Achttien jaar duurde de bouw van het splinternieuwe station in Arnhem. Een turbulente periode waarin vele problemen zich opstapelden, zoals de financiële crisis, een mislukte aanbesteding, politieke spanningen en omwonenden die zich tegen het project keerden. Dit verhaal is een reconstructie van dat omstreden planproces – van een spannend avontuur dat hoe dan ook een goede afloop kent.

STEUN RO

Niet dat Robin Hartogh Heijs op de ochtend van 5 juli 1997 nerveus was – hij had immers een groot vertrouwen in de aanstaande vernieuwing van het Arnhemse stationsgebied. Noem het gezonde spanning voor hetgeen die dag te gebeuren stond: in de middag zou de wethouder in gezelschap van minister Jorritsma van Verkeer en Waterstaat een portiekflat tot ontploffing brengen en zo het startschot geven voor de grootste stedenbouwkundige ingreep sinds de Tweede Wereldoorlog. Enkele maanden eerder had hij in de Arnhemse Courant al gezegd hoe belangrijk deze datum voor hem was. ‘Ik ben al jaren bezig met dit project. Als het dan uiteindelijk van start gaat, is dat bijzonder bevredigend.’

Niemand op die julidag kon bevroeden dat het Arnhemse stationsproject de geschiedenis in zou gaan als een buitengewone onderneming van politieke strijdlust, miljoeneninvesteringen en keiharde onderhandelingen, van architectonische sublimiteit en bouwkundig vernuft. Cynici en zwartkijkers spreken van een onvervalste soap, inclusief de haat en nijd, de relationele strubbelingen en de cliffhangers – waarna het altijd lang onzeker blijft hoe het verhaal verder gaat. Voorstanders daarentegen hebben het over een meeslepend avontuur: de hoofdpersonen komen telkens voor hete vuren te staan, maar weten uiteindelijk hun queeste tot een goed einde te brengen.
Wat heet: het avontuur dat Arnhem in de zomer van 1997 aanging eindigt in 2015 met een bijzonder mooi stationsgebouw dat onlangs in De Telegraaf als futuristisch, verbluffend en ongeëvenaard werd bestempeld, een station van wereldklasse dat de stad aan de voet van de Veluwe voorgoed op de kaart zet.

Overdekt stadsplein
Het avontuur begon vol goede moed, want iedereen in de Gelderse stad was het eens: het stationsgebied was nodig aan vernieuwing toe. Het oude stationsgebouw van ingenieur H.J.G. Schelling uit 1954 met de kenmerkende klokkentoren, voldeed niet meer. Gekscherend werd weleens gezegd dat reizigers soms ‘als haringen in een ton’ in de smalle perrontunnel vastzaten. Prognoses wezen uit dat Arnhem zich in rap tempo zou ontwikkelen tot een mobiliteitsknooppunt van nationaal belang. Het was de bedoeling om in het kader van de hogesnelheidslijn (HSL) richting Duitsland een aparte spoorbaan tussen Utrecht en Arnhem aan te leggen. Dat idee ging van tafel, maar Arnhem werd wel halteplaats voor de ICE. Daarnaast groeide het regionale trein- en busvervoer gestaag en ontstond het initiatief voor een directe treinverbinding met Düsseldorf. Al met al is de verwachting dat in 2020 dagelijks 110.000 reizigers Arnhem aan zullen doen.
Daarnaast was het gebied rondom het station sinds de jaren tachtig onderwerp van een ontwikkelingsopgave. Bij een nieuw station moesten kantoren, voorzieningen en woningen verrijzen, zo was de heersende gedachte. De verbinding met de binnenstad moest beter en de sleetse en rommelige openbare ruimte was dringend aan een opknapbeurt toe.

Het stationsplan dat architect Ben van Berkel van het Amsterdamse bureau UNStudio eind jaren negentig maakte – hij presenteerde zijn ontwerp enkele maanden voor de sloop van de portiekflat – werd goed ontvangen. Een sleutelrol was weggelegd voor de terminal, een overdekt stadsplein en een subliem vormgegeven bouwwerk dat niet alleen alle vormen van vervoer onder één dak bracht, maar ook de verbindende schakel bleek tussen stad en station, tussen ‘op reis zijn’ en ‘ergens verblijven’. Door in te spelen op de topografie – Arnhem ligt op de glooiende flanken van het Veluwemassief – en verkeers- en reizigerstromen als uitgangspunt te nemen, ontwierpen Van Berkel en zijn team logische looproutes en heldere zichtlijnen. Een belangrijk element is de zogenoemde fronttwist, een gedraaide vorm die als richtingaanwijzer en ontmoetingspunt fungeert. In een gesprek met OV-Magazine omschreef Van Berkel het dit voorjaar als volgt: ‘Als je naar de twist kijkt, weet je meteen waar je heen moet.’

Onder de naam Tekstlandschap werkt ir. Mark Hendriks als journalist, redacteur en auteur op het gebied van ruimtelijke ordening, stedenbouw en landschapsarchitectuur. Hij observeert, opinieert en debatteert over de intrigerende wereld van het ontwerp en de planning van stad en land. Tekstlandschap staat voor een journalistieke aanpak: het houdt vakmensen scherp en informeert een breder publiek op de juiste toon. Mark Hendriks is hoofdredacteur van vaktijdschrift Blauwe Kamer en gastdocent aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam.