Deel 9 van mijn feuilleton over Colombia; Een hels paradijs. Over Carnaval en motels in Barranquilla; seks en verraad, en vooral de vraag: ‘Wanneer ben je een hoer?’

STEUN RO

Colombia is geweldig trots als de Amerikaanse president Obama in 2012 besluit om bij de top van de Amerika’s te zijn in de parel van de Cariben: Cartagena. Maar het is koud begonnen of er breekt een seksschandaal los. Een paar van ‘s presidents lijfwachten hebben zich ingelaten met Colombiaanse callgirls, die waarschijnlijk niet heel duidelijk hebben verteld dat ze callgirls waren, en hebben de rekening niet willen betalen. Grote ruzie! Om het schandaal in de kiem te smoren besluiten de Amerikanen toch maar de portefeuille te trekken, maar het mag niet baten. De pers heeft er al lucht van gekregen. En zo wordt het diplomatieke succes van Obama’s aanwezigheid in Cartagena overschaduwd door een ordinair seksschandaal. Weer is Colombia's reputatie aan diggelen.

Een vriend in Barranquilla verzucht. “Het is ook altijd hetzelfde. Colombiaanse mannen zijn in films drugshandelaren en vrouwen zijn hoeren en verdomd, het klopt zo vaak met de werkelijkheid.” We zijn net naar de film Biutiful geweest met Javier Bardem, waar deze in een Spaanse discotheek aan de klets raakt met een paar prostituees. “Een ervan had alweer een Colombiaans accent”, klaagt mijn vriend na afloop.

Maar de moeder van de callgirl Dania, die zich met de Amerikanen in Cartagena had ingelaten, heeft een hele andere interpretatie van wat prostitutie is. “Mijn dochter is geen hoer”, zegt ze fier tegen het Colombiaanse weekblad Semana. “Want een hoer gaat met een man naar bed zonder dat hij daarvoor betaalt. Een nette vrouw zorgt dat er iets tegenover staat als ze met een man naar bed gaat.”

Lelijke eendje

Ik vind het fascinerend. Het is precies wat ik zelf de hele tijd te horen krijg in gesprekken met mijn buurvrouwen in mijn nieuwe woonplaats Barranquilla. Ik verhuis er in 2010 naartoe omdat ik het kille en grijze Bogotá na acht jaar te veel van het goede vind. Eigenlijk wil ik stiekem ook wel weg uit Colombia, ik ben verzadigd van alle hevige en gewelddadige nieuws, maar ik ben nog niet klaar voor vertrek. De stap om in een nieuw land – welk? – weer van voor af aan te beginnen is nog te groot. Barranquilla, het lelijke eendje tussen Cartagena en Santa Marta in heeft een grote aantrekkingskracht op me. Het wordt niet beheerst door het toerisme, zoals de andere twee, het is een zakenstad. Vrolijk, chaotisch, kleurrijk. Precies wat ik in Bogotá mis.

Farotas de Talaigua

Barranquilla leer ik kennen van zijn Carnaval. Na Rio in Brazilië het bekendste Carnaval van Zuid-Amerika. Het is een wervelwind van heerlijke Caribische ritmes – cumbia, porro, champeta, bullerengue – en prachtige kostuums waar allemaal geschiedenissen achter zitten. Mijn favoriete types zijn de Farotas de Talaigua. Mannen verkleed als vrouwen in met bloemen bedrukte rokken en een hoed met bloemen. Ze hebben allemaal een paraplu en ze hebben een beetje een klunzige dans met zwiepende passen.  Het verhaal wil dat in de koloniale tijd de Spanjaarden de vrouwen van het dorpje Talaigua hadden verkracht. Om wraak te nemen verkleedden hun mannen en broers zich als vrouw om de Spanjaarden op een verkeerd spoor te brengen. Voor een vrouw hoef je immers niet bang te zijn…. Op het moment dat de Spanjaarden er het minst op verdacht waren sneden de mannen van Talaigua hun de keel door.

Farotas de Talaigua in actie

Zelf versier ik op mijn eerste Carnaval in Barranquilla een oliesheik, die zoon van Libanese immigranten blijkt. Hij is getrouwd, dus we verkennen heel wat van de motels die Barranquilla rijk is. Een motel, dat moet verduidelijkt, is in Latijns Amerika een hotel waar je per uur betaalt, waar je naartoe gaat met je geliefde, niet met je vrouw. Ik gedraag mij in de ogen van de moeder van callgirl Dania, die in Cartagena een Amerikaanse lijfwacht om haar vinger had gewonden, níet als een hoer omdat de Libanees erop staat alles te betalen. Ik voel me er knap ongemakkelijk bij en voel me juist door zo gefêteerd te worden wel een beetje een hoer, maar sus mijn geweten met de gedachte dat hij veel meer geld heeft dan ik.

Dranktest

Mijn buurvrouwen in Barranquilla, een kapster met lange blonde lokken, een drank- en minutos-verkoopster met een vreselijke vent die haar vernedert, een fysiotherapeute die al jaren is uitgekeken op haar man en een universiteitsdocente die valt op jonge jongens, praten nergens liever over dan over seks. Maar als je dacht die lusten er wel pap van, die verslinden elke week weer een ander lekker ding, dan heb je het mis.

Eigenlijk gaat het nog veel meer over dat wat er tegenover moet staan en mijn handelwijze met de Libanees wordt dan ook helemaal goedgekeurd. Maar ik deed het voor de seks. Als hij me een deel van de rekening had laten betalen, had ik het ook gedaan. Ik vraag me steeds vertwijfelder af waar Barranquilla toch zijn reputatie vandaan haalt dat het zo sensueel en erotisch beladen is. Van de gays dan misschien, waarvan er veel meer zijn dan je in zo’n machostad in de Cariben zou denken? “Wij doen altijd de dranktest”, vertrouwt een homovriend uit Barranquilla me op een keer toe in een interview over de gayscene in de hoofdstad Bogotá: “Als ze wat op hebben, vallen ze bijna allemaal door de mand.” Aha.

Verwaande pensionado

Mijn buurvrouwen lopen ondertussen te rekenen dat het een lieve lust is. Er moet betaald worden voor het eten, de drankjes, er moet getracteerd worden op een weekendje Cartagena of San Andrés, een Colombiaans eiland in de Caribische zee, er moeten cadeautjes meegebracht worden, een tas, een parfum, of dan toch op zijn minst een mooie speld voor in het haar. Want als die man geen geld aan jou besteedt, dan ben je niet belangrijk genoeg, en als je dat zelf geen punt vindt, gaat het alleen om de seks en ben je dus een hoer.

Zo ongeveer dus.  Voor deze vrouwen is seks business. De kapster verdraagt een naast zijn schoenen van verwaandheid lopende pensionado die ergens in Florida is neergestreken en één keer per jaar naar Barranquilla vliegt, omdat hij haar mee uitneemt en vrijhoudt. Als ik toch mijn macho Libanees, die natuurlijk niet alleen met mij alle motels van Barranquilla afstruint, ook op zo’n manier had moeten verdragen, alleen omdat hij betaalt.

Dat verhaal krijgt overigens nog een pikant staartje. Wanneer ik al in Barranquilla woon, doen we met een groep vrienden verkleed als Farotas mee met een optocht, La Guacherna, op vrijdagavond een week voor Carnaval, heel sfeervol, een van de mooiste optochten van het Carnaval in Barranquilla.

Na afloop blazen we uit op een paar bijeen geraapte stoelen in een klein straatje in de zwoele tropenavond. Een van de Farotas, een mollige vrouw met een snor op haar bovenlip getekend, spreekt me aan. “Jij kent de Libanees he? Weet je nog toen, die middag? Ik kijk haar nog eens goed aan en denk “Verrek, de Libanees had nog iemand bij zich: “Jij bent de buikdanseres!”

Rum-nevelen

Ik beleef in mijn herinnering opnieuw de ontmoeting met de Libanees, verkleed als oliesheik. Het is het Carnaval van 2004, de grote zaterdagmiddagoptocht die de Veldslag van de Bloemen wordt genoemd. Terwijl onze groep staat te wachten om in de optocht te vertrekken – we zijn een van de laatste groepen in de ellenlange rij en het is al donker geworden en wij hebben al te veel rum op – word ik aangesproken door een oliesheik. Hij windt er geen doekjes om dat hij wel geïnteresseerd is, maar ik heb ook meteen zijn metgezellin verkleed als buikdanseres in het vizier. Dus ik grap maar een beetje om zijn avances heen.

Wanneer we eindelijk in beweging konden komen, zoekt hij me nog een paar keer op, om me in mijn nek te kussen en op te tillen, maar ik verlies hem in het gekrioel uit het oog. De buikdanseres is ook in geen velden of wegen meer te bekennen. Maar de Libanees en ik hebben telefoonnummers uitgewisseld, mondeling zonder te bewaren omdat we onze mobieltjes niet bij ons hebben. Ik verwacht niet dat mijn nummer door al die rum-nevelen heen zal beklijven. Het zijne ben ik al vergeten.

Wie schetst mijn verbazing als ik een paar uur later op mijn logeeradres uitgeput op bed plof en mijn telefoon gaat: de Libanees. Nog diezelfde avond begint onze romance.  Over de buikdanseres spreken we geen woord.

Het liedje La Guacherna 

Zij, de mollige vrouw met de snor, vertelt me zeven jaar later op die zwoele avond in het smalle straatje na La Guacherna haar verhaal. Ze had een verhouding met de Libanees en had erg uitgekeken naar het Carnaval omdat haar man, waarvan ze aan het scheiden was, op reis was. Ze zouden al die vier dagen voor zichzelf hebben, maar al de eerste dag kwam ik op hun pad. Van de Libanees hoorde ze helemaal niets meer.

Mijn mond valt open, ik krijg het Spaansbenauwd en kan alleen maar wat halfbakken verontschuldigingen stamelen. Misschien ben ik wel erg achteloos met de buikdanseres omgesprongen en had ik toch op zijn minst bij de Libanees kunnen informeren hoe dit nu zat toen hij me die zaterdagavond belde.

Maar zij en ik zijn het er ook over eens dat de grote boosdoener van het verhaal de Libanees is, die zo gemakkelijk het ene hapje liet staan voor een ander. We sluiten, zij het nog een beetje ongemakkelijk, vrede.

Een gemeenschappelijke vriend die het gesprek met een grote grijns heeft aangehoord, drukt me een paar dagen later op het hart dat ik me absoluut niet schuldig hoef te voelen. De buikdanseres heeft een riante alimentatie binnengehaald van haar ex-man en vermaakt zich tegenwoordig met een jonge knul. De omgekeerde situatie van mijn rekenende buurvrouwen. Dat vind ik beregoed nieuws. Het stemt me hoopvol over het seksleven van de vrouwen van Barranquilla, waar ik me al een tijdje zorgen over maakte. Vrouwen, zeggen de Colombianen vaak, zijn de ergste machistas, en het is wel een beetje waar.

Zelfs de FARC, die een nieuw land geboren willen laten worden, zijn macho’s. Wordt vervolgd!

Over dit feuilleton

Colombia, waar ik bijna elf jaar als correspondente Latijns Amerika heb gewoond, is een prachtig land met een enorme potentie waar het nog steeds oorlog is, een hels paradijs dus. Ik vertel erover aan de hand van twee personen die er ongeveer tegelijkertijd aankwamen, ikzelf en Tanja Nijmeijer. Ik wilde weg uit het aangeharkte Nederland en was op zoek naar emotie en levenslust in een land dat me al veertien jaar mateloos boeide, Tanja wilde de revolutie en sociale gelijkheid brengen door zich aan te sluiten bij de linkse guerrillabeweging FARC. We hadden dus volstrekt tegengestelde bedoelingen.

Tanja werkte zich op van loopmeisje naar lid van de onderhandelingsdelegatie van de FARC in Havana. Al twee jaar onderhandelt de guerrilla daar met de Colombiaanse regering over een vredesakkoord. Ik raakte door het slepende conflict en het aanhoudende geweld steeds meer gedesillusioneerd en besloot mijn standplaats naar Brazilië te verplaatsen. Maar Colombia laat me niet los.

De onderhandelingen in Havana gaan met ups en downs, zo bleek onlangs nog, toen de FARC een generaal gevangen genomen bleken te hebben en de regering prompt de besprekingen opschortte. Maar de partijen zitten weer aan tafel, met het voornemen in 2015 toch echt een akkoord te sluiten. Een mooi moment om dit feuilleton te starten.

Voor de eerste acht delen, zie in TPO Magazine, https://magazine.thepostonline.nl/auteurs/Wies-Ubags/85, Blendle, https://blendle.com/search/%22Een%20hels%20paradijs%22, eLinea, http://www.elinea.nl/collecties/tpo-magazine-wies-ubags?pageNr=0 of Myjour, https://myjour.com/kiosk/wies-ubags/een-hels-paradijs

Wies Ubags (1962) werkt vanuit Brazilië voor oa het ANP. Ze is ook te horen op de Nederlandse en Belgische radio (vooral BNN, WNL en VRT).  Ze schrijft over ambitie in Latijns Amerika, in het klein en in het groot. Economische onderwerpen krijgen veel aandacht.