Geheime – en/of Inlichtingendiensten varen mee op de woelige politieke baren. Maar gaan zo veel mogelijk hun eigen weg en zagen doorgaans meer gevaar van links dan van rechts. Pogingen om er volledig grip op te krijgen falen.

STEUN RO

Dat is, kort door de bocht, het beeld dat Constant Hijzen schetst in zijn dissertatie Vijandbeelden: de veiligheidsdiensten en de democratie, 1912-1992. Hiermee promoveerde hij als historicus bij Beatrice de Graaf, Bob de Graaff en Henk te Velde aan de Universiteit Leiden.

Volgens de theorie zijn ‘inlichtingendiensten’ werkzaam in het buitenland (vooral offensief) en ‘veiligheidsdiensten’ in eigen land (vooral defensief, om de staatsorde te beschermen). Beide verzamelen, bewerken, analyseren en verspreiden ze informatie. Hoe doen ze dat?

Die vraag kun je met ‘geheime diensten’ nooit precies beantwoorden. Maar dat pikken politici, journalisten en burgers doorgaans niet, zeker niet in Nederland waar iedereen gewend is zich overal mee te bemoeien. Dus zijn de diensten alras, en zeker na de Tweede Wereldoorlog in politiek en maatschappelijk vaarwater terechtgekomen.

In de verschillende periodes in de twintigste eeuw, die Hijzen afzonderlijk beschrijft in chronologische volgorde, ondergingen de diensten invloeden op hun selectie van dreigingspercepties, hun organisatiewijze en de legitimiteit. Gaandeweg is dat met meer debat en strijd gepaard gegaan.

Met als recente climax in Nederland de totstandkoming van de nieuwe inlichtingenwet Wiv2017 met heftig debat, protest van wetenschappers (waaronder Hijzen zelf) en vanuit de maatschappij, met de nodige gevolgen in het parlementaire debat, maar uiteindelijk nauwelijks op de stemming. Maar dat haalde het proefschrift niet meer, want dat hield als grens 1992 aan. Dus is er 15 jaar later wel nog meer aandacht, maar qua gevolg verandert er niet veel.

Militair begin

Een spion wordt algemeen gezien als het ‘een na oudste beroep ter wereld’. Hijzen begint zijn beschrijving van het Nederlandse inlichtingenwerk in 1912 met het Studiebureau Vreemde Legers, na twee jaar ‘derde sectie van de generale staf’ (GS III) genoemd, nog steeds onder militair gezag. Ze was gericht op informatie  over buitenlandse mogendheden rond en in de Eerste Wereldoorlog; met als doel het ondersteunen van de Nederlandse neutraliteit.

Spoedig werd GS III ook ingezet ter voorkoming van een revolutie zoals bijvoorbeeld Troelstra die wenste in 1918 (foto). Op die twee poten bewegen ‘geheime diensten’ zich tot op de dag van vandaag voort: buitenlandse dreigingen onderkennen maar ook binnenlandse bedreigingen van de democratie: van revolutionairen tot dierenfanaten. (Boeiend in dit licht is de Amerikaanse strijd tussen inlichtingendiensten (NSA en CIA) die zich opwerpen als verdediger van de democratie tegenover een regime Trump dat haar bedreigt.)

Na de Eerste Wereldoorlog vond een vrij heftig debat met militairen plaats over de legitimiteit van het neuzen in privélevens van burgers door een dienst die opstand wilde voorkomen. Premier Ruijs van Beerenbrouck zag het met het revolutionair elan ook zo’n vaart niet lopen en weigerde een inlichtingendienst op te zetten vanuit de regering en deze te financieren.

Tweede Wereldoorlog keerpunt

Onder de naam Centrale Inlichtingendienst bleef ze in de jaren twintig opereren vanuit militair en politiedomein, en bemoeiden politiek en samenleving zich er nauwelijks mee. Begin jaren dertig kwam naast spionage naar links het rechts extremistisch gevaar. Maar zowel bij de opkomst van de nationaalsocialisten als de Duitse inval in 1940 ontbrak een goed geleide forse veiligheidsdienst, zeker in het weerstaan van de contra-inlichtingen door Duitsland in Nederland. Op dit terrein versloeg Duitsland de vijanden Engeland en Nederland, die ook samenwerkten, met gemak.

Maar vanaf mei 1940 werd spionage voor de regering in Londen ineens van het grootste belang en werd inlichtingenwerk geleid door regering en hoge ambtenaren. Net als veel kwesties van de regering in ballingschap in Londen werd ook die van de opzet van spionage inzet van gekonkel, vooral over de mate van sturing.

Aanvankelijk wonnen degenen het pleit die weinig politieke bemoeienis voorstonden van het Bureau Inlichtingen en de Centrale Inlichtingendienst. Samenwerking met het verzet in Nederland kwam uiteindelijk goed op gang. Maar wel had de dienst te duchten van Britse inmenging, die met het Englandspiel noodlottig werd: Duitse agenten arresteerden Nederlandse spionnen die ze inzetten om Engeland te misleiden.

Drees en Einthoven maken weg vrij

Na de oorlog werd met het Bureau Nationale Veiligheid en vervolgens de Centrale Veiligheidsdienst een stevige dienst opgezet met het nodige geld, personeel en opleidingen. Hoge ambtenaren maakten – wederom – ruzie over de bevoegdheden. De baas van Justitie werkte de dienst tegen omdat die bij Binnenlandse Zaken was ondergebracht.

De snel toenemende macht van communisten in Oost-Europa speelde CVD-chef en communistenvreter Louis Einthoven in de kaart. Hij wist bij premier Willem Drees meer zelfstandigheid en geld te verkrijgen, ofschoon diens PvdA eigenlijk weinig geporteerd was van een geheime dienst. Nieuwe wetten gericht tegen communisten gaven de dienst veel meer controlewerk.

Echter, vanaf 1949 ontmoette de Binnenlandse Veiligheidsdienst toch politieke tegenwind. Een groot deel van het parlement vond uitgebreid inlichtingenwerk ongepast nu de vrijheid na de oorlog herwonnen was toch. Regering en Einthoven wonnen het pleit en met een stevige verankering van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) kon deze worden uitgebreid en flink z’n gang gaan.

Het daaropvolgende decennium betitelt Hijzen als ‘Offensief en autonoom. De veiligheidsdienst in handen van ambtenaren.’ De periode werd het slotakkoord van Louis Einthoven, de man die bemoeienis wilde minimaliseren. Premier Beel kreeg een ambtelijk advies om daartegenin te gaan met controle. Weliswaar kwam er in 1952 een Vaste Kamercommissie voor de BVD, plus bemoeienis van een Bijzondere Voorlichtingscommissie, maar veel last ondervond de dienst daar niet van. De in hevigheid toenemende Koude Oorlog liet weinig ruimte voor terughoudendheid. Ook lag de BVD internationaal ook goed bij Westerse bondgenoten (CIA!) die gemeenschappelijk de communistische vijand bestreden.

Links wel, Bernhard niet

De almachtige Einthoven riep zelfs hoofdredacteuren op met matje als een hem onwelgevallige publicatie dreigde, en hij belde Kamerleden op als ze kritische vragen in de zin hadden. Het kabinet droeg Einthoven niettemin op om ook een blik op extreemrechts te werpen. De commissie-Beel die Hofman-affaire onderzocht, eiste bovendien dat Einthoven de gangen van Prins Bernards in het buitenland onderzocht.

Einthoven deed het niet. Wel had hij zich ervan vergewist dat Hofmans geen banden met communisten had, maar vriend Bernhard moest buiten schot blijven. Het gevaar kwam voor Einthoven van links, nooit van rechts. Dus begon hij na de neergeslagen Hongaarse opstand in 1956 wel een ‘psywar’ om communistische organisaties in Nederland te pesten en storen. Einthoven breidde zijn oorlog uit in het Nederlandse veiligheidsdomein (politie) etc., bijvoorbeeld voor een lijst met aanvankelijk duizenden te arresteren personen bij een communistische aanval; oftewel ‘Uur U’.

Het leverde ook het nodige typische Nederlandse geharrewar op, bijvoorbeeld strijd tussen BVD, Buitenlandse Inlichtingen Dienst (BID) en militaire diensten; vooral op ambtelijk niveau als het ging om bevoegdheden en geld. Overigens kreeg de BVD ook geld van de CIA, dat geheim weggeboekt werd door de regering.

Maatschappelijke kritiek zwelt aan

In de roerige jaren zestig was het over en uit met de autonomie van de diensten. De maatschappij veranderde, de Koude Oorlog werd minder heftig na de Cuba-crisis. Het tijdperk-Einthoven eindigde in 1961. Een artikel in 1963, weliswaar door socialisten geschreven, trof de BVD hard: ‘snuffelaars, sleutelgatgluurders, brievenopeners en telefoontappers’ (vanwege controle van Surinamers) was tot dan toe letterlijk ongehoorde kritiek.

De diensten werden meer en meer gezien als bedreiging voor de democratische rechtsstaat, in elk geval van ‘ieder non-conformistisch denken’ en dat groeide in die jaren immers flink. ‘De Nederlandse samenleving had nog nooit zo massaal tegen de veiligheidsdiensten te hoop gelopen. Ze was daarmee ook internationaal een voorloper’, concludeert Hijzen. Ook in de Tweede kamer – Den Uyl, Van Mierlo – groeide de kritiek. De leiding vond het onterecht, maar werkte uiteindelijk in 1968 mee aan een grote tv-reportage over de BVD om te tonen wat ze deed voor de rechtstaat.

Niettemin nam de politieke grip toe in de jaren zeventig, want Den Haag, journalistiek en samenleving ontdekten de diensten als welkom onderwerp voor debat en kritiek. In mei 1971 wijdde Frans Nypels voor Haagse Post twee grote artikelen aan de BVD, vanuit de ‘gedachtewereld waaruit de BVD’er stamde’. Het was een positief verhaal, maar er volgde een derde, kritisch artikel van een andere redacteur. Ook gaf Andries Kuipers (BVD-chef van 1967 tot 1977) interviews, maar een kritischer houding van de pers (Vrij Nederland) kon hij niet voorkomen.

De legitimiteit van de BVD werd nader bepaald door Den Uyl en Van Mierlo. De BVD mocht zich niet zomaar mengen in levens van burgers zonder concrete verdenking. Dit debat, merkt Hijzen goed op, speelde al in 1918. Maatschappelijke kritiek zwelde aan, zeker gezien de samenwerking van de BVD met de Politie Inlichtingendiensten.

Vooral communistenjagen

Echter, de BVD, zo schetst Hijzen, bleef in de jaren zestig en zeventig zich voornamelijk richten op het rode gevaar, ofschoon niet alleen de steun voor de Communistische Partij Nederland (CPN) afnam, maar ook de banden met Rusland verslapten. De BVD trof het niet met minister Ed van Thijn, die een slechte persoonlijke relatie met BVD-chef Pieter de Haan had. Van Thijn besloot ook dat het afgelopen moest zijn met communistenjagen, maar zijn opvolger draaide dat besluit – na manipulaties door De Haan – zo weer terug.

De argwaan over de legitimiteit en taakopvatting c.q. dreigingsperceptie vanuit politiek en samenleving (pers!) werden allerminst weggenemen. Oftewel weer de kernvraag: waartoe is de veiligheidsdienst op aarde? Immers, de BVD bleek te spioneren bij de krachtig opkomende vredesbeweging – tegen kernwapens etc. – in de jaren tachtig. Ook de BVD werd speelbal van politieke polarisatie – Telegraaf/VVD vs. links.

Het was Arthur Docters van Leeuwen als directeur van 1989-1995, die de ‘verkalkte en verwarde’ en ook ‘routinematig handelende, bureaucratische, arrogante en angstige’ dienst reorganiseerde en moderniseerde.

Dat was ook net op tijd, want de tegendraadse minister Ien Dales wilde de BVD wel opheffen. Voortaan ging de BVD veel realistischer om met risico-inschattingen door vitale belangen te benoemen. Meer transparantie met verslaglegging moest de argwaan verminderen. Zo zet Hijzen Docters van leeuwen neer als de redder van de BVD en schepper van de moderne veiligheidsdienst.

Het parlement wilde inhaken met meer en opener toezicht op de diensten, maar onder leiding van Elco Brinkman van het CDA hielden de regeringsfracties vast aan de bestaande beslotenheid van de commissie-stiekem, inmiddels de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) geheten.

Rituele dans, geen inhoudelijke controle

Daarmee, concludeert Hijzen, werd ook bestendigd dat het debat over veiligheidsdiensten vooral een ‘rituele dans’ bleef die meer om ‘machtsverhoudingen, tradities, conflicten en aanzien’ dan om inhoudelijke zaken gaat. Tot op de dag van vandaag, zo springt doctor Hijzen even 25 jaar vooruit, is het optreden van de veiligheidsdienst in een democratie onderworpen aan vraagtekens over dreigingspercepties en bijbehorende bevoegdheden en taakuitoefening.

Hij vindt de vorm van het debat wel een continuüm in de zestig jaar die hij onderzocht, maar niet de uitkomst: ‘Dat leverde onder de streep steeds weer een nieuwe veiligheidsdienst op’. Voor wie, zoals Hijzen, dicht op de materie zit en alle finesses van de wisselwerking tussen diensten en samenleving onderzoekt, is die vernieuwing ongetwijfeld goed zichtbaar.

Maar wie Hijzens prettig leesbare, voortreffelijke maar meer gedegen dan spannende studieverhaal met wat meer afstand leest, hoeft die conclusie niet een-twee-drie te onderschrijven. Ik zag meer continuïteit dan een steeds vernieuwde dienst, ook gezien haar accent op links gevaar. Als zelf verklaard beschermer van de democratie slagen de diensten erin om autonoom te bepalen hoe ze hun opdracht in praktijk brengen.

Details vernemen we incidenteel, bijvoorbeeld bij een aanslag of de terrorist wel of niet in beeld was. En wij vertrouwen erop, ondanks een flinke portie argwaan, dat dit goed gebeurt en de AIVD de democratie en vrijheden respecteert.

Peter Olsthoorn schreef boeken over internet, Google en The Power of Facebook,Πartikelen over ICT, media (internet vooral), inlichtingendiensten en innovatie. Hij spreekt over deze onderwerpen, treedt op als dagvoorzitter en interviewer op het podium. Was journalist in Oost-Europa, correspondent en oprichter van netkwesties.nl.