slapen
ziet ze allemaal,
en vergeef ons onze verhalen,
die smal zijn als slootjes
ver van de zee. We zijn veel
vergeten, waarom alles
uit elkaar moest en hoe
(als straks de kracht zich omdraait)
we de bliksemse zooi
weer vastgehecht krijgen.
Niemand weet waarom jij
na de oerknal afsloeg
maar de officiële motivatie
van ons komende bezoek
(water, ruimte, methaan)
is niet de ware. Een vreemde heimwee steekt
als een graat in onze keel.
Nu kan het eeuwen duren
voor een mens een naaste herkent,
laat staan een verwant
van miljarden jaren ver,
in het midden van ons oog
zit een zwarte blinde vlek.
Kom ons voorzichtig
tegemoet, van de zijkant,
de zachte flank waar
ons zicht wit en open is.
Het wordt tijd
dat iemand ons vindt.