Zijn naam wordt meestal genoemd in relatie tot de muzieklegendes Captain Beefheart en Jeff Buckley (en soms Lou Reed en Nick Cave). De carrière van gitarist Gary Lucas omvat echter zoveel meer en leest als een fascinerend ‘who is who’ in rock, jazz en zelfs klassiek.

STEUN RO

Zijn muzikale avonturen voerden Gary Lucas over de hele wereld. Op het dubbelalbum ‘The Essential Gary Lucas’ verzamelde hij hoogtepunten uit zijn gitaar-agenda van veertig jaar ontmoetingen.

De essentiële Gary Lucas hoort in het hart van iedere muziekcollectie

‘The Essential Gary Lucas’ bestaat uit twee onderling heel verschillende delen:

CD 1 biedt een overzicht door de jaren heen van Lucas’ eigen avant- en jazzrockband Gods and Monsters, waarvan hij de leider, gitarist en gedreven (part-time) leadzanger is. De band, die is vernoemd naar een citaat uit de 1935 horrorfilm ‘Bride of Frankenstein’ (“To a new world of gods and monsters!”), ging in 1989 van start en werd bekend toen in het begin van de jaren negentig singer-songwriter Jeff Buckley er deel van uitmaakte. De CD ‘Gods and Monsters’ bevat zeventien tracks die als in en op een cakewalk over elkaar heen buitelen in wonderlijke duikelbewegingen van levenslust en speelplezier. De band heeft door de jaren heen nogal wat bezettingswisselingen gekend. Ook waren er regelmatig gastbijdragen. Ik noem David Johansen van The New York Dolls, de Uruguayaans-Franse zangeres en actrice Elli Medeiros, Arthur Russell die het prachtige ‘Let’s Go Swimming’ schreef, Talking Head Jerry Harrison die het Gods and Monsters album ‘The Ordeal of Civility’ uit 2011 produceerde, de Canadese zangeres Mary Margaret O’Hara. Centraal in deze kleurrijke verzameling van muzikale invloeden staat het virtuoze gitaarspel van de meester, nu eens explosief rockend, dan weer gevoelig als een rietstengel die buigt in de wind, maar steeds als een baken van muzikale vastberadenheid in de onrust van een steeds veranderende muziekwereld. Ik noemde het een cakewalk, en dat is het, een waarbij je, als je aan het eind eruit stapt, meteen weer terug wilt, naar het begin, om weer op start te drukken.

CD 2 van ‘The Essential Gary Lucas’ is getiteld ‘Solo, Rarities and Collaborations’ en begint ‘in stijl’ met een Chinese versie van ‘All Along The Watchtower’, gezongen door de Chinese FeiFei Yang. Zij zingt ook het tweede lied ‘The Moon Represents My Heart’. Het volgende ‘Out From Under’ voert Lucas naar de andere kant van de wereld met Haydee Milanes en Los Van Van. Nona Hendryx is de ster in Don Van Vliets ‘Her Eyes Are A Blue Million Miles’, ons eigen Metropole Orkest is te horen in ‘Evening Bell’ van de hand van de Captain en geproduceerd door de Nederlandse radiopresentator Co de Kloet. Er is een spookachtige solo-uitvoering door Lucas van Abdullah Ibrahims ‘Bra Joe from Kilimanjaro’. Een ander hoogtepunt wordt geleverd door Suicide’s Alan Vega in het vijf minuten durende ‘Life Kills’ met daarin echo’s van Jim Morrison zoals hij is te horen in ‘The End’ in ‘Apocalypse Now’. Verder ‘Music for The Golem’, ‘Guanguanco’ met Adrian Sherwood en als uitsmijter een robuust ‘Largo’ uit Dvoraks ‘Symphony No. 9 (From the New World)’. Of dit alles essentieel is? Absoluut. Maar er is vast meer, zo heel veel meer. Maar voor nu hoort ‘The Essential Gary Lucas’ in het hart van iedere levende muziekcollectie.

Verhalen en anekdotes

Ik spreek hem in New York City in lockdown en nog niet gevaccineerd maar bruisend van muzikale energie. Daar, in zijn appartement in West Village NYC, verzorgt hij op zijn Facebook-pagina drie keer per week een live gestreamd optreden met muziek, verhalen en anekdotes onder de noemer ‘A Journal Of The Plague Years’. Elke dinsdag, donderdag en zaterdag om 15.00 uur EST speelt Gary solo-akoestisch een aantal van zijn favoriete uitvoeringen. Met, voor wie wil en de muzikant een warm hart toedraagt, een PayPal fooienpot.

Laten we beginnen met je online shows. Als ik ernaar kijk, lijkt een interview overbodig. Je hele carrière komt voorbij in verhalen en anekdotes.

“Niet alles, maar ik heb daar wel een aantal verhalen verteld. Maar ik weet zeker dat je een aantal interessante vragen hebt.”

Laten we beginnen met de titel van het album: ‘The Essential Gary Lucas’. Ik vind het nogal moeilijk om er, na zo’n lange carrière, achter te komen wie of wat de essentiële Gary Lucas is. Een betere en misschien toepasselijker titel zou zijn, denk ik: Een man, zijn gitaar en de wereld.

“Die is goed, en houd ik in gedachten voor een eventuele volgende uitgave. Ik heb tot nu toe zo’n vijfendertig albums uitgebracht en er zitten er nog vijf of zes in de pijplijn, zoals ze zeggen. Dus wie weet gebruik ik je titel voor een volgend deel in de serie. Deze titel gaat terug naar mijn jeugd en een boek dat ik had: ‘The Essential Lenny Bruce’. Lenny Bruce was een zeer iconoclastische Amerikaanse komiek, en hij was zeker voor zijn tijd openhartig en erg controversieel in de manier waarop hij over allerlei taboe onderwerpen sprak. Hoe dan ook, ik vond het leuk, omdat het de betekenis duidelijk maakte van, oké, nou, dit is het dan, de essentie. Je hoeft dus geen dertig albums te kopen. Dit is Gary Lucas in een notendop. Maar ook essentieel in je leven, dit is belangrijk om naar te luisteren.

Mijn oorspronkelijke titel was ‘Find It, Amiga’. Dat was een running gag in mijn band. Heel vroeg in mijn carrière in Nederland werd ik met mijn band Gods and Monsters uitgenodigd om op het TegenTonen-festival in Paradiso te spelen. Mijn drummer ging eerder terug naar Amerika, terwijl ik een paar dagen in Amsterdam bleef – ik hou van Holland. Toen hij op het JFK vliegveld aankwam, kwamen ze met een snuffelhond genaamd Amiga. Ze probeerden sporen van marihuana te vinden in de kleding van mensen die uit Nederland kwamen. Jonathan, mijn drummer, vertelde dat ze niets vonden maar dat de begeleider van de hond het dier steeds weer op hem afstuurde en maar bleef zeggen: ‘Find it, Amiga’. We hebben daar hartelijk om gelachen en zeiden dat het een heel goede titel zou zijn voor een album. ‘Find it, Amiga’. Maar dan moet je steeds weer het verhaal vertellen en ik rook al tien, vijftien geen marihuana meer, dus weg ermee. Ik had wel een paar andere titels. Maar The Knitting Factory (platenlabel – CCE) wilde het eenvoudig houden. Hoe dan ook, ik hoop dat het werkt. En als het niet werkt, heb ik het in ieder geval geprobeerd.”

Jij hebt als muzikant, gitarist met ontelbare mensen samengewerkt, maar toch is je naam vooral verbonden met ten eerste Captain Beefheart, en op de tweede plaats Jeff Buckley. Beiden zijn belangrijk, maar er is zoveel meer.

“Ik weet het. Helaas vrees ik dat dat deze mensen nog steeds veel bekender zijn dan ik in de wereld van de muziek. Ik leef in de schaduw van de doden. Op mijn grafsteen zal wel zoiets komen te staan als Gary Lucas, ex-Captain Beefheart, of misschien of ex-Jeff Buckley. Ik lach erom. God weet dat ik mijn best heb gedaan om de situatie te veranderen, maar ik blijf die muziek spelen. Mensen houden ervan, van de muziek, van de verhalen. Ikzelf ook. Ik denk zelfs dat de muziek die ik voor Jeff schreef, misschien wel mijn beste liedjes zijn: ‘Grace’ en ‘Mojo Pin’. Ik ben echt trots op die liedjes. En door het werken met Beefheart heb ik mijn technische vaardigheid op de gitaar kunnen vergroten. Zijn krankzinnige muziek dwong mij om heel hard te werken, dwong me echt mijn bereik uit te breiden, technisch gezien, als gitarist. Je doet wat je doet. Ik werkte vijf jaar met hem, deed een paar albums, toerde, en was even zijn manager – zijn idee. Dus, ja, ik was nauw betrokken bij de man.”

“Ze probeerden sporen van marihuana te vinden in de kleding van mensen die uit Nederland kwamen.”

Er valt vast veel te vertellen over je samenwerking met Don Van Vliet alias Captain Beefheart, maar laten we het over Jeff Buckley hebben. Je was van een andere generatie, die van zijn vader Tim Buckley. Hoe hebben jullie elkaar gevonden?

“Ik ontmoette hem toen een vriend van mij, de afgelopen jaar overleden producer Hal Willner, met een aantal artiesten een eerbetoon aan Tim Buckley organiseerde in een kerk in Brooklyn. Het evenement heette ‘Greetings from Tim Buckley’. Hij wilde graag dat ik meedeed en zei dat ook Tims zoon Jeff van de partij zou zijn. Ik zei dat ik niet wist dat hij een zoon had. En hij antwoordde: ‘Nou, wij ook niet. Maar hij heeft zich gemeld en wil het doen. En als je het mij vraagt, denk ik dat jullie goed samen zouden kunnen werken.’ Dus het zou misschien zomaar Jeffs idee hebben kunnen zijn, toen hij mijn naam daar zag, want toen ik hem ontmoette, zei hij hoeveel hij van mijn muziek hield, van mijn gitaarspel, mijn werk met Beefheart. Hij was enorm enthousiast. Nou ben ik sowieso gemakkelijk in de omgang. In mijn jarenlange ervaring heb ik gemerkt dat samenwerken met mensen een van de beste dingen is die ik als muzikant kan doen, om me open te stellen en te proberen muziek te maken met iedereen ongeacht leeftijd, nationaliteit, religieuze oriëntatie of wat dan ook, kan me niet schelen. Ik denk dat dit het nastreven waard is, omdat het een manier is om een gemeenschappelijke basis van wederzijds begrip te bereiken, wat tegenwoordig zo moeilijk is met al die nationalistische bewegingen en wat er politiek gaande is in de wereld.

Muziek is een geweldige manier om barrières te slechten. Het kan me niet schelen hoe oud ze zijn, met welke ervaring ze aan tafel komen, maar ik probeer ze halverwege te ontmoeten. Dus zo kwamen Jeff en ik bij elkaar. Hij benaderde me direct na een repetitie met de vocaliste met wie ik destijds werkte in Gods and Monsters. En eerlijk gezegd ging dat niet zo goed. We hadden een contract met Columbia Records en we bakkeleiden om de naam. Zij hield niet van Gods and Monsters. Ze vond die naam seksistisch. Ik had zoiets van, zullen we het dan Goddesses and Monsters noemen? We waren gewoon aan het kibbelen over stomme dingen. En toen kwam Jeff opdagen en hij zei: ‘Ik hou van je gitaarspel. Maar niet alleen dat, ik ben dol op de naam Gods and Monsters.’ Ik nam hem mee uit lunchen. En op dat moment dacht ik bij mezelf: Ik wil echt niet met haar in dit project vastzitten. Muzikaal gaat het niet zo goed. Ze vecht over alles met mij. En Jeff houdt van de naam. En dat niet alleen. We vroegen elkaar naar welke groepen we leuk vonden, wat de favorieten van de ander waren. Dat is wat muzikanten vaak doen als ze samenkomen, om de gemeenschappelijke basis te vinden. En hij zei Led Zeppelin, The Doors,The Smiths. Dus ik had zoiets van: Ik hou van die groepen, man. We zijn het eens. Oké, laten we samen een band doen. Ik heb deze band: Gods and Monsters. Hoe zou je het vinden om daarvan de zanger te zijn? En hij zei: Oh, dat is geweldig. Zo werkte het. Omdat ik bij mezelf dacht – ik was op dat moment zesendertig, zevenendertig – ik heb een jonge zanger nodig, een Jim Morrison, Robert Plant of Morrissey, van wie hij hield, en toen wandelde Jeff gewoon naar binnen. Dus zo kwam hij in mijn leven en hij was enthousiast over wat ik deed, althans het eerste jaar.

Jeff was ongeveer een jaar in de band als zanger en hij deed enkele liveshows. We namen muziek op en schreven twaalf nummers. Toen hij stopte was ik daar op zijn zachtst gezegd niet blij mee. Ik was behoorlijk verdrietig en niet alleen omdat het muzikaal en anderszins zo goed voor me was. Hij kreeg zijn grote deal met Sony, best wel een smak geld. Ze vonden hem goed, maar hadden ook wel commentaar dat hij live vooral covers deed, in Sin-é en al die andere plaatsen. Toen was er iemand die zei: Hé, heeft Gary Lucas niet wat liedjes met hem geschreven? Ze vonden de demo’s en vonden ze goed. Dus ik kreeg een telefoontje van hem nadat hij een jaar lang niet meer met me had gesproken, waar ik best wel geïrriteerd over was. Maar hij zei: Herinner je je die geweldige nummers waaraan we ooit zijn begonnen? En ik had zoiets van: Oké. Ik stond er voor open om ze voor hem op te nemen.

Ik begon Gods and Monsters in 1989 geheel instrumentaal, twee bassisten, een drummer en ik. Het nummer, ‘King Strong’, waarmee de eerste CD van ‘The Essential Gary Lucas’ eindigt, is een goed voorbeeld van ons geluid toen. Het is een soort wilde, woeste jazzrock, erg agressief, bluesachtig. Vervolgens bekroop mij het gevoel dat ik liedjes wilde gaan schrijven. Ik wilde Gods and Monsters niet beperken tot alleen maar instrumentals. Maar ik had op dat moment nog nooit een liedje geschreven. Ik was op een bepaalde manier ook erg verlegen en cijferde mijzelf weg, zo van: iedereen kan een nummer beter schrijven dan ik. En ik kende een paar hele goede songwriters. Maar dat was gewoon faalangst. Op een dag pakte ik de koe bij de horens en zei tegen mijzelf dat ik een lied ging schrijven. Ik had een idee, schreef wat teksten en ik speelde een erg griezelig goed stuk akoestische gitaar. Ik combineerde dat en had mijn eerste nummer. Het heet ‘Poison Tree’ en wordt op mijn album gezongen door Mary Margaret O’Hara, een geweldige Canadese, beetje vreemde heksachtige zangeres, die tegenwoordig niet zo bekend meer is. Ze had al vroeg groot succes met een album genaamd ‘Miss America’, maar werd daarna een soort kluizenaar. Hoe dan ook, zo kwam ik in het schrijven van liedjes terecht. Toen het eerste af was, dacht ik: Ik kan dit. Ik bedoel, het lukt je niet tenzij je iets uitprobeert, dat is zo waar. Dus ik wachtte gewoon tot mijn schaal barstte, maar toen hij eenmaal barstte, dacht ik: Oké, Oké. En ik bleef maar muziek maken. Ik kijk nu om me heen en ben omringd door vijfendertig albums. Ik denk dat de meeste best goed zijn en ik ben er trots op.”

We hadden het over het verschil in generaties en je zei dat het je niet kan schelen hoe oud of jong iemand is. Ik denk dat de kloof tussen generaties vooral iets is van de westerse cultuur. In andere culturen die ik ken leeft dat veel minder.

“Er is een woord voor leeftijdsdiscriminatie. Mensen kunnen ‘ageist’ zijn, zoals ze seksistisch kunnen zijn. Toen de Covid pandemie begon, zei iemand tegen me dat jonge mensen, millennials, het de boomer remover noemden. Ik ben een babyboomer. Ik ben van de generatie van na de Tweede Wereldoorlog en geboren in de jaren vijftig. Ik was hier echt boos over. Ik weet zeker dat we een gemeenschappelijke basis zouden kunnen vinden met veel jonge mensen als ze de kans kregen om deze muziek te horen. Ik ben ervan overtuigd dat ze er erg van zouden genieten, ook al klinkt het niet als de nieuwste hits of zo. Ik ben er nooit mee bezig geweest om aansluiting te vinden bij de muzikale trend van de dag. Ik probeerde gewoon trouw te zijn aan mezelf, aan mijn eigen invloeden en dingen uit te proberen die aansloten bij wat ik leuk vond.”

“Toen de Covid pandemie begon, zei iemand tegen me dat millennials het de boomer remover noemden.”

Wat zijn jouw invloeden? Wat waren belangrijke albums voor jou?

“Nou, dat is een lange lijst. Co de Kloet interviewde me een tijdje geleden en vroeg mij een lijst te maken van mijn tien favoriete albums. Ik weet dat veel mensen een hekel aan de groep hebben, maar The Incredible String Band maakte in 1967 de Sgt. Pepper’s van de English folkmuziek, genaamd ‘The 5000 Spirits’ en als subtitel ‘or Layers of the Onion’. Het zijn twee jongens (Robin Williamson en Mike Heron – CCE) uit Schotland. Het zit ongelooflijk goed in elkaar, is melodieus en creatief, vreugdevol, mystiek. Sommige mensen doen ze af als oude hippies. Ik hoor dat niet. Ik denk dat ze een ander niveau hadden. Ze zaten bij Elektra, mijn favoriete label aller tijden. Dat was nummer één. Vervolgens zou ik een Rolling Stones-album kunnen noemen. Zij zijn min of meer mijn favoriete rockgroep aller tijden. Maar ik hou het meest van de oudere dingen, zoals ‘Aftermath’, van iets voordat Brian Jones vertrok. Ik denk dat hij veel heeft toegevoegd. En hoe goed ze ook bleven en ze bleven erg goed, een deel van de band ging verloren toe hij vertrok. Ik zag de band toen ik een jongen was, met Brian Jones. Dus misschien dat daar sprake is van nostalgische aantrekkingskracht. Aan het jazzfront ga ik voor Charles Mingus. Hij had een plaat, ‘Black Saint and the Sinner Lady’, die klinkt zo donker en hartstochtelijk en welsprekend, er is pijn én vreugde, hij kon zijn instrumenten geesten laten oproepen. De manier waarop hij zijn muzikanten via hun instrumenten liet spreken, is gewoon opwindend. Wat betreft de blues, want alles wat ik doe heeft een vleug blues, zelfs mijn Chinese muziek of mijn arrangementen van Janáček of Dvorak of Wagner, hou ik van Skip James (Amerikaanse Delta blueszanger, gitarist, pianist en songwriter – CCE). Hij is mijn favoriet onder de countrybluesartiesten, met name de albums ‘Skip James Today’ en ‘Vanguard Visionaries’. Het is alsof je een spook hoort, het is de meest griezelige stem die ik ken. Het is transcendentaal en mysterieus en geweldig. Laten we eens kijken, een echte Van Morrison. Ik ben niet erg blij met zijn uitspraken over de pandemie. Daar heeft hij het mis. Gewoon een gekke Ier. Maar dat ‘Astral Weeks’ album is echt een van de beste, zo poëtisch en mooi. Hij is echt. Zijn zang, hij keert zichzelf binnenstebuiten. En ‘Moondance’. Hij maakte gewoon goede muziek. Beefheart is nog steeds een grote invloed. Naast een paar specifieke tribute-projecten, die ik leuk vond om te doen, had ik een groep, Fast ‘N’ Bulbous, die freejazzversies speelde van Beefheart zonder vocalist. En dan was er de Magic Band, waarmee we in Paradiso speelden. Daar zaten een paar alumni in. ‘Lick My Decalls Off, Baby’, de meest avant-gardistische van de Beefheart-albums. Dat zou echt mijn favoriet zijn. Direct erna ‘Trout Mask, Replica’. Veel vrouwelijke artiesten. Laura Nyro. Ze had een plaat getiteld ‘Eli and the Thirteenth Confession’, in de zomer van 1968. Dat vind ik zo opwindend. Ze was nog maar zeventien of achttien, en ze had een heel universum van prachtige liedjes en personages en een geweldige stem, erg gepassioneerd en een geweldige manier van piano spelen. Helaas is ze meer bekend door de mensen die haar liedjes hebben gecoverd, zoals Barbara Streisand, The Fifth Dimension en Three Dog Night. Ze hadden hits met veel van haar liedjes, maar ze was geweldig. Ze was uniek en stierf te jong. Wie nog meer? Ik hou van Fela Kuti. Zijn soort Afrobeat. Hij had zoveel krachtige uitspraken, erg politiek en boos, maar werkte met een prachtige ritmische drive in zijn groep, zoals Africa 70. Er was een lied, ‘Sorrow Tears of Blood’ uit 1977, dat de omverwerping van het bewind beschreef. Hij maakte zich los van de Nigeriaanse regering in Lagos en richtte een compound op en verklaarde dat tot een onafhankelijke staat, de Kalakuta Republic. Ze stuurden tenslotte het leger naar binnen en ze vernietigden en verkrachtten de vrouwen die met hem zongen en gooiden zijn moeder van de trap, vermoordden zijn moeder die een van de oorspronkelijke spiritueel feministische leiders van Afrika was. Fela Kuti was geweldig. En zo zou ik nog een hele tijd door kunnen gaan.”

Zoals ik eerder zei: Een man, zijn gitaar en de wereld.

“Ha. Dat is juist. Ik zie de wereld als klaar voor mooie klanken. En ik sta altijd open om alles te horen. Maar niet om bewust te analyseren wat er aan de hand is en te proberen of ik dat ook kan maken. Ik schrijf graag onbewust. Mijn hele methode is in feite de gitaar oppakken, mijn vingers willekeurig over de snaren laten gaan tot ik wat magische tonen hoor. En als het mij bevalt, pak ik een kleine bandrecorder en neem dat stukje op, om het niet te vergeten. Na genoeg van deze modules te hebben verzameld, leidt het me er soms toe om liedjes te maken.”

Vanmorgen luisterde ik naar jouw ‘Bohemian Classics’. Je noemde eerder geen enkel klassiek album, maar de klassieke muziek maakte ook deel uit van je muzikale leven.

“Zeker. En er zijn favoriete klassieke albums. Zo is er de Stravinsky-opname met dirigent Robert Craft van ‘L’histoire du Soldat’, dat als muziek een van mijn favorieten is. Het is gewoon ongelooflijk. Ik hou van zijn vroegere periode. Stravinsky’s ‘Petrushka’, ‘Rite of Spring’, ‘Symphony of Winds’, ‘Pulcinella’, dat richting neoclassicisme gaat. Ik hou van Stravinsky. Ik hou van Debussy, van preludes, van piano preludes, van Chopin, de mazurka’s. Ik ben echt een grote fan van klassieke pianisten, van pianomuziek. Ik heb een muur van klassieke platen, opera’s. Ik luister graag naar Schönberg, alle experimentele mensen, Varèse, elektronische componisten zoals Stockhausen, van wie ik een groot bewonderaar ben. Ik begon eigenlijk in dezelfde tijd dat ik mijn eerste gitaarles had met Franse hoorn te studeren. Dat gebeurde omdat de leider van de schoolband op mijn basisschool de klas op zeker moment een test liet doen om je gevoel voor toon, ritme en harmonie te meten. En ik denk dat ik een perfecte score had. Dus wees hij me de hoorn toe om voor de band onder de knie te krijgen en te spelen, wat nogal absurd was, want hoorn spelen is nog niet zo gemakkelijk, je moet in staat zijn de toonhoogte stabiel te houden en ik heb niet veel van een bovenlip. Dus het was zoiets als, hoe verwacht je dat een kind dat kan? Ik heb het geprobeerd, maar ik wist meteen dat ik daar niet ver in zou komen. Maar ik vond het leuk om te kunnen spelen en bleef bij de band. Na een tijdje gaven ze me de baritonhoorn en daarna verhuisden ze me weer terug naar de Franse hoorn. Ik bleef erbij. Ik speelde in een aantal schoolorkesten. Dus ik heb een klassieke achtergrond, dat is zeker.”

In 1973 reisde het Yale Symphony Orchestra, onder leiding van Maestro John Mauceri, naar Wenen, voor de Europese première van Leonard Bernsteins ‘MASS’, eerder in opdracht geschreven voor de opening van het Kennedy Center in 1971. Het werk is gebaseerd op de Tridentijnse Mis van de Rooms-Katholieke Kerk, maar Bernstein koos voor een meer ‘innovatieve’ vorm. Hoewel de liturgische passages in het Latijn worden gezongen, bevat de mis ook aanvullende teksten in het Engels geschreven door Bernstein zelf, Broadway-componist Stephen Schwartz en Paul Simon. (Bron: wikipedia)

Je was als jonge solo-gitarist betrokken bij een van de eerste uitvoeringen van de legendarische, mogen we wel zeggen, ‘MASS’ van Leonard Bernstein.

“Ja. Ik speelde leadgitaar bij de Europese première van Bernsteins ‘MASS’ in Wenen in het voorjaar van 1973. En toen raakte ik een paar jaar later bevriend met een Oostenrijkse journalist en producer, Klaus Totzler, die voor ORF werkte. Ik vertelde hem hierover. Hij ging op zoek in het archief van ORF, vond de videomaster van 1973 en maakte een dvd voor mij van de televisie-uitzending van destijds. Het was een nogal tumultueus gebeuren. Oostenrijk is zo’n super-katholiek land en dan is er een joodse persoon als Leonard Bernstein, die een held was voor veel Oostenrijkers en heel beroemd, die een bewerking maakte van de katholieke mis en dat mixte met rockelementen, en dingen zoals ‘Hair’ en ‘Godspell’. Ik vind het een heel mooi stuk. Ik ben een groot fan. Er zitten geweldige melodieën in. Sommige delen bezorgen me kippenvel als ik ze hoor. Maar het stuk werd aangevallen en ik denk dat zo’n drieënzeventig katholieke bisschoppen naar aanleiding van de uitzending een protestbrief schreven.

Klaus heeft voor mij een kopie gemaakt, voordat de tape uit elkaar kon vallen. Bernstein zelf heeft deze versie nooit geautoriseerd, ondanks dat er veel geld was gestoken in het opnemen en filmen. Het is nooit op dvd verschenen. Officieel dan. Ik zit erin. Maar eigenlijk zie je niet veel meer dan mijn broek. Ik sta aan de kant waar de muziek is. Ik droeg een kostuum met een bloemenprint. In die dagen was ik nogal een dandy. Ik hield wel van een psychedelische uitdossing, een soort glamoureuze rockkleding met plateauzolen. Maar als je de show ziet, zijn de hippies als demonstranten. Het is echt een goede poging van Lenny (Bernstein – CCE) om te proberen de angst in de wereld te weerspiegelen. En mensen willen antwoorden. De priester die de hoofdpersoon is, die kan het niet echt waarmaken en heeft een inzinking. Maar dan komt hij terug en aan het eind is iedereen verenigd. Het stuk heeft een overtuigende boodschap van eenheid en vrede. Het bracht tranen in mijn ogen. Weet je wat? Bernstein gaf me mijn eerste grote compliment. Ik ontmoette hem op het feest na de première in Wenen. Hij had zijn eigen permanente suite in het Sacher Hotel en er was een feest bij de Amerikaanse ambassadeur. Ik ging naar de tuin om hem te ontmoeten en hem de hand te schudden. Ik zei dat ik elektrische gitaar speelde en hij zei: ‘Man, je instrument huilde echt.’ Ik dacht, mooi, dat is het beste. Dat is wat ik ook probeer te doen met de gitaar. Je hoeft niet persé een klassiek onderlegd muzikant te zijn om een instrument te bespelen. Maar als je zelf muziek maakt of interpreteert, moet je proberen het zo menselijk mogelijk te laten klinken. Ik denk ook dat dat de essentie is van de blues.

Er is een soort analyse over de blues, die de blue note wordt genoemd, een microtonale wrijving tussen een witte noot op een piano en een zwarte, de ruimte ertussen. Dat is waar voor mij de stem van God leeft, of de Heilige Geest. Ik kan het niet omschrijven, maar dat is wat ik probeer als ik gitaar speel. Ik probeer in mijn solo’s naar die kleine plaatsen te gaan, en mijn gitaar te laten klinken zoals een stem, die als in extase zingt of huilt van woede. Dat is het mooie met gitaren, je hebt een klein miniatuurorkest onder je vingers.”

“Beefheart haatte zonlicht, opmerkelijk voor een man die woonde in de Mojave-woestijn.”

Je lijkt je in het kader van je muziek aangetrokken te voelen tot het donker van de nacht. Ik noem ‘The Golem’, ‘Dracula’, het nummer ‘Judgment at Midnight’ op het album ‘Gary Lucas vs The Dark Poets: Beyond the Pale’. Wat is jouw connectie met de verhalen van de nacht, muzikaal gesproken?

“Ik denk dat ik er mijn hele leven in geïnteresseerd ben geweest. Niet dat ik een vurig aanhanger van het occulte ben. Maar in mijn eigen leven heb ik enkele bovennatuurlijke ervaringen gehad die op punten wetenschappelijk niet rationeel kunnen worden verklaard. Dus ja, het klopt wat je zegt. Het is ook een fundamenteel iets in mijn eigen leven. Ik ben een boeken verslindende lezer. Ik lees momenteel ook veel liever een boek dan dat ik naar een album of zoiets luister. En jarenlang was mijn favoriete auteur Isaac Bashevis Singer, die de Nobelprijs won. Hij wordt tegenwoordig minder gelezen, maar hij schreef ongeveer vijftig boeken en is een gewaardeerde joodse schrijver. Hij erkende dat hij in het bovennatuurlijke geloofde. Dus ik denk, ja, er is iets aan de hand. En nogmaals, ik heb wat ervaringen op dat gebied gehad. Zowel met Beefheart als daarna, in mijn eentje. Ik kan je die wel vertellen, maar dan zijn we uren verder. Mijn enige conclusie is dat er een aantal krachten aan het werk zijn die de wereld bezielen, en die niet kunnen worden afgedaan met, laten we zeggen, een theorie over een kwantummechanische oorzaak en gevolg. Je weet dat er nog iets anders aan de hand is.

Om terug te komen op die nachtelijke onderwerpen, ik voelde me altijd al aangetrokken tot horrorfilms sinds ik een kleine jongen was. Niet de films van nu, die kan ik niet uitstaan. Ik ben in vrijwel alles een classicus. En mijn favorieten zijn de vroege stomme films tot ongeveer 1917. De films van nu met hun overdaad aan gruweldaden en uitgerukte oogbollen en het bloed dat van het scherm spat zijn niet mijn ding. Ik vind ze gewoon walgelijk. Ik hou van de kracht van de suggestie, en daarin laat je dingen niet zien. Om een lang verhaal kort te maken, van mijn interesse in horrorfilms was het een korte stap naar het occulte en literatuur die daarbij aanhaakte, zoals enkele van de vroege pulp sciencefiction- en horror-schrijvers.

Hoe dan ook, toen ik in 1988 serieus begon te spelen onder mijn eigen naam deed ik een show in de Knitting Factory in New York als een experiment en dat veranderde mijn leven. Ze gaven me zeshonderd dollar, maar ik dacht dat het een ramp zou worden. Ze lieten mijn naam weg uit de advertentie in de krant. Het was een dinsdagavond. Ik verwachtte niet dat er iemand zou komen opdagen. Maar er stond een rij tot om de hoek van het blok. Zo kwam ik erachter dat ik een grote groep mensen iets kon bieden, ook door solo te spelen. Het jaar daarop kreeg ik wat opdrachten en een daarvan was om een partituur te maken en een project te bedenken waarin mijn muziek zou worden gecombineerd met een andere kunstvorm. Ik koos een partituur voor een stomme film, wat destijds een vrij uniek idee was. Ik bedoel, er waren er een paar, zoals Carmine Coppola’s soundtrack voor de film uit 1927 over de vroege jaren van Napoléon, geproduceerd en geregisseerd door Abel Gance: ‘Napoléon vu par Abel Gance’. Maar ik was een van de eersten in New York en het was succesvol. Ik werk nog steeds met die film, ‘The Golem’ (Duitse expressionistische film uit 1920 – CCE). Ik moet die zo’n twintig keer in Nederland hebben gespeeld. Ik hou er nog steeds van. Afgelopen maart had ik nog een uitvoering van ‘The Golem’ op de Cornell University. Ja, ik hou van de nacht. Maar ik hou ook van een zonnige dag. In tegenstelling tot Beefheart. Hij haatte zonlicht, opmerkelijk voor een man die woonde in de Mojave-woestijn. Hij hield ervan om de hele nacht op te blijven en soms meerdere dagen achter elkaar te schetsen. Hij was een natuurkracht.”

Gary Lucas speelde eind oktober 2020 met toestemming van de Nederlandse overheid op Halloween tijdens het ‘So What’s Next? Festival’ in Eindhoven live een solo-score bij de klassieke ‘Spanish Dracula’ film van George Melford uit 1931. De show werd op sociale media live gestreamd vanuit het Eindhoven Muziekgebouw.

Je was onlangs in Nederland.

“Ja, het festival in Eindhoven. Het was geregeld. Ik vroeg de organisator mij een brief te geven om aan de grens te laten zien, zodat immigratie mij zou toelaten. Ik had dat alles bij me en een test. Maar bij KLM vroegen ze wat ik kwam doen? Ik kon niet mee, zeiden ze, want ik had geen essentieel beroep. Ik zei dat ik op een festival ging spelen, dat is wat ik doe voor de kost. En dat de Nederlandse overheid een van de sponsors van het festival was. Ze wilden niet luisteren en probeerden me te bewegen om naar huis te gaan. En ik zei: Nee, nee, nee. Ik heb de organisator gebeld. Zij was echt van streek. Eindelijk zei een man: Oké, we gaan met immigratie praten. Blijf maar waar je bent. Dus ik belde mijn vrouw en zei dat ik waarschijnlijk weer naar huis zou komen. Vervolgens kwam er een akkoord: Oké, we hebben net gehoord van de Nederlanders immigratie dat je aan boord kunt gaan. Maar zelfs aan de grens zei de douane: Wat doet u hier? Zo van, je bent een Amerikaan, je mag niet vliegen. Ik zei dat ik toestemming had van de Nederlandse immigratie. Ik had een foto op mijn mobiele telefoon van de e-mail. Toen ik binnen was, heb ik voornamelijk in Maastricht gerepeteerd, waar niet veel mensen mondmaskers droegen.”

De lockdown valt je zwaar, is het niet?

“Man, ik kan niet wachten om weer onderweg te zijn en aan het werk te gaan. Dat is mijn vreugde. Ik heb bijvoorbeeld toen ik in Nederland was een geweldige plaat gemaakt met een Nederlandse bassist, iemand uit Maastricht genaamd Peter Willems, die zingt en akoestische bas speelt. Hij maakt de vocalen deze of volgende week af. En er was een meisje van North Sea Jazz Festival die de show zag en ze vond het geweldig en zei dat ze me graag zouden boeken. Ik wil terugkomen naar Nederland om te spelen. Ik wil terugkomen en overal werken.”

“Zelfs die rapartiesten die miljoenen streamen, als je naar de uitbetalingen kijkt, is het een grap.”

Een ongewone vraag. Je bent een succesvolle gitarist. Je hebt veel platen gemaakt en toch ben je niet bepaald rijk.

“Ha, ik ben rijk van geest. Je weet hoe de muziekwereld van nu is. Met de komst van de digitalisering, internet en Spotify zijn de inkomsten geminimaliseerd. Omdat de royalty-tarieven die worden betaald minuscuul zijn in vergelijking met wat gangbaar was toen het ‘Grace’ album uitkwam. In die tijd, als je een nummer op een album had, zoals ‘Grace’, dat ik samen met Jeff heb geschreven, dan was het tarief vier cent voor elk verkocht exemplaar van dat album, twee voor Jeff en twee voor mij. Van dat album zijn er meer dan een miljoen verkocht (twee miljoen – CCE). Helaas sloot ik toen ik geen geld had een deal met Universal Music dat zij het auteursrecht zouden beheren en zo krijgen zij voor altijd 50 procent van mijn 50 procent voor totaal niets doen. Het is bijna 28, 30 jaar geleden dat de plaat uitkwam. Ik had het geld nodig voor mijn bedrijfskosten in New York en om van te leven, maar toen opeens kocht bijna niemand nog albums en nu is alles min of meer gratis beschikbaar op Spotify. En ja, er zijn makers die nog steeds af en toe scoren. Maar zelfs die rapartiesten die miljoenen streamen, als je naar de uitbetalingen kijkt, is het een grap. Je kunt een song hebben met miljoenen streams en uiteindelijk is het bedrag dat wordt uitbetaald twintigduizend, waar het vroeger misschien een kwart miljoen dollar was geweest. Dat is er gebeurd. Daar komt bij dat ik niet ging voor commerciële muziek. Het is niet dat ik het niet leuk vind, want ik ben een fan van veel classic rock, maar ik wilde het op mijn manier doen. Ik wilde iets maken dat mijn stempel droeg en een beetje eigenzinnig is. Ik kom uit de avant-garde rock. Laten we eerlijk zijn, zelfs ‘Grace’ en ‘Mojo Pin’ zijn geen typische popsongs. Ik weet het niet, maar wie weet, man, misschien win ik nog een keer de loterij.”

Foto’s van boven naar beneden:
*Cover © Bram Belloni
*Gary at the Tribute to Giorgio Gomelsky, The Red Door, 5/15/15 © Michel Delsol
*’Moon in June’ Festival Lake Trasimeno Umbria 6/20/14 © Luca Zannotti
*Gary performing Spanish ‘Dracula’ at TIFF 5/30/10 © Nicu Cherciu
*Cover ‘The Essential Gary Lucas’

Volgende week: Gary Lucas: Een man, zijn gitaar en de wereld – deel 2

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -
    Ex-muziekjournalist. Ruilde in de jaren 90 redactiestoel muziekblad OOR in voor een hangmat in de Amazone.