Ik had er al vaak over gelezen: Cartagena de Indias. Als ik de naam prevel en ik doe mijn ogen dicht dan ontstaat er een beeld in mijn hoofd dat ik niet goed kan omschrijven. Alsof het een ver oord is in een sprookje. Een soort kasteel, zwanger van romantiek. Het is er zo mooi en de mensen zijn er zo lief dat je er je hele leven zou willen blijven. Alsof het zo moest zijn kwam ik in Cartagena de Indias een Duitser tegen die mijn droombeelden daadwerkelijk had beleefd. En hij besloot te blijven. Hij woont er nog steeds, dolgelukkig in zijn Cartagena de Indias.

STEUN RO

Slapen doen we ’s nachts. Ook in het vliegtuig. Als ik moet vliegen probeer ik altijd bij het raam te zitten zodat ik lekker naar buiten kan kijken. Vind ik heerlijk. Zo ook op de vlucht van Bogotá naar Cartagena de Indias. Heel spectaculair was het niet wat ik onderweg te zien kreeg – anders dan bijvoorbeeld op de vlucht Bogotá-Cali – maar eenmaal op de grond werd dat ruimschoots goed gemaakt.

Rond Cartagena is het land vrij vlak, zeker voor Zuid-Amerikaanse begrippen. Vlak voor de landing zag ik de duizenden ‘hutjes’ van de sloppenwijken. Het was als een ‘letterbak’ van vroeger. Kent u ze nog? Die wandkasten met vakjes, waar je snuisterijen in kon zetten? Het voelde even ontnuchterend, moet ik eerlijk zeggen, maar de mens vergeet snel bij het krijgen van volgende indrukken. En die volgden elkaar in rap tempo op.

Ik was in Cartagena de Indias en de bloemen en bijbehorende geuren kwamen me al op de vliegtuigtrap tegemoet. Dit móest wel de luchthaven van het verre oord uit het sprookje zijn. Prachtige bloemen kwamen tevoorschijn uit opengewerkte houten schermen die dienden als gangpad richting de uitgang. Dat had al iets bijzonders. Zou het dan toch? Dat sprookje?

Ik had geen koffers, mijn tassen hoefden niet te worden gecheckt en mijn paspoort kon ik in mijn zak houden. Ik kwam immers van een binnenlandse vlucht. Zo stond ik binnen twee minuten vanaf de vliegtuigtrap buiten de luchthaven alwaar nieuwe, veelkleurige bloemen me van alle kanten aankeken.

Een busje bracht me naar een hotel alwaar me een lunch geserveerd werd. Het hotel deed eerst dienst als appartementencomplex, maar werd later omgebouwd tot hotel vanwege de mooie ligging én de toenemende vraag naar hotelkamers. Wat het pand bijzonder maakte, was dat de galerij van buitenaf aan het zicht ontnomen werd door een haag die dus dienst deed als balustrade. Een prachtig gezicht vanaf beneden.

Hetzelfde busje van Delfines Tours bracht me vervolgens via de schitterende kustweg naar de oude binnenstad van Cartagena de Indias. Die geheel ommuurde stad waar je altijd zo veel over hoort. Zo mooi als de overlevering het wilde – ook in de (verfilmde) boeken van Gabriel García Márquez – kon het eenvoudigweg niet zijn. En eerlijk is eerlijk, dat was het ook niet.

Serenade

Want hij is niet mooi, die binnenstad, hij is fenomenaal. Ontroerend mooi. Het zien van het oude Cartagena de Indias bracht me van mijn stuk. Eén keer eerder maakte ik dat mee, in Venezia. Inderdaad, het Italiaanse Venetië, waar ik met de trein naar toe was gegaan. Daar stapte ik vanuit het station in een andere wereld, in een sprookje. Een ander sprookje.

Nu reed ik in een busje en ik wist niet wáár te kijken. Wat een levendigheid, wat een gezelligheid, wat een aaneenschakeling van pittoreske plaatjes! Het leek wel één groot schilderij dat aan me voorbij trok. Een soort ‘Panorama-Mesdag-to-the-max’. De organisatie had een hotelletje voor me geregeld in die oude binnenstad. Een zogeheten boetiekhotel. En oh, wat romantisch! Moet je nog op huwelijksreis? Ik raad aan: ga naar Cartagena de Indias! Echt, romantischer gaat het niet worden op aarde. Nauwe straatjes met overal bloemen en planten en schitterende gevels die vertellen over hoe het leven daar eeuwen geleden geweest moet zijn. En zoals ook in Bogotá: wat is het er schoon! Níets ligt er op de grond.

De boetiekhotels worden gevormd door verschillende aan elkaar gekoppelde huizen of grotere huizen met een patio. De binnenplaatsen en patio’s zijn zonder uitzondering begroeid met de meest uiteenlopende prachtige planten die schitterende bloemen produceren. Het ene boetiekhotel is nog idyllischer dan het ander. Houd je van de luxe van 2016, dan ben je daar niet op zijn plaats, maar wil je wegdromen naar tijden van weleer, dan is zo’n hotel in de ommuurde stad hét middel. Zittend in de patio laat je je blik rondgaan totdat je op een balkon een vrouw ziet verschijnen. Je krijgt onmiddellijk zin om haar een serenade te brengen. Dát gevoel gaf ‘mijn’ boetiekhotel me.

De kamers zijn eenvoudig, maar schoon en compleet, tot aan wifi en televisie toe. Meer heb je ook niet nodig op zo’n prachtige plaats. Je fantasie doet de rest.

Zeerovers

Een gids met de naam Oscar leidde me even later door de oude stad. Honderduit vertellend over ‘mi ciudad’. Hij vertelde me dat Cartagena de Indias niet altijd dat romantische karakter heeft gehad. Daar was ik al bang voor. Cartagena werd ‘gesticht’ door de Spanjaard Pedro de Heredia in 1533 en vernoemd naar de stad in Spanje. Het nieuwe Cartagena bestond namelijk al, maar heette Calamarí, naar de oorspronkelijke bewoners: de Calamarí-indianen.

Tijdens de zestiende en de zeventiende eeuw was Cartagena een van de belangrijkste havens van de Zilvervloot. Dat was een jaarlijks konvooi van schepen, waarin kostbaarheden van de Spaanse koloniën in Zuid- en Midden-Amerika werden verscheept naar Spanje. In Nederland is de zilvervloot vooral bekend om de verovering ervan door Piet Hein in 1628. Deze maakte namens de West-Indische Compagnie (WIC) al in 1626 een plan om de zilvervloot te kapen en de kostbaarheden naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden te verschepen. De Republiek was op dat moment verwikkeld in de Tachtigjarige Oorlog met Spanje en ‘zeeroverij’ in opdracht van een staat was in die jaren heel gebruikelijk en legaal.

Maar er waren meer kapers op de kust. Zoals ‘Sir’ Francis Drake. In 1585 werd Cartagena volledig geplunderd door Francis Drake; in 1697 door de Franse admiraal Jean du Casse.

Na de overval van een van ’s werelds beroemdste piraten – Drake dus – besloot Spanje dat het maar eens afgelopen moest zijn met alle plunderingen van buitenaf en dus werd er veel geld gestoken in de verdediging van Cartagena. Gouverneur Francisco de Murga liet een plan maken voor een stadsmuur en een groot fort. Liefst 208 jaar werd er gebouwd en anno 2016 is het resultaat nog altijd in volle glorie te bezichtigen: een 11 kilometer lange stadsmuur om de oude stad heen en even verderop het prachtige Castillo San Felipe de Barajas, genaamd naar de toenmalige Spaanse koning Felipe de vierde en gebouwd onder het gouverneurschap Pedro Zapata de Mendoza. Het kasteel werd nooit veroverd ondanks diverse bestormingen, zo doordacht en robuust was het gebouwd.

Cartagena deed daarna ook ‘dienst’ als belangrijke handelsstad voor slaven. Historici schatten dat er in totaal zo’n miljoen mensen uit Afrika naar Cartagena zijn verscheept tussen 1500 en 1800. De gids die ons de volgende dag het moderne Cartagena de Indias én het beroemde kasteel laat zien is er zelfs trots op. Typisch genoeg luisterde de man naar de voornaam Encarnación. Hij vormt inderdaad de belichaming van de bevolking van Cartagena die volgens hem voor 75 procent uit afstammelingen van de slaven bestaat. Dit in tegenstelling tot grote steden als Bogotá en Medellín  waar dat het percentage rond de 10 ligt.

Net als zijn collega Oscar, die ons de ommuurde stad liet zien, is Encarnación razend trots op zíjn Cartagena de Indias. Zo ook de Duitser die er nu 13 jaar woont. Ik kan me dat nu ontzettend goed voorstellen. Ik was er maar kort, maar Cartagena de Indias heeft een onuitwisbare indruk op me gemaakt. Sprookjes bestaan nog, weet ik nu.

Want is het niet de ommuurde binnenstad die je doet wegdromen, dan is het wel het kasteel, of het prachtige El Santuario de la Virgen de La Popa op de Cerro de la Popa, een heuvel van waaraf je een prachtig uitzicht hebt over de stad én natuurlijk het beroemde Hotel Caribe. Dat hotel bestaat al sinds 1941 en stond toen in zijn eentje te pronken in de wijk Bocagrande die anno 2016 met wolkenkrabbers is volgebouwd. Het is een vreemde gewaarwording als je door ‘modern Cartagena’ rijdt, om ineens met Hotel Caribe geconfronteerd te worden. In die drukke wijk vormt het hotel een oase in velerlei gedaanten.

Ik verliet Cartagena de Indias na amper twee dagen. Jammer, maar zo had ik het vooraf geregeld. Mijn reis ging verder, naar Barranquilla. Met pijn in het hart liet ik de stad achter me, al nadenkend over hoe ik in Godsnaam een verhaal over deze stad moesten gaan schrijven. Liever had ik dat overgelaten aan een échte schrijver. Ja, zoals Gabriel García Márquez.

Cartagena de Indias. U moet er gewoon heen.