Deel 13 van mijn feuilleton over Colombia; Een hels paradijs. Waarin president Santos vredesgesprekken aankondigt met de FARC, terwijl ik al besloten heb uit Colombia te vertrekken.

STEUN RO

De altijd wat hakkelende stem van president Juan Manuel Santos klinkt opvallend soepel op de radio. Uit zijn mond vloeien de zinnen met een goed begin en eind. Hij klinkt als een staatsman!

De president vertelt Colombia dat zijn regering gaat onderhandelen met de grootste guerrillagroep van het land, de Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia, beter bekend als de FARC. Al vanaf het begin van zijn presidentschap had hij in het diepste geheim met de FARC onderhandeld over een agenda voor vredesbesprekingen. Hij legt uit wat ze allemaal gaan bespreken, verdeling van land, drugshandel, politieke oppositie. Er is een kant- en klare agenda. Als de FARC zich ook publiekelijk bereid verklaren – en dat zullen ze inderdaad een paar dagen later rappend (!) doen – gaat het gebeuren. In de Noorse hoofdstad Oslo, om te beginnen, en daarna in Havana, Cuba.

Ik vergeet waarmee ik bezig ben en zit geconcentreerd te luisteren naar die houten Klaas Santos, die over zijn eigen schaduw gesprongen is en zonder te haperen de show steelt. De tranen prikken in mijn ogen. Absurd, denk ik half geërgerd, half geamuseerd over mezelf. Het gebeurt me wel vaker, door de irritatie heen, raak ik opeens weer ontroerd door een balkende ezel op straat in Barranquilla, een roffelende trom die een Caribisch ritme inzet of een sjansend oud mannetje met drie tanden. Colombia, geen constant land, waarbij ook geen constante gevoelens passen. Liefde en haat buitelen over elkaar heen.

Ik ben een exoot

Nu ben ik nog blijer dan toen ik hoorde dat Uribe zich niet voor een derde ambtstermijn kandidaat kon stellen. Ik ben ervan overtuigd dat het Colombiaanse leger de guerrilla niet helemaal kan uitschakelen en dus toch weer aan de onderhandelingstafel moet gaan zitten om vrede te bereiken. Waarom dan nog langer wachten? Dagelijks vallen er doden, meestal jonge mensen, de meesten arm.  Bij de guerrilla zijn het steeds meer jongeren onder de 18 die meevechten, er zijn er van nog geen 12. Dat zijn geen daders, dat zijn slachtoffers.

De oorlog die al meer dan vijftig jaar duurt, en als je het wel beschouwt liggen de Colombianen al zo lang als ze bestaan – ruim 200 jaar – met elkaar overhoop, ben ik spuugzat. Ik heb genoeg van het eeuwige wantrouwen dat je wordt geacht te hebben tegenover de autoriteiten en de medemens en ik heb er genoeg van om als een soort ET aangesproken te worden in een maatschappij die omdat ze zo’n slechte reputatie heeft nauwelijks zonder visum een ander land in kan en dus buiten de eigen werkelijkheid en bijbehorende sores weinig van de wereld kent. En dit land is vanwege zijn slechte naam ook nog weinig buitenlanders gewend. Ik ben al tien jaar een exoot. Dat is vermoeiend. Ik wil als ik in de supermarkt sta meekletsen met de vrouwen over de prijs van de wortels en niet uitleggen dat ik uit Nederland kom en dat men daar Nederlands spreekt en dat het een beetje op Duits lijkt net als Portugees op Spaans. We staan nu bij de kassa van de supermarkt in Barranquilla en we hebben het over de wortels in mijn karretje, niet over mij, ja!?

Een polariserende houwdegen die verveelt

In dit rauwe klimaat ben ik correspondente en woon ik in Colombia. Eerst acht jaar in de koude hoofdstad Bogotá, op 2660 meter hoogte in het Andesgebergte, en daarna twee jaar in de chaotische Caribische havenstad Barranquilla.

Ik hoor collega’s weleens praten over de periode van de vredesonderhandelingen in de Caguán. Interviews met de guerrilla waren geen enkel probleem. Er werd wat af gediscussieerd over de toekomst van het land tussen guerrillacommandanten, vredesonderhandelaars van de regering en journalisten. Met een glas whisky in de hand. In mijn tijd is dat wel anders. De guerrilla wordt steeds verder weg gedrongen in de jungle. Als je haar wilt spreken, moet je dagen lang lopen, met bootjes of op een muilezel naar het desgewenste kampement. Zoals de Colombiaanse journalist Jorge Enrique Botero, toen hij de Nederlandse Tanja Nijmeijer ging interviewen.

Ik ben weleens jaloers op mijn collega’s dat ze een andere periode hebben beleefd dan die van de polariserende houwdegen Uribe, die er zo onschuldig uitziet als Harry Potter. Ik moet het acht jaar doen met dezelfde retoriek en alsmaar dezelfde verdachtmakingen tegen zijn vijanden. Zijn vocabulaire is niet erg afwisselend. Het gaat vervelen.

Ik kan niet wachten op het moment dat Uribe geboeid wordt afgevoerd. Als het niet wegens banden met paramilitairen is, dan is het wel vanwege het opdracht geven tot het illegaal afluisteren van zijn (politieke) tegenstanders of het uit de weg laten ruimen van mensen die hem eventueel kunnen verlinken. Maar ooit komt het zo ver, net als bij Peru’s ex–president Alberto Fujimori, waarmee hij weleens vergeleken wordt.

Dit kun je natuurlijk als journalist helemaal niet zeggen! En als burger ook niet. Ik zeg het alleen tegen mijn linkse vrienden binnenshuis en niet hardop op straat. Je weet nooit wie er allemaal meeluistert, is mij vanaf het begin op het hart gedrukt.

Opnieuw verwondering

Langzaam groeit dan ook het idee om naar een ander land te gaan. Alleen weet ik niet of ik dat nog een keer durf. In Colombia kwam ik in oktober 2002 met twee koffers en tienduizend euro op mijn spaarrekening. Mijn correspondentenbestaan moest ik vanuit het niets opbouwen. Geen gemakkelijke opgave omdat ik geen bekende journalist was en omdat de belangstelling van media voor verhalen en nieuws uit het buitenland alleen maar afnam.

Dat probleem heb ik nu niet meer en als een opdrachtgever te kennen geeft dat ook verhalen uit het grote oostelijke buurland Brazilië welkom zijn, wordt het idee om weg te gaan concreter. Ik heb zin in een nieuw land, met opnieuw verwondering over wat er gebeurt en hoe mensen met elkaar omgaan, en een land waar ik me thuis kan voelen. Brazilië is een prima kandidaat.

Ik besluit mijn appartement in Barranquilla op te zeggen, mijn spullen weg te geven en wat ik wil houden tijdelijk op te slaan. Op 1 november 2012, ruim tien jaar nadat ik in Colombia ben aangekomen, zal ik naar Leticia afreizen, het Vaals van Colombia, waar het samenkomt met de buurlanden Brazilië en Peru. Vandaar ga ik Brazilië in en laat ik me leiden door het lot en vooral door wat ik aan opdrachtgevers kwijt zal kunnen. In Rio de Janeiro ga ik op zoek naar woonruimte. Als ik die gevonden heb, besluit ik wat ik met de opgeslagen spullen doe en ga ik een werkvisum regelen.  Dat is het plan. Het ticket naar Leticia is al gekocht.

Faliekant tegen

En dan doet president Santos zijn aankondiging over vredesonderhandelingen op de radio. Ik ben heel blij met dit nieuws, het raakt me persoonlijk. Er is opeens een mogelijkheid dat Colombia een ander land wordt, dat het zijn sluier van geweld en wantrouwen afgooit.

Tot mijn verbazing blijkt een grote meerderheid van de Colombianen voor de vredesbesprekingen. In ieder geval een deel dan toch van al die trouwe Uribe-aanhangers vindt het kennelijk geen probleem om van mening te veranderen en een vredesproces als optie te omarmen. Praten over vrede was onder Uribe’s presidentschap bijna hetzelfde als heulen met de vijand. Het was iets voor linkse rakkers die alleen maar klagen over de misdaden die de paramilitairen hebben gepleegd en geen oog hebben voor wat de guerrilla allemaal op haar kerfstok heeft: moord, aanslagen, ontvoering en afpersing, ronselen van kindsoldaten, leggen van landmijnen.

Degene die faliekant tegen is, is dan ook precies Álvaro Uribe. Hij twittert zich een ongeluk om zijn ongenoegen kenbaar te maken. Maar hij zal de ontwikkelingen niet kunnen keren.

Colombiaanse paramilitairen
Colombiaanse paramilitairen

Ironisch genoeg is het eigenlijk Uribe die er als president voor gezorgd heeft dat onderhandelingen weer mogelijk zijn. Hij heeft de guerrilla gevoelige klappen toegebracht. Natuurlijk wordt er van alle kanten gewaarschuwd dat er veel haken en ogen aan het vredesproces zitten. Het proces in de Caguán is niet het enige met de FARC dat is mislukt. Ook onderhandelingen met Belisario Betancourt (1982-1986) leidden uiteindelijk tot niets.

De lijst van mislukkingen is veel groter dan de lijst van successen. Leveren de guerrillero’s ook echt de wapens in? De paramilitairen hebben met hun vredesproces in 2005 laten zien dat die demobilisatie voor een groot deel schijn was. Ze zijn grotendeels doorgegaan in kleinere bendes, die zich vooral in leven houden met drugshandel. Dat gevaar is ook bij de FARC aanwezig, die eveneens bij drugshandel betrokken zijn.

In paniek vertrekken

Een vredesproces is veel meer dan praten over het laten zwijgen van de wapens. Het gaat ook om het wegnemen van wantrouwen en het opbouwen van vertrouwen, dat je het goed met elkaar voor hebt, en daarom raakt dit nieuws me zo. Als het Colombia lukt om dit vredesproces tot een goed einde te brengen, wordt het een veel prettigere samenleving, waar mensen anders met elkaar omgaan. Uitgaand van het goede in de mens in plaats van het slechte.

Voor mijn werk ga ik enkele weken na de aankondiging van de president Santos naar Cartagena aan de Caribische noordkust van Colombia. In een mooi opgeknapt okergeel gebouw aan het Santo Domingoplein zijn de slachtoffers van een moordpartij in de buurt van Cartagena, een uurtje rijden naar het zuiden bij Marialabaja, bij elkaar gekomen.

Tweehonderd paramilitairen vielen in maart 2000 het dorpje Las Brisas binnen en vermoordden twaalf mensen, die ervan waren beschuldigd guerrillero’s te zijn. 1300 families in Las Brisas en twee andere dichtbijgelegen dorpjes krijgen van de commandant Diego Vecino 24 uur de tijd om hun spullen te pakken en te vertrekken. De mensen vertrekken in paniek en laten kippen, koeien, ezels en akkers, waarvan ze hun leven hebben geleefd, achter.

Tussen 2003 en 2005, tijdens het presidentschap van Álvaro Uribe, leveren de paramilitairen de wapens in. Er is dan een zeer omstreden wet aangenomen die strafvermindering garandeert voor strijders die hun misdaden bekennen. Het dilemma tussen gerechtigheid en vrede, net zoals nu bij de guerrilla. De hoogste straf is acht jaar, waar dat onder de gangbare wet veertig jaar zou zijn. Het land is te klein. De algemene klacht is dat de straffen te laag zijn en dat er voor de slachtoffers geen oog is. Een nieuwe wet, die financiële schadevergoeding èn teruggave van land aan de slachtoffers garandeert, wordt in 2011 onder Santos aangenomen.

Dankzij deze wet hebben de nabestaanden van de moordpartij in Las Brisas smartengeld gekregen en kunnen ze terug naar hun tot ruïnes verworden huisjes en verwoeste akkers. Ze zijn de eerste gemeenschap in Colombia die dat voor elkaar heeft gekregen. 

De liefde

Keurig gewassen en gestreken zitten de mannen en vrouwen uit Las Brisas, Mampuján en San Cayetano, arme boeren met gegroefde gezichten, maar energieke ogen, in een grote zaal in het mooie okergele gebouw in Cartagena. Ze zijn bij elkaar geroepen door de Vredesmissie van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), die hen heeft begeleid bij hun beproevingen om het recht te laten zegevieren en het sociale weefsel in hun gemeenschap weer te herstellen, zoals dat in het jargon van de hulpverleners in Colombia heet. In normaal Nederlands: weer normaal met elkaar om kunnen gaan.

Met de bus naar Cartagena gaan is voor deze mensen al een wereldreis, laat staan naar het koude verre Bogotá, waar paramilitair commandant Diego Vecino zich moest verantwoorden voor de rechter en zij moesten getuigen. De OAS kreeg het voor elkaar dat Diego Vecino zijn laatste procesdag naar Mampuján zou komen, hun dorp. Daar vroeg hij vergeving aan de slachtoffers en die kreeg hij. Één dorpeling gaf hem een bijbel en omhelsde hem. Vecino zit nu zijn achtjarige straf uit in de Picota-gevangenis in Bogotá.

De OAS-missieleider, de Argentijn Marcelo Álvarez, prijst in een toespraak de moed van de rechters die Diego Vecino veroordeeld hebben en tot de vergoeding van de slachtoffers die híj moet betalen hebben besloten. “Is Colombia veroordeeld tot het leven in geweld”, vraagt hij zich af, terwijl je in de zaal een speld kunt horen vallen. “We zijn allemaal gewelddadig. De vraag is hoe we met onszelf omgaan. Vaak wordt gezegd dat de sociale ongelijkheid de oorzaak is van alle geweld in Colombia. Maar de sociale ongelijkheid is de oorzaak niet, het is een symptoom. We hebben een sociaal-cultureel model nodig dat de ander als mens erkent. Ons principieel beginsel moet de liefde zijn.” Het lijkt wel een pastoor die hier aan het woord is, het applaus dat hij van de boeren krijgt is oorverdovend.

Colombia is na het vredesproces met de paramilitairen veel beter voorbereid voor een vredesproces met de guerrilla, meent Álvarez, omdat de slachtoffers een stem hebben, en weer normaal met elkaar om kunnen gaan en dus een eenheid vormen. Dat klinkt gemakkelijker dan het is, als je jaren in angst hebt geleefd dat je buurman misschien zou zeggen dat je zoon een guerrillero of een paramilitair is. Het doet er niet eens toe of het waar is. De verdachtmaking is al levensbedreigend.

Fruitbomen en kippen

Een paar weken eerder had ik een interview met de leidster van een vrouwenorganisatie in Barrancabermeja, in het oosten van Colombia. Het vakblad over ontwikkelingssamenwerking Vice Versa in Nederland wilde dat ik de vrouwenorganisatie OFP (Organización Femenina Popular) zou interviewen over haar inspanningen om het sociale weefsel in de wijken te herstellen na het geweld van guerrilla en paramilitairen. Hetzelfde verhaal als in Las Brisas: moordpartijen, bedreigingen, verdachtmakingen, angst, mensen op de vlucht. Het viel me zwaar om al die verhalen die ik in tien jaar al zo vaak had gehoord opnieuw te moeten aanhoren. Ik sprak dappere, maar vermoeide en angstige vrouwen die iedere keer over hun schouder keken of ze niet door een gewapende knul op een brommer werden gevolgd.

OFP-voorzitster Yolanda Becerra, kreeg ik niet te pakken, omdat ze vanwege bedreigingen uit Barrancabermeja was vertrokken. Ik sprak haar later in haar nieuwe woonplaats Girón, op ongeveer twee uur rijden van Barrancabermeja. Ik had haar weleens eerder gezien op conferenties over mensenrechten in Bogotá; altijd gehaast, gespannen gezicht, ontoegankelijk, en had dus ook helemaal geen zin in dat interview.

Maar in Girón zat een ander mens tegenover me aan tafel. ”Ik heb een stukje land gekocht”, vertelde Yolanda me bijna beschaamd over zoveel voorspoed. “En daar heb ik fruitbomen staan en wat kippen rondlopen. Ik vind het heerlijk! Toen ik hier net aankwam, kon ik mijn linkerarm niet meer bewegen, van de stress.” Becerra praat over vrede opbouwen van onderop, in de familie, in de straat en in de wijk.

Het interview had me blij gemaakt. Omdat ze bedreigd werd en naar een andere stad was vertrokken, had Yolanda meer afstand van de problemen in Barrancabermeja kunnen nemen en sprak ze er op een veel ontspannener toon over. Ze was veel positiever en optimistischer dan haar lotgenotes die zich nog midden in het stedelijke slagveld van elkaar bevechtende guerrilla en overgebleven paramilitairen overeind moeten houden. Het was precies het interview dat ik nodig had om dit verhaal voor Vice Versa een lekkere power injectie te geven.

En het was natuurlijk een power injectie voor mezelf: extra vertrouwen dat het goed komt hier, omdat er ook op straat mensen met goede ideeën rondlopen. Een president met goede voorstellen is niet genoeg natuurlijk. Heerlijk om goedgemutst naar Brazilië af te reizen. Met zin om ook weer eens terug te komen in Colombia.

Over dit feuilleton

Colombia, waar ik bijna elf jaar als correspondente Latijns Amerika heb gewoond, is een prachtig land met een enorme potentie waar het nog steeds oorlog is, een hels paradijs dus. Ik vertel erover aan de hand van twee personen die er ongeveer tegelijkertijd aankwamen, ikzelf en Tanja Nijmeijer. Ik wilde weg uit het aangeharkte Nederland en was op zoek naar emotie en levenslust in een land dat me al veertien jaar mateloos boeide, Tanja wilde de revolutie en sociale gelijkheid brengen door zich aan te sluiten bij de linkse guerrillabeweging FARC. We hadden dus volstrekt tegengestelde bedoelingen.

Tanja werkte zich op van loopmeisje naar lid van de onderhandelingsdelegatie van de FARC in Havana. Al twee jaar onderhandelt de guerrilla daar met de Colombiaanse regering over een vredesakkoord. Ik raakte door het slepende conflict en het aanhoudende geweld steeds meer gedesillusioneerd en besloot mijn standplaats naar Brazilië te verplaatsen. Maar Colombia laat me niet los.

De onderhandelingen in Havana gaan met ups en downs, zo bleek onlangs nog, toen de FARC een generaal gevangen genomen bleken te hebben en de regering prompt de besprekingen opschortte. Maar de partijen zitten weer aan tafel, met het voornemen in 2015 toch echt een akkoord te sluiten. Een mooi moment om dit feuilleton te starten.

Voor de eerste twaalf delen, zie in TPO Magazine, https://magazine.thepostonline.nl/auteurs/Wies-Ubags/85, Blendle, https://blendle.com/search/%22Een%20hels%20paradijs%22, eLinea, http://www.elinea.nl/collecties/tpo-magazine-wies-ubags?pageNr=0 of Myjour, https://myjour.com/kiosk/wies-ubags/een-hels-paradijs

Wies Ubags (1962) werkt vanuit Brazilië voor oa het ANP. Ze is ook te horen op de Nederlandse en Belgische radio (vooral BNN, WNL en VRT).  Ze schrijft over ambitie in Latijns Amerika, in het klein en in het groot. Economische onderwerpen krijgen veel aandacht.