Slechts een stoffige ordner, opgeborgen in het Aviodrome, herinnert nog aan haar droevig lot: Beatrix de Rijk was een vrouw die het leven roekeloos beheerde. Zij had in 1911 in Reims op een Henriot ééndekker leren vliegen en was daarmee Neerlands eerste aviatrice. Zij overleefde het gevaarvolle kindertijdperk van de luchtvaart, maar na haar ene heldendaad, waarmee zij aanvankelijk wereldwijde faam verwierf, restte enkel narigheid.

STEUN RO

Het waren niet alleen stoere mannen, die onverschillig in de cockpit wipten en met brullende motor door de lucht stormden. ‘Succes in de tegenwoordige aviatiek,’ zo besloot dr. P.M. van Wulfften Palthe zijn proefschrift over de vliegerij van voor de oorlog, ‘hebben slechts de voorzichtige nadenkende, bedwongen nerveuzen’.

Amy Mollison, Elly Beinhorn en Amelia Earheart waren dappere vrouwen die zich de gevaren van hun vliegexperimenten terdege bewust waren. Velen die in hun kunstvogels van latten en linnen steil naar de hemelen klommen, gingen hun ondergang tegemoet. Onderstellen kraakten, vleugels deukten als harmonica’s, populierenhout kliefde en hoekijzers braken af. Vliegers drenkten geheel in wonderolie of zagen, terwijl zij hoog boven de duintoppen planeerden, het draagvlak gevaarlijk krommen. Jonge avonturiers schoten juichend de lucht in, maar ook ploften ongelukkige lieden met een doodskreet neer.

Thérès Peltier, de allereerste vliegende vrouw, koos reeds 1908 het luchtruim. Zij keerde later terug tot de beeldhouwkunst. De Franse barones Raymonde Delaroche haalde al in 1910 haar brevet en sneuvelde op het veld van eer. Een jaar later voer in ons eigen land mejuffrouw’ L. Engelkens ten hemel; haar vlucht op enige meters hoogte eindigde in een fatale duik.

Zo niet Beatrix de Rijk: zij kwam eenvoudig nooit meer aan bod. Zo groot was het wantrouwen dat de Haagse oud-journalist F.F. Habnit tegen haar koesterde, dat hij met deze raadselachtige vrouw, die hij postuum wilde eren in zijn geschiedschrijving van de vliegerij in Indonesië, zich geen raad wist. In Franse tijdschriften zocht hij vergeefs naar haar beeltenis (‘Ik vraag U, is dat niet kras?’) en bij het Centraal Bureau voor Genealogie werden hem gegevens ter hand gesteld die nog meer vraagtekens over haar wonderlijke leven oproepen. Had Beatrix wellicht een te sterke fantasie?

In 1911 stond zij zeker niet op de voorpagina’s van de vaderlandse kranten. Een piepklein berichtje – onder de noemer Sport – meldt dat aan mevrouw Beatrix de Rijk, ‘onze landgenoote, door de Aéro-Club le France het brevet voor bestuurster van vliegtuigen (is) uitgereikt.’

Daarna werd jarenlang geen woord meer aan haar vuilgemaakt. Sterker nog: In 1930 waren de kranten Beatrix alweer glad vergeten. Dat jaar werd aan een mej. E. M. M. Versluys uit Delft op het vliegveld Waalhaven het brevet voor Sportvliegen uitgereikt als zijnde de ‘eerste Nederlandsche vliegster’. Terwijl het artikel toch ook Beatrix de Rijk nog even aanhaalde. De boodschap was duidelijk: Voor het kennersoog was zij een brekebeen, men gunde haar geen plaats in de geschiedenis van de grote luchtvaart.

Rolschaatsen

Haar jeugd in Soerabaja, Indië, waar zij in 1883 het levenslicht zag als zesde dochter van een rijke bankier was onbezorgd. Opmerkelijk was haar vroege passie voor gevaar en snelheid. Als geen ander verstond zij de kunst van het rolschaatsen en zij kon een hoge tweewieler voortbewegen zonder te kapseizen. In beide takken van sport, zo beweerde zij later, won zij prijzen op de rolschaatsen wielerbaan van haar geboorteplaats.

Ook in Den Haag, waarheen zij met haar moeder verhuisde nadat haar vader stierf, bond de avontuurlijke Beatrix zich alles onder de voeten dat maar rijden of rollen kon. Dat zij als eerste Nederlandse vrouw in een Duitse Adler reed, was een verdienste die zij te danken had aan de toenmalige wielrenner Jan Mulder. De auto, die volgens Bea moet hebben geleken op ‘een wagentje uit een stoomcarrousel’, kon de Amstelbrug bijna niet opkomen, zodat zij zich een snellere NSU-motorfiets aanschafte. ‘Het behoeft niet te verwonderen,’ doceerde bijna veertig jaar later het damesblad Libelle, ‘dat het tussen haar conservatieve moeder, die een volbloed Javaanse was, en dit meisje, met haar heftig, trots en ongebonden temperament, tot botsingen kwam’.

Zelfs haar vurige wens, viool te leren spelen kon niet in vervulling gaan: moeder achtte zulks niet comme il faut en stond haar slechts een pianostudie toe. Nadat zij zich van de ouderlijke ketenen ontdeed, rende zij de vrijheid tegemoet en vestigde zich in Parijs. Men zag haar in kostbare toiletten op de renbanen van Auteuil, gelegenheden waar de beau monde voor de Eerste Wereldoorlog verscheen. Zij was mooi, vol avontuur en roekeloze moed.

Verscheidene aanlokkelijke huwelijksaanzoeken wees zij af: nimmer zou zij de vrouw worden voor wie het leven achter gesloten deuren ligt. Haar ambities reikten hoger: als mannequin van het beroemde modehuis Worth aanvaardde zij de uitnodiging van de damesballonvereniging Stella, maar anders dan haar 350 mede-aëronautes kon het spel van wind en luchtbol haar aanvankelijk maar weinig bekoren.

Dat veranderde toen zij een oude vriend ontmoette, die haar schertsend voorstelde haar het vliegen te leren. Onmiddellijk stortte zij de tweeduizend francs die nodig waren voor het brevet, maar haar instructeur zat zo in de schulden, dat op al zijn vliegtuigen beslag werd gelegd. Beatrix won het proces tegen de vliegschool, maar ‘veren van een kikker plukken was ook in die dagen onmogelijk,’ stelde zij bitter vast. Ook het contract voor vliegdemonstraties boven Friesland, haar aangeboden nog voordat zij zelfs maar een vliegtuig had gezien, moest zij retourneren. Zij wendde zich tot de Déperdussinschool, maar werd geweigerd omdat daar uitsluitend aan militairen vliegles werd gegeven.

Bij de school van de bekende vliegtuigconstructeur Marcel Hanriot ging zij uiteindelijk zonder instructeur de lucht in. ‘Hij kon ook niet mee,’ schreef zij, ‘want in dat kleine eendekkertje was ternauwernood plaats voor mij alleen. Zijn les geven bestond daaruit, dat hij mij vertelde wat ik zoal moest doen. Toen ik dat goed onder de knie had, werd het gastoevoer iets ruimer gesteld, juist voldoende om sprongetjes van een meter of tien te kunnen maken.’ Haar vliegmachine was niet meer dan ‘wat latten met veel spandraden, wat aeroplane-stof en een zwak motortje’, waarin zij zat ‘zonder enige beschutting met een dreigende benzinetank boven het hoofd en géén vloer, maar een peilloze diepte onder het vliegstoeltje’.

In 1911 — toen vliegen niets anders was dan n brutaal tarten van den dood’ — werd zij dus officieel een koene ridder van de lucht. Zij deed haar examen op het vliegveld bij Reims acht jaar nadat de gebroeders Wright in Amerika hun eerste vluchten met motor maakten en nauwelijks twee jaar nadat Blériot het Kanaal was overgestoken. Beatrix moest stijgen tot honderd meter en een acht boven het terrein beschrijven. ‘Het motortje,’ herinnerde zij zich, ‘knetterde er lustig op los en haalde mij er prachtig door.’

Frankrijk was verrukt. Allen die hun leven waagden aan die fragiele toestellen waren helden. Eensklaps werd ook zij onderwerp van glorieuze zegepraal. Fabrikanten schonken de gefêteerde dure auto’s en welriekende odeurs werden naar haar vernoemd. In het kleine Libelulevliegtuig, dat zij zich aanschafte, monteerde de fabrikant Clarget kosteloos een motor! Zij ging wonen in het luxueuze Grand Hotel , steeg op in luchtschepen, reed auto en deed mee aan vliegwedstrijden, waaronder een tocht naar het landgoed van een hoffelijke markies, die haar een kostbare bijou als herinnering schonk.

Jeugdige overmoed

Waarom aan dit wondere en rijke leven zo woest een einde moest komen zal wel eeuwig een raadsel blijven, zoals ook nooit duidelijk is geworden waarom Beatrix het land als vreemdelinge moest verlaten toen de schaduwen van de eerste wereldbrand over Frankrijk vielen. Maar weggestuurd werd zij. De Franse regering accepteerde haar diensten als oorlogvliegster niet: met de weinige kilo’s bagage die zij mee mocht nemen, nam zij afscheid van haar vliegtuig, en kwam in Nederland aan.

In het najaar van 1915 richtte zij zich tot het Departement van Oorlog te Den Haag, vanwaar de secretarisgeneraal haar schreef, dat ‘vanwege het geringe aantal vliegtuigen niet van Uw diensten gebruik kan worden gemaakt’. ‘Alleen wanneer ons land in den oorlog zou worden betrokken,’ stond er, ‘zouden hare diensten gaarne worden aanvaard.’

Talrijke pogingen deed zij nog om tot de vliegerij terug te keren. Met roemrijke vliegeniers als Blériot, Vidart, Védrines en Beaumont onderhield zij contact en bij het uitbreken van de oorlog in Abessinië vertrok zij daarheen, om de Negus te hulp te snellen. Ook nu zonder resultaat. En zo begonnen voor haar deprimerende jaren, waarin niet alleen haar enige zoon in Indië sneuvelde, maar zij ook haar man in Atjeh kwijtraakte.

Pas in 1935 kwam een krant haar toevallig weer op het spoor. Enthousiast vertelde zij over haar avonturen in de lucht. Na haar terugkeer heeft zij nog een keer gevlogen, als passagiere, vertelde ze. ‘Maar dat doe ik nooit meer, want dan wordt dat terugverlangen naar die onvergetelijke tijd van sensatie en jeugdige overmoed mij te machtig.’

In 1951 werd zij nog eenmaal uit de vergetelheid naar voren gehaald, toen zij als enige vrouw verscheen op een reünie van luchtvaartpioniers. Andermaal werd de bijna 70-jarige op bloemen, toespraken en een feestdiner onthaald. Maar ’s avonds, toen de feestvreugde was verstild, strompelde Beatrix , die door een val invalide was geworden, weer de krakende trap op van haar woning aan de Haagse Hoefkade, waar zij in nijpende armoede leefde. Aan de wand van haar kamer hing de spreuk: ‘Lach en vergeet’.

Haar bewaard gebleven privé-correspondentie is al even schrijnend. Zij wilde japonnen betrekken van Maison de Bonneterie om zich ‘aan den volke’ te vertonen, maar het concern adviseerde de aankoop uit te stellen tot de opruiming. Graag steeg zij onder auspiciën van de Haagse Ballon Club naar hogere sferen. Maar zij had er het geld niet voor.

Verkommeren

Van een wekelijkse ondersteuning van vijf gulden twintig krachtens de Noodwet Drees, bleef na aftrek van de vaste lasten zo weinig over dat het vakblad voor vliegers Avia terstond het Beatrix de Rijk-fonds in het leven riep. ‘Beschamend,’ oordeelde Avia. ‘dat men deze oudste aviatrice nu verder eenzaam laat verkommeren. Het moge misschien waar zijn, dat zij in haar oude tijd te vrijgevig met haar inkomsten omsprong, maar tenslotte is het buiten haar schuld dat haar bezittingen in Indië verloren gingen.’ Gemis aan goederen is te herstellen, maar armoede van het hart is hopeloos.

Gedurende haar laatste levensjaren verdiende zij de kost als bordenwasser in het Scheveningse Palace Hotel en als poetsvrouw bij een Haagse familie. ‘De roem waaraan zij hunkerde,’ schreef G. Bosch van Drakestein al in 1936 in het Handelsblad, ‘is haar voorbij gegaan. Het hartstochtelijk verlangen om iets buitengewoons te zijn in deze wereld van gewonen, is niet bevredigend geworden.’

Zelf voelde Beatrix zich als een ‘vogel in een kooi’. En dat bleef zo tot aan haar dood op 18 januari 1958. Haar weinige persoonlijke bezittingen, weggeborgen in het luchtvaartmuseum op Schiphol, zijn nimmer in de vitrines tentoongesteld. Alleen Wikipedia heeft haar weer ontdekt.

Dit is een herschreven en aangevulde versie van een artikel dat in 14 februari 1984 in NRC Handelsblad verscheen