Deel 10 van mijn feuilleton over Colombia; Een hels paradijs. Waarin Tanja Nijmeijer in het nieuws opduikt om er nooit meer te verdwijnen. We leren haar kennen als een eenzame guerrillasoldate in de jungle.

STEUN RO

De hoogste baas van Tanjas onderdeel de legendarische Mono Jojoy
De hoogste baas van Tanjas onderdeel de legendarische Mono Jojoy

Het is een kille septembermorgen in Bogotá en ik zit met een katerig hoofd achter de computer, routinematig en plichtsgetrouw het nieuws door te nemen, als ik opeens in El Tiempo, Colombia’s grootste dagblad, een ongelooflijke kop lees: ‘Door Nederlandse guerrillera van de FARC achtergelaten dagboek biedt onthullende indruk van de oorlog’.

Mijn slaap en de kater, na een korte nacht en ettelijke rums tijdens een avondje heerlijk salsa dansen, zijn terstond voorbij. Dit is wel het meest gekke nieuws, mèt de door ons correspondenten vervloekte Nederlandse link ook nog, dat ik in Colombia in mijn dan vijfjarig correspondentschap ben tegengekomen.

Het is september 2007 en sinds het begin van het millennium, ongeveer tegelijkertijd met mijn eigen aankomst in Colombia, is hier een Nederlandse aanwezig die wil vechten tegen het sociale onrecht en het gerechtvaardigd vond om daarvoor de wapens op te nemen. Toe maar.

Terwijl ik mijn eerste aarzelende stappen in Bogotá neerzette in oktober 2002, liep hier Tanja Nijmeijer rond, vervuld van het verlangen om echt tot de FARC te behoren. Ze was onderdeel van de milicianos, de stadsguerrilla die inlichtingenwerk voor de echte zware jongens ‘in de bergen’ en in het oerwoud doen en die ondernemers afpersen. Met het geld dat ze zo krijgen bekostigen ze hun strijd: wapens, munitie, uniformen, eten, medische zorg, alles wat je als guerrilla maar nodig hebt.

Misschien ben ik Tanja weleens tegengekomen in mijn en haar begintijd in Bogotá; misschien hebben we weleens in hetzelfde café gezeten of in dezelfde danstent gedanst. Het is een zotte gedachte, maar het is niet onmogelijk, met de overwegend linkse Colombiaanse vrienden die ik in Bogotá heb.

Revolutie

Maar hoe verschillend zijn onze perspectieven: zij kwam om het oneerlijke en corrupte systeem omver te werpen en ik kwam omdat ik op zoek was naar een minder beklemmende en hectische wereld, dan die in Nederland. Een wereld van spontaniteit, van aangename chaos en emoties zonder gêne. Zij kwam voor de Colombiaanse medemens en ik kwam voor mezelf. Zij zag de donkere kant van de Colombiaanse samenleving en ik de lichte. We hebben allebei gelijk, maar we leggen de nadruk verschillend.

Nu komen we elkaar tegen in de Colombiaanse krant El Tiempo, die met verbazing schrijft over deze Nederlandse die al die moeite gedaan heeft om mee te vechten voor een revolutie waar nog weinig Colombianen in geloven.

Ik bel mijn opdrachtgever het ANP met dit gekke nieuws en er neemt iemand op waar ik nog nooit van heb gehoord, waarschijnlijk een stagiaire, en die een beetje aarzelend reageert. “Ja, dat is misschien wel interessant.” Ik val zowat van mijn stoel. “Zal ik gewoon een stukje tikken en dan kijken jullie of jullie het interessant vinden?”, bied ik aan. Ja, dat vindt de vermoedelijke stagiaire of niet zo wakkere redacteur een handige oplossing.

Als een idioot tik ik het stukje en mail het door en natuurlijk heb ik binnen een paar minuten een wakkere collega aan de lijn. “Wat weet je nog meer, kun je de ambassade bellen, is er contact mogelijk met de FARC, we willen alles hebben.” Ja, duidelijk, zo ken ik mijn opdrachtgever weer.

De grote vraag is wie deze jonge vrouw, waarvan het Colombiaanse leger ook video’s en foto’s op de computer van haar commandant gevonden heeft, is. De FARC gebruiken noms de guerre voor al hun strijders en deze Nederlandse heet volgens de informatie die het leger vindt Eillen. Gekke naam. Vast een Colombiaanse verbastering van Eileen, zoals wel vaker gebeurt met buitenlandse namen.

Kaken op elkaar

De Nederlandse ambassade tast net zoals ik zelf in het duister, maar is net zo nieuwsgierig, maar het is GeenStijl in Nederland dat al snel te weten komt wie er achter dit stralend glimlachende meisje in vechtuniform zit: Tanja Nijmeijer.

 

En dan rolt de informatie van alle kanten het internet op. Ze blijkt uit het Twentse Denekamp te komen en in Groningen Romaanse talen en culturen te hebben gestudeerd. Ze woonde in een kraakpand en zat in radicaal linkse kringen. Daar is kennelijk de voedingsbodem gelegd. “Oud-medestudenten omschrijven haar als een erg mooi meisje , iets wat FARC-generaals vast kunnen bevestigen”, smult GeenStijl. “De kans dat ze nu nog leeft is volgens kenners trouwens heel klein.”

Een maand later ben ik in Groningen en vind daar de plaatselijke linkse oude makkers van Tanja met de kaken op elkaar. Wonderlijk. Ik mag na wat aandringen met een jongen die in hetzelfde kraakpand als Tanja heeft gewoond mailen, dat wel, maar een conversatie komt nooit van de grond. Iemand die ik weer via een ander extreem links netwerkje via het internet opduikel verwijst me naar de Amerikaanse Eva Golinger, een toegewijd medewerkster van wijlen de linkse president Hugo Chávez, dan nog zonder kanker en very alive and kicking. Geen antwoord van la Golinger, die haar baas als een pubermeisje bewondert en op Twitter alles uitscheldt wat naar oppositie riekt.

In hun ondergoed

In Bogotá, in september 2007, is het nieuws over Tanja Nijmeijer een paar dagen oud. Wij buitenlandse correspondenten zitten ongeveer bij de luitenant-kolonel van het leger die de perscontacten doet op schoot. Met twee Franse collega’s mag ik na eindeloos smeken en wachten opeens naar binnen bij generaal Pargo, die de inlichtingendienst van het leger leidt. Twee beduimelde schriften liggen voor zijn neus op de tafel waaraan hij ons uitnodigt te gaan zitten. De Dagboeken. Het is niet veel. De een heeft van het leger nummer 8 gekregen en de ander nummer 9. Onderdeel van de talloze gevonden voorwerpen in het gebombardeerde FARC-kampement. Naar verluidt waren de vrouwen zich aan het wassen in de rivier toen de bommen begonnen te vallen en hebben de vrouwen, waaronder Tanja, in hun ondergoed moeten rennen voor hun leven.

Mijn Franse collega’s en ik grinniken. Toch raar dat ze die meiden niet te pakken hebben kunnen krijgen. In hun ondergoed nog wel. Generaal Pargo kijkt een beetje zuur.

Hij laat ons een video zien die blijkt te zijn gemaakt door Tanja’s moeder, die haar opzocht in haar FARC-kampement. Wat een onderneming voor een vrouw die het waarschijnlijk al een heel avontuur vindt om naar Colombia te vliegen en die dan ook nog eens door moet reizen naar de FARC in de jungle. Hoe hebben ze dat gedaan? Heeft een contactpersoon haar opgewacht op het vliegveld van Bogotá en naar het busstation gebracht? Is een ander met haar naar het zuiden voorbij Villavicencio en Granada in het departement Meta gereisd en heeft weer een ander haar over wegen en rivieren en modderige paden, op muilezels en lopend, op sleeptouw genomen, totdat ze eindelijk haar dochter in haar armen kon sluiten? Zo’n FARC-kampement ligt bepaald niet aan de provinciale hoofdweg.

Dubieuze klus

Ik ben helemaal geroerd als de video begint te draaien. Tanja’s moeder geeft aanwijzingen over waar ze moet gaan staan en Tanja is een beetje zenuwachtig. Allemaal in een onvervalst Twents accent daar midden in het Colombiaanse struikgewas. Het maakt dat hele schandalige jonge-Nederlandse- meid-sluit-zich-aan-bij-terreurzaaiende-guerrillabeweging opeens zo verschrikkelijk menselijk.

Generaal Pargo laat me in de dagboeken kijken en ik probeer zo veel mogelijk te lezen en te onthouden. De Fransen kijken berustend toe. Hun Spaans is voortreffelijk, maar Nederlands zit niet in hun repertoire. “We hebben een vertaling, maar die is een beetje slordig”, zegt Pargo. “We zouden graag willen dat jij ons helpt met een goede vertaling, aanstaande zaterdag.” Mijn hersenen werken vliegensvlug: het is een beetje dubieus om deze klus aan te nemen van de vijanden van Tanja Nijmeijer, het zal me op zijn zachtst gezegd niet in dank worden afgenomen door de guerrilla, en het is altijd beter geen partij te kiezen voor een strijdende partij in een oorlog. Bovendien vlieg ik binnen enkele dagen naar Nederland voor een paar weken. Aan de andere kant biedt die vertaling een kans die nog geen enkele collega heeft gehad: ik kom van a tot z te weten wat er in die dagboeken staat. En ik heb de hete adem van het ANP in mijn nek. Ik Moet De Eerste Zijn.

Ik vraag de generaal een dag bedenktijd en vertrek met de Fransen. Maar eigenlijk heb ik mijn besluit dan al genomen en zij, collega’s die hun journalistieke onafhankelijkheid hoog in het vaandel hebben staan, zijn het roerend met me eens: doen! Dat is een belangrijke geruststellende bevestiging voor me. Mijn reis naar Nederland stel ik een paar weken uit.

Op zaterdagochtend haalt een geblindeerde auto me op in mijn straatje op de grens van La Perseverancia en La Macarena in Bogotá. Als de chauffeur aanbelt, laat ik van schrik het bordje waar ik net op ontbeten heb vallen. Tien minuten te vroeg. On-Colombiaans, maar natuurlijk wel des legers. De auto waar ik vijf minuten later instap is een burgerauto met chauffeur in burger.

Worstelen met cultuurverschillen

Ik word een kamer binnengeleid met een grote houten tafel waaraan de generaal, deze keer ook op zijn zaterdags in burger, al plaatsgenomen heeft en wordt voorgesteld aan een paar officieren. De generaal noodt me beleefd te gaan zitten en meteen gaan we aan het werk. Ik kijk naar Tanja Nijmeijers duidelijke blauwe blokhandschrift en vraag me af hoe zij het in haar junglekampement heeft opgeschreven: zittend op een boomstam, in een hangmat of toch gewoon een stoel. Was het moeilijk om aan een schrift en een pen te komen? Want als je het Colombiaanse leger mag geloven heeft de guerrilla aan alles gebrek en kauwen de FARC-jongens en -meisjes op de wortels van bomen. Wisten Tanja’s kameraden dat ze een dagboek bijhield? Of hield ze dat angstvallig verborgen? Of was dat niet zo belangrijk omdat toch niemand het kon lezen?

Ik tref in die halfvolgeschreven schriften een oer-Nederlands meisje dat worstelt met cultuurverschillen en dat voortdurend het idee heeft dat er over haar geroddeld wordt. Ze kan niet omgaan met de militaire cultuur in de FARC en moet haar Nederlandse mondigheid regelmatig met straf bekopen: extra wachtlopen, loopgraven en poepgaten graven. Één van de commandanten, ze noemt hem Frits, heeft een hekel aan haar en de meeste straffen krijgt ze van hem.

Carlos Antonio Lozada (midden) een van Tanjas directe chefs
Carlos Antonio Lozada (midden) een van Tanjas directe chefs

De FARC, die de Colombiaanse gevestigde orde omver willen werpen en een marxistische staat willen vestigen, zijn een afspiegeling van de Colombiaanse samenleving, leren de twee beduimelde schriften van Tanja me. Ik vind het een openbaring en moet erom giechelen en de generaal en de majoor die mijn gesproken vertaling de computer inramt vinden dat wel grappig. Ze kunnen zich ook niet echt voorstellen hoe een Nederlandse zich voelt in een militaristische machocultuur. Tanja beschrijft niet zonder zelfspot hoe ze achter haar andere commandant, die ze Karel noemt, aanwaggelt, die geen interesse meer voor haar heeft sinds hij een piepjong vriendinnetje met grote borsten heeft. Karel doet daarmee niet onder voor de eerste de beste drugshandelaar in Colombia die zich ook graag omringt met jonge meiden met grote borsten. Als het meiske ze niet heeft en de narco vindt haar leuk genoeg, betaalt hij haar borstvergroting.

Karel, zo schrijft Tanja, was eigenlijk de enige kameraad waar ze echt mee kon praten: over politiek, over cultuur, over boeken. Maar sinds hij dat meisje heeft, is er niks meer met hem te beginnen.

Uit de dagboeken komt een ambitieuze jonge vrouw naar voren die serieus in de revolutie gelooft, maar zich stierlijk verveelt en geen aansluiting vindt bij de in grote meerderheid ongeletterde guerrillero’s die uit de armste bevolkingsgroepen van het land komen. Ze is vooral ontzettend eenzaam en soms mist ze Nederland verschrikkelijk.

Whisky drinken

We zitten we daar bij generaal Pargo de hele dag te vertalen terwijl van tijd tot tijd het ANP en andere Nederlandse media aan de lijn hangen met vragen of ik nog nieuws heb. Verdomd handig dat ik onder het oog van de generaal en zijn mensen in het Nederlands kan overleggen.

Bij wijze van lunch eten we pizza en in de loop van de middag wordt de whisky uit de glazen muurkast gehaald. Ik moet denken aan de smalende verhalen over de top van het Colombiaanse leger die zijn leven niet waagt in de jungle maar whisky drinkt op het hoofdkwartier in Bogotá. Maar na een hele dag boven die schriften hangen en vertalen smaakt die whisky als een engeltje dat op mijn tong piest.

Omdat de sfeer wat ontspannener wordt, durf ik de generaal te vragen om een kopie van de dagboeken. Ik krijg geen antwoord. Maar als we helemaal klaar zijn en ik op het punt sta te vertrekken, overhandigt hij me een cd met het klemmende verzoek aan niemand te vertellen dat ik hem gekregen heb.

En Tanja? Dat is een verward Nederlands meisje dat is ingepakt door een vrouwen verslindende FARC-commandant, meent Pargo. Hij beschouwt het als zijn vaderlijke missie om haar uit de jungle te redden en terug te bezorgen bij haar ouders. Wanneer Tanja enkele jaren later geïnterviewd wordt door de Colombiaanse journalist Jorge Enrique Botero, blijkt dat de generaal er finaal naast heeft gezeten.

Over dit feuilleton

Colombia, waar ik bijna elf jaar als correspondente Latijns Amerika heb gewoond, is een prachtig land met een enorme potentie waar het nog steeds oorlog is, een hels paradijs dus. Ik vertel erover aan de hand van twee personen die er ongeveer tegelijkertijd aankwamen, ikzelf en Tanja Nijmeijer. Ik wilde weg uit het aangeharkte Nederland en was op zoek naar emotie en levenslust in een land dat me al veertien jaar mateloos boeide, Tanja wilde de revolutie en sociale gelijkheid brengen door zich aan te sluiten bij de linkse guerrillabeweging FARC. We hadden dus volstrekt tegengestelde bedoelingen.

Tanja werkte zich op van loopmeisje naar lid van de onderhandelingsdelegatie van de FARC in Havana. Al twee jaar onderhandelt de guerrilla daar met de Colombiaanse regering over een vredesakkoord. Ik raakte door het slepende conflict en het aanhoudende geweld steeds meer gedesillusioneerd en besloot mijn standplaats naar Brazilië te verplaatsen. Maar Colombia laat me niet los.

De onderhandelingen in Havana gaan met ups en downs, zo bleek onlangs nog, toen de FARC een generaal gevangen genomen bleken te hebben en de regering prompt de besprekingen opschortte. Maar de partijen zitten weer aan tafel, met het voornemen in 2015 toch echt een akkoord te sluiten. Een mooi moment om dit feuilleton te starten.

Voor de eerste negen delen, zie in TPO Magazine, https://magazine.thepostonline.nl/auteurs/Wies-Ubags/85, Blendle, https://blendle.com/search/%22Een%20hels%20paradijs%22, eLinea, http://www.elinea.nl/collecties/tpo-magazine-wies-ubags?pageNr=0 of Myjour, https://myjour.com/kiosk/wies-ubags/een-hels-paradijs

Wies Ubags (1962) werkt vanuit Brazilië voor oa het ANP. Ze is ook te horen op de Nederlandse en Belgische radio (vooral BNN, WNL en VRT).  Ze schrijft over ambitie in Latijns Amerika, in het klein en in het groot. Economische onderwerpen krijgen veel aandacht.