Begin dit jaar is het schadefonds voor slachtoffers van mishandeling in jeugdzorg in werking getreden. De Commissie De Winter, die deze misstanden onderzocht, interviewde honderden slachtoffers over hun ervaringen met geweld in instellingen en pleeggezinnen. Jasper Heijting (59) is een van hen. Hij schreef er een boek over. Dit is zijn schokkende verhaal.

STEUN RO

Niet meer denken aan vroeger

“Ik was bijna drie toen ik door de kinderbescherming bij mijn ouders werd weggehaald. Ik was te klein om te snappen wat er gebeurde. Ik herinner me warme en fijne momenten met mijn ouders; maar ook een parallelle wereld waarin vieze, verwarrende seksuele dingen met mij gebeurden. Naargeestige beelden over gevangenschap en pijn die allerlei vragen opriepen waarop ik de antwoorden niet wist. Het volgende moment dat ik me kan herinneren, is dat ik samen met mijn broer in een auto zat. Een maatschappelijk werkster bracht ons naar een kindertehuis in het noorden. Ik zat voor eerst in mijn leven in een auto. Voor het eerst zag ik een koe in het echt. Ik was te klein om alles te begrijpen, maar ik voelde aan alles dat er iets ingrijpends ging gebeuren.

Van mijn jaar in dat kindertehuis weet ik alles nog, tot in de kleinste details. Van de ene op de andere dag was ik gescheiden van mijn ouders en kwam ik als kleine jongen in een volledige andere omgeving terecht. Dat was heel heftig. Toch zou dat jaar de enige periode in mijn jeugd worden waarin ik me in zekere zin veilig voelde. In groepsverband, tussen al die kinderen, vond ik een gevoel van veiligheid en geborgenheid. Dus toen ik daar na een jaar weer weg moest, was dat verschrikkelijk. Het was heel abrupt. Ik wist niet waar we heen gingen of wat er ging gebeuren; er werd ons niets verteld.

Opnieuw was er die onzekerheid: wat zou er met ons gebeuren? Gelukkig was mijn broer erbij, dat was mijn enige houvast. We werden een vreemd dorp binnengereden en de maatschappelijk werkster belde aan bij een vreemd huis. Het eerste wat mij opviel, was het kersttakje dat aan de muur hing. Dat had wel iets vertrouwds, want in het tehuis hadden we ook kerstmis gevierd. Ik zag ook een mandje met autootjes op tafel staan. Ik weet dat ik toen dacht: ‘hee, ik word hier kennelijk verwacht’.

Die avond nam de maatschappelijk werkster me mee naar mijn kamer. Ze legde mijn kleren in de kast, keek me aan en zei: ‘vanaf nu moet je alles van vroeger vergeten. Je mag er niet meer aan denken.’ Ik herinner me dat als een moment van shock, want hoezo mocht ik niet meer aan mijn ouders denken, of aan het kindertehuis? Wat ging er dan gebeuren? Ik snapte er niks van. Het voelde opnieuw heel onzeker: alsof ik op geen enkele manier nog enige grip op mijn leven had.”

‘Mag ik met de ambulance?’

“Als klein kind heb ik erg geworsteld met de trauma’s die ik thuis had opgelopen. Ik kon wat er was gebeurd geen plek geven, omdat ik er met niemand over kon praten. Mijn pleegouders spraken niet met me. Maar ze merkten de issues met seksualiteit die ik had wel op. Ze reageerden daarop met geweld: koude douches, stokslagen. Dat was het eigenlijk het begin van de negatieve spiraal. Op een dag moesten mijn amandelen worden geknipt. In al mijn naïviteit vroeg ik: ‘mag ik dan met de ziekenauto’? Ik kreeg gelijk slaag, want zoiets vroeg je niet. Voor mij was dat het moment waarop ik me, hoe klein ik ook was, echt realiseerde: dit gaat niet goed.

Het geweld werd steeds erger. Mijn pleegouders sloegen met alles, en op alle mogelijke manieren. Mijn oudste broer was inmiddels ook bij ons komen wonen. Tegen hem heb ik een geweld gebruikt zien worden, dat wil niemand geloven hoe heftig. Ze sloegen echt met meubels op hem. Als ze hem door te kamer sloegen, dan vielen de kasten om. Zo veel geweld, echt ongelofelijk.

Op mijn zevende was het al volledig geëscaleerd. Het geweld was systematisch geworden, dagelijks. Mijn pleegouders verzonnen steeds zwaardere straffen. De vader liet me de gekste dingen doen. Hij ‘scheerde’ me tot bloedens toe toen ik tien was, ik heb dieren voor hem moeten doden. Ze sloegen ook mijn geslachtsdelen. Met de pleegmoeder was het alsof je in een sadistische relatie zat met iemand die je volledig beheerste.”

De buitenwereld was er niet

“In mijn kleutertijd kwam er eens in de zoveel tijd een jonge vrouw langs om op te passen. Als zij kwam, dan werd het even leuk. Dan was er ineens iemand die naar me kéék en me vragen stelde. Dat deden mijn pleegouders niet. Voor de rest bestond er weinig buitenwereld. In de loop van de jaren werden mijn broers en ik steeds verder geïsoleerd, ook van elkaar. Ik ging wel naar school, maar daar heb ik eigenlijk nooit met iemand kunnen praten. Het was een van de strengste reformatorische scholen van Nederland: de Lodenstein Scholengemeenschap in Amersfoort.

Toen ik iets ouder was, kon ik af en toe even ontsnappen. De villa van pleegouders stond aan de rand van een bos. Daar voelde ik me dan voor even veilig. Ik kon ook goed leren, en ik ben van nature heel nieuwsgierig. Ik denk dat dat heel belangrijk is geweest. Nieuwe dingen leren was een afleiding: iets waar ik in op kon gaan en me aan vast kon houden. Dat ik goed kon leren was een dekmantel: daardoor viel niet op wat er thuis allemaal met mij gebeurde. En omdat we zo geïsoleerd woonden en leefden, was het ook voor anderen lastig om te zien wat er speelde.

Maar laten we er geen doekjes om winden: natúúrlijk wisten mensen dat er iets aan de hand was. De schooldokter heeft met eigen ogen gezien dat mijn geslachtsdelen bont en blauw geslagen waren. En de buren wisten dat mijn broers en ik daar woonden, maar ze zagen ons vrijwel nooit buiten. Dat is toch gek? Ze wisten bovendien dat ik vaak werd opgesloten in de donkere schuur. Misschien waren ze bang om beschuldigingen te uiten zonder zeker te weten hoe het nou zat. Maar mijn pleegvader had als jeugdouderling in de kerk en oud KNIL-militair ook behoorlijk wat aanzien in dat strenggelovige milieu.

Eerlijk gezegd: ze hadden ook geen kant op gekund met een klacht. Want de kinderbescherming wist overal allang vanaf, maar greep niet in. De maatschappelijk werkster kwam iedere maand langs. Ze zag het, ze wist het maar ze greep niet in. Ik moest een keer voor straf zes weken in het donker op bed liggen. De maatschappelijk werkster kwam aan mijn bed en zei: ‘wat een goeie straf is dit voor jou! Jij moet nog méér straf hebben!’ Kun je nagaan: toen lag ik al een maand in mijn eentje in het donker… Mijn oudste broer was weggelopen na een mishandeling waarbij zijn trommelvlies was gescheurd. Ook dát was bekend. En ze lieten me gewoon zitten. In hun overtuiging waren zij ‘de goeden’ en ik was met mijn ouders en afkomst ‘de slechte’. En daarom moesten wij zwaar gedisciplineerd moesten worden en was elk middel gerechtvaardigd. Ze hadden echt het idee dat ze dit móchten doen.”

Leven als een dier

“Toen ik vijftien was, liep mijn andere broer ook weg. Die laatste periode daarna is voor mij het allerzwaarst geweest. Ik kan daar inmiddels over praten, maar dat heb ik heel lang niet gekund. De pleegouders zagen me niet meer als mens, maar als dier. Letterlijk. Ik mocht nergens meer zitten, ik mocht alleen nog maar over de grond kruipen. Ik moest uit de hondenbak eten, onder de tafel en zonder bestek: zo met mijn ‘bek’ erin. Met een wandelstok dirigeerde de pleegvader me het hele huis door. Ik was er totaal niet tegen opgewassen.

Maar toen gebeurde er iets wat ik zelf ook niet had verwacht. Ik lag languit op mijn buik onder de keukentafel, mijn pleegvader prikte hard in mijn rug met zijn stok maar ik kon niet ontsnappen want aan de andere kant hielden de voeten van mijn pleegmoeder me tegen. Op dat moment knapte er iets. Ik kón niet meer.

Met forse kracht duwde ik een stoel aan de kant en ik kwam overeind. Daar stond ik, rechtop tegenover mijn pleegmoeder. Ze probeerde me tegen te houden, maar ik duwde haar opzij. Ik verweerde mezelf. Dat was iets wat ik nóóit voor mogelijk had gehouden. Ik zag angst. Bij háár. Door mij. En ik voelde ineens de verborgen kracht die in mij zat. Ik rende naar buiten, het lange grindpad langs, waar mijn pleegvader me tierend achterna kwam. Maar ik lette niet meer op hem. Ik smeet het hek dicht, sprong op mijn fiets en ik reed weg.”

De vrijheid en de val

“Ik wist hoe ik met de trein moest reizen, want ik was altijd met de trein naar school gegaan. Maar nu wist ik ook waar ik naar toe moest. Ik had eerder stomtoevallig een verlovingskaart van mijn oudste broer zien liggen. Daar stond een adres op en een telefoonnummer. Dat had ik opgeschreven. Ik belde mijn broer vanaf het station. Ik was welkom. Ik werd heel goed opgevangen door mijn broer en zijn verloofde. Maar eigenlijk begon het toen pas. Ik was zeventien en kwam in een wereld terecht die ik niet kende. Ik had nog nooit een snackbar gezien; geen winkels, niks. Ik had nog nooit muziek gehoord. Het was geweldig aan de ene kant: ik at voor het eerst een frietje met mayo en genoot intens van de popliedjes die ik kon luisteren. Maar het was tegelijkertijd groot en verwarrend.

“Ik wist niet wat het betekende om vrij te zijn. Ik wist gewoon niet hoe dat moest. Ik wist niet wie ik was, wat ik kon, wat ik wilde. Ik weet nog dat ik aan de oever van een meer zat en keek naar de bootjes die voorbij voeren. Dat vond ik zo’n mooi beeld. Maar in mijn hoofd was het een grote puinhoop. Het ging niet meer. Ik was helemaal op. Ik wilde ook dood. Die eerste tijd ben ik toen opgevangen door een heel fijn opvanggezin. Maar in de jaren daarna belandde ik van het ene in het andere tijdelijke tehuis, slaaphuis of opvang voor verslaafden – ook al was ik niet verslaafd. Jeugdzorg was nog steeds verantwoordelijk, maar ze wisten zich geen raad met me. Ik viel overal buiten en ik kon nergens terecht. Ik heb gezworven op Hoog Catharijne, belandde in de cel voor een gevecht met een bewaker en ik heb zelfs nog een tijdje in het bos geleefd.”

De voorzichtige weg omhoog

“Ik heb in al die jaren nooit de juiste therapie gevonden. Psychologen noemden me ‘onbehandelbaar’. Ik heb meerdere stoornissen overgehouden aan de gebeurtenissen in mijn jeugd. Dat heeft zijn effect gehad op mijn hele volwassen leven. Ik heb nooit betaald werk kunnen doen. Ik durf de straat niet goed op. En ik worstel, nog steeds, iedere dag met herbelevingen. Wat ik vooral erg vind, is dat ik heel lang niet heb mogen praten over wat er met me is gebeurd. Bij de kinderbescherming hadden ze onderling de afspraak gemaakt dat er nooit meer over gesproken zou worden. Maar ook in de therapie die ik heb gehad, was het eigenlijk taboe om te praten over geweld binnen jeugdzorg. Zeker als het ging om een vrouwelijke pleger; dat bestond gewoon niet.

Pas bij de Commissie De Winter kon ik voor het eerst mijn hele verhaal vertellen. Via hen heb ik ook gesprekken gehad met de Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdzorg Nederland. Daar zijn ook officiële excuses uit voortgekomen, óók voor het feit dat mijn verhaal heel lang in de doofpot is gestopt. Die erkenning heeft me heel goed gedaan.

Ik draag de trauma’s van mijn verleden tot op de dag van vandaag met me mee. Maar ik heb wel dingen gevonden die me soms helpen. Ik schilder graag. Ik heb een vriend gemaakt die om me geeft. Ik schrijf. En ik blijf nieuwsgierig en leergierig. Ik ben bijvoorbeeld Arabisch aan het leren. En ik volg een opleiding aan de kunstacademie. Zo durf ik, op mijn 60ste, heel voorzichtig naar de toekomst te kijken. En nu heb ik een boek geschreven. Daarmee heb ik eindelijk mijn verhaal aan de wereld kunnen vertellen. Dat is heel belangrijk voor mij. De reacties van lezers voelen als de erkenning die ik zo lang heb gemist. Maar ik heb het ook geschreven voor al die andere slachtoffers van geweld in de jeugdzorg. Vanuit de stille maar expliciete hoop dat geen enkel ander kind hoeft mee te maken wat ik heb meegemaakt.”

Het boek van Jasper Heijting heet Gepleegd en is onder meer te koop bij Boeken.nl, de Wehkamp en uitgever Tobi Vroegh.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -
sonjaalferink@gmail.com'
    Sonja Alferink is politicoloog en journalist.