De nieuwe verhalenbundel van Sanneke van Hassel, ‘Hier blijf ik’, bevat veel mooie, gevoelige en soms haast tedere vertellingen, die nostalgie en heimwee ademen. Klein leed, verborgen trauma’s en kwetsbaarheid – Van Hassel weet in haar kale, terloopse zinnetjes veel aan te stippen.

STEUN RO

Sanneke van Hassel – Hier blijf ik (192 p.). De Bezige Bij, 192 p., € 19,90?

Een jaar of zes geleden tourde Spinvis door het land met Kamermuziek. Op het podium liet hij als het ware zien hoe hij zijn nummers componeert. Het leverde een fascinerende voorstelling op die, in tegenstelling tot wat je misschien zou verwachten, de magie alleen maar groter maakte.

Een soortgelijk gevoel bekruipt je bij Hier blijf ik, de nieuwe verhalenbundel van Sanneke van Hassel (1971). Al sinds haar debuut IJsregen (2005) toont Van Hassel zich een meester op de korte baan, al overtuigde ze ook met haar debuutroman Nest (2010), eigenlijk een roman in verhalen. In 2008 kreeg ze eerder de BNG Nieuwe Literatuurprijs uitgereikt en vorig jaar werd haar de Anna Blaman Prijs toegekend – steeds opnieuw toont Van Hassel zich een scherp stiliste, die haar vertellingen vaak een bedrieglijke eenvoud en alledaagsheid meegeeft – iets wat ze overigens met Spinvis gemeen heeft.

Ook in Hier blijf ik zijn het vaak alledaagse taferelen die in trefzekere, tamelijk sobere zinnen voor onze ogen worden getoverd. Het boek bestaat uit een reeks foto’s, gemaakt voor de stadsexpositie De Kracht van Rotterdam, die Van Hassel inspireerden tot een kort verhaal. En kort is hier ook echt kort: de teksten zijn hooguit twee bladzijden lang. Toch heeft Van Hassel niet meer ruimte nodig om een imaginaire stad vol mensen, zo kleurrijk en divers als de bevolking van Rotterdam, tot leven te wekken.

Verleden tijd

De bundel begint sterk, met het verhaal ‘De deur door’. Een vrouw struint door het huis van haar jeugd. Het staat er vervallen bij: ‘Langs brokken steen en lappen zeil bereikt ze de trap aan de voorkant. Op de eerste verdieping zijn de binnenmuren gesloopt maar de deurpost van de keukendeur staat nog overeind.’

Zo vervallen als het huis is, zo stevig is het bouwwerk van haar herinneringen, die moeilijker loslaten dan het schilderwerk en het stuc op de muren, en die ze ook niet wíl loslaten: ‘Soeverein staat de keukendeur in het midden van de ruimte. Ze zou hem op het dak van haar auto willen binden. Een deur om door terug te gaan naar het verleden. Waar je je op dat moment bevindt zet je hem neer. Ze zijn er allemaal weer, als je over de drempel stapt, de mensen, de dingen.’

Het is niet het enige verhaal dat draait om het spanningsveld tussen verleden en heden en om de aanwezigheid van het verleden in het nu. In ‘De witte pony’ bijvoorbeeld – geïnspireerd op een raadselachtige foto van een man die in de schemering een witte streep op een autoweg verft – keert een naamloze hoofdpersoon eveneens terug naar zijn jeugd. Of beter gezegd: naar de witte pony die hij in zijn jeugdjaren liefhad. ‘Elke dag had ze bij het hek gestaan. Toen hij ging studeren, had hij haar geen gedag gezegd.’

Verbeelding

Hier blijf ik bevat veel mooie, gevoelige en soms haast tedere vertellingen, die nostalgie en heimwee ademen. Klein leed, verborgen trauma’s en kwetsbaarheid – Van Hassel weet in haar kale, terloopse zinnetjes veel aan te stippen. Die onnadrukkelijkheid zorgt voor verrassing en verwondering, en soms ook voor grappige fragmenten. De Rotterdamse schrijfster weet het allemaal zo op te schrijven dat het gewone bijzonder wordt, en het bijzondere gewoon.

De combinatie met de foto’s geeft je als lezer het gevoel dat je een glimp opvangt van hoe een verhaal ontstaat: hoe een beeld van een man in de schaduw van zijn rijkbeplante tuin leidt tot een verhaal over een overspannen geraakte en uit zijn functie ontheven politieagent; hoe een kaal landschap van nachtelijke snelwegen badend in geel kunstlicht resulteert in het relaas van Iraanse Nederlanders, van het vliegveld op weg naar ‘de stad waar ze woonden’. ‘Of dat thuis was wist ze vannacht niet zeker. Vannacht was haar huis de hoofddoek van haar moeder.’

Het is alsof je heel even over de schouder van de schrijfster meekijkt en de verbeelding aan het werk ziet. Fascinerend – en de magie van het schrijven wordt er alleen maar groter door.