Een hels paradijs; 7. De wantrouwende oligarch

Deel 7 van mijn feuilleton over Colombia; Een hels paradijs. Hoe ik iedere keer weer door de ballotage moet om te huren en de eeuwige ‘Wat vind je van Uribe’-test moet doen.

Op een ochtend belt er een man aan bij mijn appartement in Bogotá. Ik open mijn slaapkamerraam op twee hoog en vraag wat hij komt doen. “Is een paar dagen geleden uw identiteitsbewijs gestolen? Dan kan ik u dat misschien wel bezorgen.” Ik woon al ruim twee jaar in Colombia, ben een paar dagen geleden op straat hier tweehonderd meter vandaan inderdaad van mijn tas beroofd door twee opgeschoten jongens en sta nergens meer van te kijken. “Hoeveel moet dat kosten!” gil ik naar beneden. “20.000 pesos” (ruim zeven euro), roept hij terug. Een schijntje: deal. Een dag later heb ik mijn identiteitsbewijs terug. Er is maar één verklaring dat deze man weet over de overval. Via don Emilio, mijn onderbuurman de meubelmaker, de eerste die ik tegenkom wanneer ik na de beroving naar huis ben gerend. Don Emilio weet alles.

Hij woont in de Perseverancia, een arme wijk waar onze hippe bourgondische La Macarena tegenaan ligt en heeft daar zijn contacten aangeboord om mijn identiteitsbewijs terug te krijgen, met succes dus. Als een kind zo blij ben ik dat ik niet de ellenlange bureaucratische procedure moet doorlopen om een nieuw identiteitsbewijs te krijgen. Wel louche natuurlijk, die contactjes van mijn buurman, maar ik kies ervoor om me daar verder niet in te verdiepen. Zoals onderbuurvrouw Cecilia zegt: “Als je in de Perseverancia woont, heb je grote kans dat een van je buren een dief is. En daar moet je mee zien te leven.” Don Emilio heeft dat als geen ander onder de knie. Hij kan goed overweg met iedereen. En daar pluk ik nu de vruchten van. Wel een eng idee dat ook de dieven zeer waarschijnlijk weten waar ik woon, maar dat ik de buurvrouw van Don Emilio ben, beschermt me misschien wel weer. Van de vrienden van je vrienden blijf je af.

De eerste weken na de beroving ben ik nog schrikachtig op straat. Ik wantrouw iedereen. Maar als tegengif ga ik juist in de Perseverancia mijn nagels laten doen en een biertje drinken. Ik wil me niet bang verstoppen, ik wil laten zien dat ik er ben en dat ik erbij hoor. Ik vind de Perseverancia leuk: de gevels van de arme huisjes zijn allemaal in felle kleuren gestoken en op zondag staan de kratten bier op de stoep en wordt er gebarbecued. De mensen drinken bier en dansen. Later in de middag moet je de dronkaards van je afslaan. De Perseverancia is gezellig, schaamteloos tokkie en ‘s avonds gevaarlijk. Maar dan is het inmiddels te koud geworden om op straat rond te zwalken en wordt het tijd om de open haard in mijn appartement aan te steken.

Gringos hebben geld. Punt

Vanuit mijn appartementje in de blokkendoos dat ik met Vicky deelde totdat ze Bogotá voor Pereira verruilde, heb ik meerdere pogingen ondernomen om iets te vinden in een leuker deel van de stad. Ik woon in een grijze buitenwijk ingesloten door brede doorgangswegen waar de auto’s overheen razen.

Toen ik nog het plan had om een café met boeken te beginnen reed een vriend van Vicky me door de Macarena. Meteen wist ik dat dat mijn wijk was. Vriendelijke laagbouw, sfeervolle restaurantjes en barretjes, bevolkt door kunstenaars, wetenschappers en journalisten. Bohemien, helemaal mijn ding.

Mijn eerste verhuispoging, naar de historische wijk La Candelaria, mislukt. De eigenaar verhoogt opeens de prijs en insinueer later dat er nog meer geïnteresseerden zijn, die meer willen betalen. Mijn spullen staan al ingepakt in de blokkendoos, maar dit gaat te ver. Ik bel af. Ik heb dondersgoed in de gaten dat hij me probeert een oor aan te naaien omdat ik gringa ben. Gringos, die hebben geld, punt. Het is een stigma waar je nooit vanaf komt, al ben je zo arm als een kerkrat.

De tweede poging om weg te komen lukt wel, midden in de Macarena. Beetje klein, maar ik heb nog niet veel spullen, dus dat moet lukken. Wat ik me niet heb gerealiseerd is dat er veel te weinig zonlicht in dit appartementje op de begane grond aan een binnenplaats binnenkomt. En zonlicht, dat is in Bogotá een eerste levensbehoefte. Het warmt de boel op. Ik vernikkel in mijn eerste appartementje in de Macarena van de kou.

Mijn huisbaas, een homofiele dichter, beroemd in zijn land, is zo gek als een deur en heeft een voorkeur voor criminele jongetjes. Op een dag staat hij op straat tegen zijn laatste aanwins te schreeuwen dat hij de paramilitairen op hem afstuurt als hij zijn mobiele telefoon niet komt terugbrengen. Mij vertrouwt hij ook niet, mijn telefoonabonnement is zo afgesteld dat ik niet naar het buitenland kan bellen. Hij is bang dat ik een torenhoge rekening zal opbouwen en dan met de noorderzon zal vertrekken. Na een hoogoplopende ruzie overtuig ik hem ervan dat ik als buitenlands journaliste niet zonder een internationale telefoonverbinding kan. Hij zwicht alleen nadat ik hem plechtig heb beloofd iedere maand een kopie van de kwitantie van de rekening te overhandigen. Maar binnen een half jaar vertrek ik alweer vanwege de kou. Met pijn in het hart verlaat ik de leukste wijk van Bogotá en vind tijdelijk onderdak bij een vriendin in de hippe uitgaanswijk Zona Rosa. Glitter en glamour en drugs. Niet mijn ding.

Bankafschriften

Via vrienden van mijn vriendje Manuel kom ik in contact met Jaime en Cecilia, die boven Don Emilio in de Macarena wonen. Het appartement boven hen staat leeg en ze zijn als de dood dat er een grote familie in wordt gehuisvest. Een alleenwonende buitenlandse journaliste klinkt hun als muziek in de oren.

Ook bij de eigenares van dat appartement, een neurotische broodmagere consultant met geblondeerd en ontkruld haar zoals het een beetje Bogotana van stand betaamt kom ik niet zonder slag of stoot binnen. Ik moet aantonen dat ik te vertrouwen ben: bewijs dat ik voldoende inkomsten heb aan de hand van bankafschriften, bewijs dat ik een betrouwbaar journalist ben, met behulp van een brief van een van mijn opdrachtgevers in Nederland. Eigenlijk moet ik ook nog twee mensen hebben die garant staan met hun onroerende goed voor het geval dat ik mijn huur niet betaal: dat er dus beslag kan worden gelegd op hun huizen als ik in gebreke blijf. Dit laatste is vrij gebruikelijk  in Colombia en kost velen dan ook hoofdbrekens. Hoe kom je in vredesnaam aan twee mensen die onroerend goed bezitten en bereid zijn borg te staan voor jou? De meesten nemen hun toevlucht tot familieleden. Voor een buitenlandse als ik natuurlijk geen optie en dus stel ik de zenuwachtig fronsende geblondeerde consultant voor om zes maanden in één keer te betalen. Ze accepteert gretig, maar: de zes maanden moeten telkens twee maanden voordat de termijn verstrijkt worden voldaan. Inhalig kreng. Zes jaar heb ik het appartement gewoond en nooit heb ik haar zo ver gekregen dat ik per maand mocht betalen wegens gebleken betrouwbaarheid.

Wantrouwen is er op alle gebied. In mijn begintijd drukken vrienden me onvermoeibaar op het hart dat ik nooit gevoelige informatie over de telefoon moet bespreken. Ik moet een afspraak met de persoon in kwestie maken en goed opletten waar ik die maak. Er kan afluisterapparatuur hangen. Ook moet ik uitkijken met emailen. Als journalist word ik ongetwijfeld gespiest, zoals de Colombianen het afluisteren en onderscheppen van emails noemen.

Taxichauffeurs

Helemaal uit de lucht gegrepen blijken zullen al die waarschuwingen niet blijken te zijn. In de nadagen van president Uribe (2002-2010) zal er een enorm afluisterschandaal losbarsten, met als zenuwcentrum de Veiligheidsdienst DAS. Deze heeft leden van de politieke oppositie, vooraanstaande leiders van non-gouvernementele organisaties en journalisten afgeluisterd. Het zou allemaal in opdracht van Uribe zelf zijn gebeurd, maar tot nu toe is hij nooit juridisch in de problemen gekomen. Mensen die direct onder hem werkten in het presidentiële paleis daarentegen wél. Een van de mensen wier getuigenis van groot belang is om het hele afluistermechanisme in kaart te brengen is ex-directeur van de DAS María del Pilar Hurtado. Ze krijgt asiel in het noordelijke buurland Panama. Maar sinds daar een nieuwe president gekozen is, waaien er andere winden. Hurtado dreigt te worden uitgezet ‘wegens een irreguliere migratiesituatie’.

Er wordt me verzekerd dat ook taxichauffeurs niet te vertrouwen zijn – ‘Het zijn informanten van de paramilitairen’ – en dat ik nooit telefoongesprekken met gevoelige informatie – die ik toch al niet mag voeren – in de taxi moet voeren. Met de chauffeur mag ik nooit en te nimmer over politiek praten.

Drie maal raden waar de meeste taxichauffeurs in Colombia over beginnen zodra je bent ingestapt. De lastigste vraag: ‘Wat vind je van Uribe?’ Eerst de vraag terugkaatsen natuurlijk: ‘Wat vindt ú?’ En dan onafhankelijk van het antwoord – ‘Het is een lul’ / ‘Hij is de enige die het vaderland kan redden’ omzichtig uitleggen dat hij goede dingen doet voor het land; de veiligheid is vergroot. Mensen kunnen weer zonder bang te hoeven zijn om ontvoerd te worden op weg. “Maar”, zeg ik dan altijd om mezelf niet te veel te verloochenen, want ik behoor tot degenen die Uribe een lul vinden: “De president zou zich wat opener moeten opstellen tegenover mensen die het niet met hem eens zijn, in plaats van te zeggen dat het handlangers van de guerrilla zijn.” Tegen de tijd dat dat allemaal besproken is, heb ik meestal de plaats van bestemming bereikt en kan ik opgelucht de rekening betalen, waarvan ik mag hopen dat die klopt, omdat er mogelijkerwijs aan de taximeter is gesleuteld.

Een strenge oligarch

Mijn mooiste ‘Wat vind je van Uribe’-resultaat behaal ik in Santa Marta, een sfeervolle koloniale stad aan de Caribische kust, aan de voet van het Sierra Nevada-gebergte. Met een Nederlandse vriendin bezoek ik daar een vriend uit Bogotá die bij zijn vader logeert. Zoals ik al vermoed is ook die er één van ‘Uribe is het vaderland aan het redden’. Terwijl wij onder het zweet en het zand na een strandbezoek beleefd op het leren bankstel luisteren, zet deze oligarch (volgens de criteria van de FARC) uiteen waarom Uribe een godsgeschenk is. Dan richt hij zich tot mij en beschuldigt me van guerrillasympathieën, op een half-ernstige toon, die me onaangenaam treft. Hij klinkt agressief, de vader van mijn vriend, en het komt uit de lucht vallen. Hij heeft me nog nooit gezien. Mijn vriendin blijft buiten schot, ik zal dit varkentje alleen moeten wassen. Weer steek ik mijn verhaal af over de verhoogde veiligheid en dat het toch zo fijn is dat Colombianen weer kunnen gaan en staan waar ze willen en weer kan ik het niet laten om mijn bedenkingen over ‘s presidents respect jegens andersdenkenen te berde te brengen. Je kunt een speld horen vallen. Ik zie mijn vriendin haar adem inhouden. Ik glimlach zo onschuldig mogelijk naar de strenge oligarch. En dan springt de man op en omhelst me. ‘Haal aguardiente!’, roept hij tegen de dienstmeid. Dat idee staat me wel aan. Wij klinken op onze nieuwe vriendschap.

Nu nog met Tanja Nijmeijer proosten in Havana en ik heb het hele politieke spectrum in Colombia doorlopen.

Over dit feuilleton

Colombia, waar ik bijna elf jaar als correspondente Latijns Amerika heb gewoond, is een prachtig land met een enorme potentie waar het nog steeds oorlog is, een hels paradijs dus. Ik vertel erover aan de hand van twee personen die er ongeveer tegelijkertijd aankwamen, ikzelf en Tanja Nijmeijer. Ik wilde weg uit het aangeharkte Nederland en was op zoek naar emotie en levenslust in een land dat me al veertien jaar mateloos boeide, Tanja wilde de revolutie en sociale gelijkheid brengen door zich aan te sluiten bij de linkse guerrillabeweging FARC. We hadden dus volstrekt tegengestelde bedoelingen.

Tanja werkte zich op van loopmeisje naar lid van de onderhandelingsdelegatie van de FARC in Havana. Al twee jaar onderhandelt de guerrilla daar met de Colombiaanse regering over een vredesakkoord. Ik raakte door het slepende conflict en het aanhoudende geweld steeds meer gedesillusioneerd en besloot mijn standplaats naar Brazilië te verplaatsen. Maar Colombia laat me niet los.

De onderhandelingen in Havana gaan met ups en downs, zo bleek onlangs nog, toen de FARC een generaal gevangen genomen bleken te hebben en de regering prompt de besprekingen opschortte. Maar de partijen zitten weer aan tafel, met het voornemen in 2015 toch echt een akkoord te sluiten. Een mooi moment om dit feuilleton te starten.

Voor de eerste zes delen, zie in TPO Magazine, https://magazine.thepostonline.nl/auteurs/Wies-Ubags/85, Blendle, https://blendle.com/search/%22Een%20hels%20paradijs%22, eLinea, http://www.elinea.nl/collecties/tpo-magazine-wies-ubags?pageNr=0 of Myjour, https://myjour.com/kiosk/wies-ubags/een-hels-paradijs

 

Mijn gekozen waardering € -

Wies Ubags (1962) werkt vanuit Brazilië voor oa het ANP. Ze is ook te horen op de Nederlandse en Belgische radio (vooral BNN, WNL en VRT).  Ze schrijft over ambitie in Latijns Amerika, in het klein en in het groot. Economische onderwerpen krijgen veel aandacht.