Deel 5 van mijn feuilleton over Colombia; Een hels paradijs. Hoe ik in Nederland een arbeidsconflict krijg en zo kom tot de grootste beslissing in mijn leven: vertrekken naar het land waarvan ik in de ban ben.

STEUN RO

"Je meldt je ziek, je neemt een advocaat en je gaat er nooit meer heen." Dat bevel komt van mijn Haagse huisarts, type Ien Dales, als ik bij haar op consult ben omdat ik niet meer slaap. Het heeft te maken met problemen op mijn werk. Ik heb een vervelend functioneringsgesprek gehad en daarna regent het nare mailtjes van mijn chef. Ik heb het vermoeden dat hij op gezag van onze gezamenlijke baas onhandige reacties bij me los probeert te maken en dat ze een dossier aan het opbouwen zijn. Na elk mailtje onderdruk ik de neiging om boos terug te mailen en zo vaak als ik het kan opbrengen, loop ik naar de kamer van mijn chef om een toelichting te vragen op wat hij schrijft of om mondeling antwoord te geven. Alles zo rustig en weloverwogen en rationeel mogelijk. Ik loop op eieren. Waar ze naartoe willen, weet ik nog niet, maar dat er grote narigheid zit aan te komen is duidelijk. Dat ga ik niet rustig zitten afwachten.

Maar deze radicale oplossing van mijn huisarts had ik ook niet verwacht. Ik realiseer me dat ze gelijk heeft. We hoeven er niet veel woorden aan vuil te maken. Ze schrijft me een slaapmiddel voor en ik neem afscheid van haar.  Als ik mijn fiets die aan een paal langs de weg staat losmaak, voel ik me zo licht als een veertje. Er is een uitweg uit deze crisis. Nog diezelfde middag ga ik naar mijn chef om te zeggen dat ik overwerkt ben. De dagen erna koop ik verf voor mijn badkamer. Ik schilder en slaap en ben ontspannen, voor het eerst sinds maanden.

Niet alleen zijn mijn chef en zijn baas niet gelukkig met mij, ik ben ook niet gelukkig met hen. Ik voel me al een tijd niet meer zo lekker op mijn werk als hoofdredacteur van een vakblad over onderwijs en ben ook aan het solliciteren. Maar ook de banen waarop ik schrijf zijn eigenlijk niet wat ik echt wil. Over wat ik echt wil heb ik eigenlijk helemaal niet nagedacht. Of misschien is het beter om te zeggen dat ik het heb weggestopt, omdat ik denk dat het toch niet lukt.

Ik heb een goed leven, veel vrienden, een lekker appartement vlakbij het centrum van Den Haag. Waarom zou ik dat willen veranderen? Totdat ik dit probleem krijg dat me dwingt om de waarheid onder ogen te zien. In één klap staat mijn leven op zijn kop en ik vind het wel verfrissend.

Afkoopsom

Natuurlijk is het allemaal niet zo simpel als mijn huisarts het in haar korte raadgeving voorspiegelt. Maar ik hou me er zo veel mogelijk aan. Zorgen dat ik bij mijn werkgever kan vertrekken met een afkoopsom en zelf bepalen wat ik verder ga doen. Ze proberen nog om me in een outplacement-traject te krijgen om op een nette manier van me af te komen, maar ik heb al besloten dat ik voorlopig niet meer bij een werkgever wil werken en op mijn eigen tempo en voorwaarden een alternatief wil vinden.

Het is het najaar van 2000 en het zal nog tot juli 2001 duren voordat de onderhandelingen over de afkoopsom, die een bemiddelaar bij arbeidsconflicten voor me voert, succesvol worden afgerond. Ik kan niet de hele tijd ziek thuis zitten, ik moet zelfs weer gaan werken en doen alsof ik mijn baan wil behouden, allemaal voor het beste onderhandelingsresultaat.

Ik moet als redacteur werken onder de persoon die intussen als mijn plaatsvervanger is aangewezen. Soms belt de bemiddelaar me op mijn mobiel en moet ik ijlings het pand verlaten om te voorkomen dat collega’s horen wat we bedisselen. Een krankzinnige situatie. Het lukt, omdat ik vastbesloten ben en erin geloof dat het goed gaat. Blaren op mijn tong moet ik praten tegen goed bedoelende en het beter wetende vrienden, vriendje en kennissen – ga toch die outplacement doen, kies voor zekerheid – maar ik laat me niet afleiden. Er is één doel: een zak geld die moet helpen om een volgende fase in mijn werkzame leven op te bouwen. Het vriendje, dat ook niet erg bijdraagt aan mijn levensgeluk, zet ik eveneens aan de kant.

Koude winters

Terwijl ik nog midden in dit toneelstuk zit, spreek ik mijn Colombiaanse vriendin Vicky in een bruin café in het centrum van Delft. Het regent pijpestelen, het is een uur of vier ‘s middags en het schemert al. We zitten lekker aan de wijn en onze hoofden raken al wat verhit. Het onderwerp is zoals zo vaak Colombia, het land waar ik al acht jaar niet meer ben geweest, maar dat me nog steeds raakt. Vicky studeert in Nederland, maar staat te springen om terug te gaan naar haar land. Ze kan niet wennen aan de onverschilligheid die ze in Nederland ervaart en ze kan niet wennen aan de koude winters. Ik zelf zit met mijn ongewisse toekomst waar ik nog invulling aan moet geven en ben me er pijnlijk van bewust dat ik al heel wat jaren van de ene naar de andere vakantie toeleef.

Die trios zijn iets uit de oude doos, maar nog springlevend

 “Weet je wat ik wel zou willen”, zeg ik terwijl ik in mijn verlegenheid het servetje naast mijn glas twintig keer dubbel vouw: “Ik zou wel met jou naar Colombia willen en dan daar een café met boeken beginnen.” Vicky is niet iemand die snel iets te gek vindt en dit is toch best een zot en onverwacht idee. Ik wist niet eens dat ik het zou gaan zeggen op het moment dat we de kroeg binnenstapten, ja zelfs, ik wist niet eens dat ik het idee had. Vicky gilt het uit van blijdschap en rent naar de andere kant van het tafeltje om me te omhelzen. We bestellen snel een volgend glas wijn en wijden ons aan het verzinnen van een naam voor dit bijzondere etablissement. Ik heb een obsessie met olijven en olijfboomgaarden, maar een naam met olijven zal me later door een vriendin van Vicky afgeraden worden, want dat komt in Colombia alleen maar in de naam van begrafenisondernemingen voor.

Het idee zal me niet meer loslaten. Colombia zit al in mijn hoofd sinds ik er in 1988 voor het eerst tegen wil en dank terechtkwam en door mijn vriendschap met Vicky en haar heimwee is de betovering die ik bij mijn eerste bezoeken voelde alleen maar versterkt.

Nog dezelfde middag maken we plannen om naar Colombia te reizen. Voor mij wordt het de lakmoesproef voor mijn besluit om er daadwerkelijk naartoe te gaan. Kerstvieren in Vicky’s geboortestad Pereira in de koffiestreek. Een mooier vooruitzicht is niet denkbaar.

Opname: hier zingt het Trio Los Panchos

Grote scepsis

Eerst moet ik me nog door mijn troebele nep-redacteursbestaantje worstelen, maar op een stralende julidag komt het verlossende telefoontje: mijn werkgever is akkoord gegaan. Ik ga meteen naar mijn favoriete café in de Molenstraat, bestel een fles rosé en ga op het terras zitten. Mijn nieuwe leven kan beginnen.

In Colombia lopen de vredesonderhandelingen met de FARC van toen, die tussen 1999 en 2002, op hun laatste benen. Er zit geen schot in de zaak, de FARC hebben kans gezien om zich te versterken, ze blijven ontvoeren, ze doden gijzelaars, de besprekingen worden diverse malen opgeschort. Het optimisme van het eerste jaar heeft plaatsgemaakt voor grote scepsis.

Wanneer Vicky en ik een paar dagen voor Kerst voet zetten op Colombiaanse bodem en zij en haar vrienden elkaar huilend in de armen vallen, gaan de gesprekken als de eerste blijdschap is weggeëbd over de crisis in het vredesproces en over de onveiligheid. Met de bus reizen van Pereira naar Medellín om de familie Suaza op te zoeken – een mooie busreis van vier tot zes uur – wordt mij domweg verboden vanwege het gevaar dat de bus onderweg wordt aangehouden door de guerrilla. Er zit niks anders op dan het vliegtuig te nemen.

Er is veel veranderd. De oudste zoon, een mijningenieur, kan alleen maar met het vliegtuig naar zijn werk in de bush vanwege het kidnapgevaar en zijn broer die jarenlang succesvol bedrijfsleider was, is zijn baan kwijt omdat hij te duur was geworden. Hij probeert zijn hoofd boven water te houden als taxichauffeur maar gaat elke dag met angst de weg op. Al een paar keer is hij in zijn eigen taxi overvallen.

De kersthit van dat moment: Je bent mijn snoepje niet meer, van Andrés Cabas

“Pereira is arm geworden”, zegt Vicky tegen me, als we in het centrum van de stad op zoek zijn naar kerstcadeautjes. We struikelen over de straatverkopers die op de stoep hun waren hebben uitgestald, riemen, blousjes, schoenen, speelgoedbeesten. De winkels puilen uit van schreeuwerige prullaria, made in China. Ze drukt me op het hart mijn tas goed in de gaten te houden, “Want met Kerst, als mensen veel geld op zak hebben, wordt er veel geroofd.”

We gaan op zoek naar een trio dat boleros zingt, voor haar tante Esther, die vijftig wordt. De groepjes muzikanten zijn te vinden in een van de ongure achterstraatjes. We stappen op een paar mannen af, die grif bereid zijn een proeve van bekwaamheid te tonen om vervolgens te onderhandelen over de prijs.

Het optreden van het trio wordt de hit van onze kerstreis. Colombianen kennen veel van die boleros uit hun hoofd, dus het wordt zingen, huilen, zingen en veel aguardiente drinken, dronken worden en weer huilen. Over verloren liefdes natuurlijk. Een paar buurvrouwen zijn afgekomen op het tumult van gitaarspel, gezang en gehuil en laten zich van harte gaan. Nog nooit in mijn leven heb ik me overgegeven aan zo veel schaamteloze emotie. Het is lekker. Ik wil meer. Ik weet dat ik ondanks de overduidelijke en levensgrote problemen die in Colombia spelen, mijn beslissing om te gaan al heb genomen.

De laatste week ben ik in Bogotá. Ik moet tenslotte ook onderzoek doen voor mijn idee om een café met boeken te beginnen. Er bestaan zo waar al een paar voorbeelden van, maar niet zoals ik het in gedachten heb. De boeken zitten achter slot en grendel of het zijn maar een paar plankjes voor de sier. Er is dus best nog een gat in de markt, maar ik heb heel snel door dat het idee niet levensvatbaar is. Mijn doelgroep, mensen die van lezen houden en van gezelligheid met een glas wijn, heeft geen geld om naar het café te gaan.

Inmiddels bestaat in de wijk waar ik het grootste deel van mijn tijd in Bogotá heb gewoond, La Macarena, een zaak die het dichtst bij mijn idee komt: Luvina. En dat vind ik mooi.

Over dit feuilleton

Colombia, waar ik bijna elf jaar als correspondente Latijns Amerika heb gewoond, is een prachtig land met een enorme potentie waar het nog steeds oorlog is, een hels paradijs dus. Ik vertel erover aan de hand van twee personen die er ongeveer tegelijkertijd aankwamen, ikzelf en Tanja Nijmeijer. Ik wilde weg uit het aangeharkte Nederland en was op zoek naar emotie en levenslust in een land dat me al veertien jaar mateloos boeide, Tanja wilde de revolutie en sociale gelijkheid brengen door zich aan te sluiten bij de linkse guerrillabeweging FARC. We hadden dus volstrekt tegengestelde bedoelingen.

Tanja werkte zich op van loopmeisje naar lid van de onderhandelingsdelegatie van de FARC in Havana. Al twee jaar onderhandelt de guerrilla daar met de Colombiaanse regering over een vredesakkoord. Ik raakte door het slepende conflict en het aanhoudende geweld steeds meer gedesillusioneerd en besloot mijn standplaats naar Brazilië te verplaatsen. Maar Colombia laat me niet los.

De onderhandelingen in Havana gaan met ups en downs, zo bleek onlangs nog, toen de FARC een generaal gevangen genomen bleken te hebben en de regering prompt de besprekingen opschortte. Maar de partijen zitten weer aan tafel, met het voornemen in 2015 toch echt een akkoord te sluiten. Een mooi moment om dit feuilleton te starten.

Voor de eerste vier delen, zie in TPO Magazine, https://magazine.thepostonline.nl/auteurs/Wies-Ubags/85, Blendle, https://blendle.com/search/%22Een%20hels%20paradijs%22, eLinea, http://www.elinea.nl/collecties/tpo-magazine-wies-ubags?pageNr=0 of Myjour, https://myjour.com/kiosk/wies-ubags/een-hels-paradijs

    Wies Ubags (1962) werkt vanuit Brazilië voor oa het ANP. Ze is ook te horen op de Nederlandse en Belgische radio (vooral BNN, WNL en VRT).  Ze schrijft over ambitie in Latijns Amerika, in het klein en in het groot. Economische onderwerpen krijgen veel aandacht.