Tanja van Bergen heeft voor de rest van haar leven genoeg gedronken. Sinds eind vorig jaar doet zij verslag van haar nieuwe, onbenevelde bestaan. Deel 11: nooit meer onderuit op de fiets.

STEUN RO

Vlak bij mijn huis is een fietspad met een slinger erin. ‘De bocht van Nescio’ wordt die genoemd, omdat mijn favoriete schrijver (léés Dichtertje!) zou hebben voorkomen dat een grote boom hier werd gekapt voor het fietsersgemak. Dat verhaal is apocrief – het fietspad werd vermoedelijk pas na Nescio’s dood aangelegd – maar in 2008 bleek het sterk genoeg om te voorkomen dat de boom bij een herprofilering alsnog werd omgehaald.

Voor mij is de bocht de laatste maanden een landmark geworden. Elke keer dat ik, nuchter en daardoor moeiteloos, die slinger neem, besef ik hoeveel prettiger mijn leven is geworden sinds ik niet meer drink. Nooit meer bang hoeven zijn dat ik op de fiets onderuit ga is maar één van de vele dingen waarvan ik tegenwoordig erg vrolijk & gelukkig kan worden.

En dat is nogal een opluchting. Mijn grootste angst toen ik stopte met drinken was namelijk dat het leven daarna nooit meer echt leuk zou worden. Nooit meer dansend, schaterend leuk. Rustiger, dat wel. Gezonder, ook. ‘s Morgens geen zwaar hoofd meer. Genoeg energie om geregeld te gaan sporten. En ‘s avonds weer eens een boek lezen, in plaats van lodderig voor de tv of boven mijn laptop hangen. Allemaal prettige vooruitzichten, maar ook wel een tikje saai, burgerteutig. En dat riep mindere herinneringen op.

Introductiefeest

Utrecht, september 1979. In een werfkelder aan de Oudegracht zit ik om half drie ‘s nachts gapend op een bank te wachtend totdat de klasgenote bij wie ik mag overnachten, ook klaar is met dit introductiefeest van de School voor de Journalistiek. Dan ploft naast me een langharige, vlasbaardige ouderejaars neer. Hij kijkt me lodderig aan en formuleert met zichtbare krachtsinspanning van zijn twintig-bier-dikke tong: “Ben jij een b-b-burger-trrrút?”

Ik dronk toen nog amper en ik rookte evenmin, zodat ik ook al uit de toon viel als in het studentenhuis ‘s avonds de joints rondgingen. Eigenlijk was ik me in die jaren in gezelschap altijd wel pijnlijk bewust van mijn eigen aanwezigheid, mijn sociale onhandigheid. Totdat ik leerde doordrinken. Dronken durfde ik los te gaan. Dronken kreeg ik de mooiste invallen. Dronken was het leven pas echt leuk!

Met alle gevolgen van dien, natuurlijk. Zoals de meeste alcoholisten heb ik mezelf in onmogelijke situaties gebracht. Bovendien heb ik vrienden en dierbaren geschoffeerd, op hun ziel getrapt of anderszins pijn gedaan. En uiteindelijk allemaal vanuit een idee-fixe, want inmiddels weet ik dat het leven helemaal niet saaier, teutiger, is zonder alcohol. Ook feestjes niet. Sterker, ik beleef er zonder wijn meer plezier aan en ik meen ook zeker te weten dat ik nuchter prettiger gezelschap ben.

En dat schiet dus allemaal door mijn hoofd, daar in de bocht van Nescio. En dan danst en schatert het leven even.

Zin

Deze column is eerder geplaatst in Zin. Inmiddels ligt in de winkel alweer het nieuwe nummer van dit maandblad, met alweer de laatste aflevering van dit vrolijk onbenevelde feuilleton.

Eedere afleveringen teruglezen? Dat kan door te klikken op:

Deel 1: ‘Een junk? Ik? Ja’

Deel 2: ‘Voelt u insecten onder uw huid kriebelen?’

Deel 3: Afkicken is sáái!

Deel 4: Droog daten

Deel 5: Kijk mama, zonder handen!

Deel 6: Het Verslaafde Meisje

Deel 7: De Alcoholist en ik

Deel 8: Wat drink je als je niet drinkt?

Deel 9: Peter Koelewijn in je hoofd

Deel 10: Allemaal verslaafd

 

 

Tanja van Bergen (1961) heeft voor de rest van haar leven genoeg gedronken. In 2016 deed zij verslag van haar nieuwe, onbenevelde bestaan.