In de onderhandelingen voor het Klimaatakkoord wordt de (zware) industrie uit de wind gehouden. GroenLinks heeft de zaak op scherp gezet en eist een extra CO2-belasting. Het voorstel krijgt steun uit onverwachte hoek: zowel De Nederlandsche Bank als een groep vooraanstaande economen pleit voor invoering. Wat betekent een CO2-belasting voor MKB-bedrijven?

STEUN RO

De gedachte achter het beprijzen van broeikasgassen is eenvoudig: als bedrijven voor hun uitstoot te veel moeten gaan betalen, zullen ze hun uitstoot willen beperken. Een heffing moet dus innovaties stimuleren, waardoor de industrie schoner gaat produceren. Met CO2-reductie ligt de Europese Unie als geheel behoorlijk op koers. De EU-doelstelling om in 2020 ten opzichte van 1990 20 procent minder CO2 uit te stoten wordt met 23 procent ruimschoots gehaald. De volgende mijlpaal is 2030 met 40 procent als doel. Sommige lidstaten willen dat doel verhogen, naar 55 procent.

Maar: in Nederland loopt het niet zo’n vaart. De reductie bedraagt momenteel zo’n 13 procent en zal in 2020 rond de 15 procent liggen. Dat is ver onder het doel van 25 procent, waartoe de rechter Nederland verplicht heeft in de geruchtmakende klimaatzaak, aangespannen door Urgenda. De wens van Nederland om in 2030 een reductie te realiseren van 49% lijkt dan ook een vlucht voorwaarts. Vandaar de oproep voor de invoering van een (extra) heffing op de uitstoot van broeikasgassen.

Grafiek: Visualisatie NVDE op basis van cijfers CBS, dec. 2018

Emissiehandel

Nu is voor de (zware) industrie al sprake van een CO2-heffing. Dat is geregeld in het EU European Trading Scheme (ETS), een systeem van emissiehandel. Dat is een pot met uitstootrechten die via een veilingsysteem verhandeld worden. Die pot wordt jaarlijks kleiner, dus rechten worden schaarser. Dat heeft effect op de prijs. In de aanloop van het EU ETS stelde de prijs niet zoveel voor: rond de 5 euro per ton CO2. Maar het laatste jaar is het systeem steeds beter gaan werken en is de handelsprijs gestegen naar zo’n 23 euro per ton nu.

In Nederland zijn zo’n 450 bedrijven onderworpen aan het emissiehandelssysteem. Dat zijn energieproducenten en vooral de chemische industrie. Deze bedrijven stoten per jaar ruim 90 miljoen ton uit. Dat is bijna de helft van de jaarlijkse uitstoot van Nederland. Een deel van deze bedrijven heeft emissierechten gratis toegekend gekregen, maar de hoeveelheid gratis uitstootrechten wordt ieder jaar kleiner. De kosten voor CO2-uitstoot neemt bij deze bedrijven dus jaarlijks toe. In de elektriciteitssector is dat al voelbaar: de prijsstijgingen op de termijnmarkten zijn vooral toe te wijzen aan de stijgende prijs voor emissierechten.

De kosten voor het recht om CO2 te mogen uitstoten wordt dus in de productprijs doorberekend. Dat geldt voor elektriciteit, maar ook voor verf, gipsplaat, verpakkingskarton en tapijt. Om maar wat te noemen, want de lijst bedrijven is lang; ook Mars Food staat erop, naast McCain, van de friet. Ondernemers die naast energie de halffabricaten en producten van deze ETS-bedrijven inkopen, betalen indirect mee aan de emissierechten.

CO2-belasting is extra heffing

Hoewel elektriciteit onder invloed van de ETS-prijs duurder is geworden, is dat nog niet echt het geval bij gipsplaat of friet. Daarvoor is de prijs nog te laag. Een extra heffing, zoals DNB bepleit en nu door GroenLinks, maar ook de PVDA wordt voorgesteld, moet daarin verandering brengen. Om te beginnen bij 25,- euro per ton (extra), oplopend naar 50,- euro in 2021 en zo verder.

Of dit positief effect gaat sorteren is nog de vraag. De industriesector is het onderling niet eens. DSM-topman Feike Sijbesma wil een hogere CO2-prijs, maar VNO-NCW vreest bij monde van Hans de Boer voor ‘klimaatwerklozen’. Multinationals met fabrieken in Nederland zouden hun productie onder druk van een hoge taks naar landen buiten het EU ETS kunnen verplaatsen. Dan verplaatst behalve arbeid, ook de uitstoot zich. Carbon leakage wordt dat genoemd. De Europese aluminiumindustrie valt daaraan al ten prooi: de afgelopen 15 jaar is de productie met ruim een derde afgenomen, ondanks de stijgende vraag wereldwijd.

Alternatief is blijven hopen op verbetering van de werking van het EU ETS, bijvoorbeeld door de invoering van een bodem veilingprijs. In Californië (VS) werkt dat goed. Maar waar iedereen het wel over eens lijkt te zijn is dat een (extra) CO2-belasting alleen kansen maakt als deze tegelijkertijd door een grote groep landen wordt ingevoerd; een coalition of the willing. Voor een level playing field moet dat dan wel op dezelfde gronden. Want meerdere landen hebben al lang een CO2-heffing, maar hanteren verschillende regels en in veel gevallen zijn juist de ETS-bedrijven weer vrijgesteld, zoals in Zweden.

‘Induced innovation’

Linksom of rechtsom, het afdwingen van innovatie waarmee de beoogde afname van CO2-uitstoot bewerkstelligd moet worden, gaat geld kosten. Dat zal zich vertalen in hogere productiekosten en consumentenprijzen. Veelal wordt vooral gekeken naar deze stijgende kostprijsfactor en vergeet men even de opbrengstzijde. Want zowel de opbrengst uit emissiehandel in het EU ETS als de opbrengst van een (lokale) CO2-belasting komt terecht in de schatkist. En daar kun je wat mee. Bijvoorbeeld het verlagen van de energiebelasting voor huishoudens. Maar nog veel effectiever is het terugsluizen van die opbrengsten naar de industrie en investeren in noodzakelijke innovaties. Induced innovation wordt dat genoemd en bij toepassing daarvan zal zelfs een lagere CO2-prijs voldoende zijn om reductie te bewerkstelligen.

Prijsontwikkeling elektriciteit en gas en correlatie met de EU ETS-prijs (EUA: emission allowences van het EU emission trading scheme). Bron: Argus media, jan. 2019.
siebeschootstra@gmail.com'
"Als meningen meer aandacht krijgen dan de feiten die ze ontkrachten, is het aan de journalistiek om op de bres te springen. Vooral in het klimaatdebat en de energietransitie is dat hard nodig." Specialisme: energie, duurzaamheid, de energietransitie en het klimaatbeleid.