Onze hersenen. Grijs. Prachtige prut. Sublieme smurrie. Waar we bovendien steeds meer over weten. ‘Op school, in het onderwijs, in lesmethoden zien we daar alleen nog veel te weinig van terug’, zegt auteur Gerjanne Dirksen.

In het deze week verschenen boek ‘Breindidactiek. Helpen leren met breinkennis’ vat Gerjanne Dirksen op een overzichtelijke manier de actuele wetenschappelijke kennis over het brein samen. Daarbij maakt ze de vertaalslag naar leren en onderwijs en geeft ze voorbeelden uit de praktijk. Dirksen heeft een achtergrond als psycholoog en bedrijfskundige. Sinds 2003 houdt ze zich bezig met het vertalen van wetenschappelijke inzichten over de werking van onze hersenen naar een breder publiek. Ze is oprichtster van het instituut BreinCentraal Leren, dat onderzoek doet en training en scholing verzorgt op dit gebied. Een gesprek.

Hoe staat het met de breinkennis van de gemiddelde onderwijsprofessional?

‘Soms lijken docenten klakkeloos over te nemen, wat verteld wordt over onze hersenen. We gebruiken maar 10% van ons brein? Nonsens. Ons brein is altijd volledig actief, zelfs als we slapen. De linker- en rechterhersenhelft hebben verschillende functies. Dat klopt, maar dan gaat het over het aansturen van lichaamsfuncties, niet over het idee dat creativiteit in de ene en analytisch vermogen in de andere hersenhelft huist. Mensen hebben verschillende leerstijlen waar je als docent bij aan moet sluiten? Nee. Wat wel waar is: bij de ene persoon is het geheugen meer visueel, bij de ander meer verbaal. Maar leren is meer dan onthouden van informatie. Het idee van leerstijlen wordt vaak uitgelegd als: sluit aan bij de manier waarop kinderen gemakkelijk leren. Maar dan zou je alleen maar versterken wat er al is. Het gaat er juist om gebruik te maken van de plasticiteit van het brein. Dat betekent: variëren!

Doe meer dan alleen versterken wat er al is

Overigens, dit soort mythes kunnen ondanks zichzelf een positief effect hebben. Neem het idee van meervoudige intelligenties. Niet wetenschappelijk onderbouwd. Maar het zet leraren wel aan om te denken over variatie in de manier waarop ze informatie aanbieden. Als het betekent dat er meer rekening gehouden wordt met kinderen die beschikken over een meer visueel geheugen, is dat prima. Deze kinderen zijn in het traditionele, vooral talige onderwijs in het nadeel, net als de linkshandigen vroeger.’

Wat me een belangrijke vraag lijkt voor een leraar: zijn wij, zoals Dick Swaab stelt, ons brein of is het brein kneedbaar?

‘Dat is een razendinteressante vraag. Maar hét antwoord heb ik niet. Het zal er ook nooit komen. We hebben het dan over de nature-nurture-discussie. Ligt wat we kunnen leren vast in de beperkingen van ons brein of is ons brein oneindig ontwikkelbaar? Er is iets bijzonders met deze discussie: als je gelooft in het een en ernaar handelt, dan zal het zichzelf bewijzen. Geloof je dat het brein oneindig te vormen is, dan zul je lerenden uitdagen nieuwe grenzen op te zoeken, steeds weer nieuwe dingen aanbieden. Gevolg: het brein zal nieuwe dingen leren. Andersom: als je tegen een lerende zegt dat hij het toch niet zal kunnen, zal hij het überhaupt niet gaan leren. Waar ik sta? Toch wat meer aan de kant van de visie van het kneedbare brein. Ook door die kant van “self fulfilling prophecy” die eraan vast hangt. Die wordt nog sterker als we ook leerlingen zelf het geloof kunnen geven dat ze hun eigen mogelijkheden kunnen uitbreiden. Het stimuleren van zo’n groeimindset is een belangrijke sleutel tot meer succes in leren.’

Ze kunnen niet plannen? Onzin!

Als er één brein is dat kneedbaar is, is het het puberbrein. Dat is het brein van de leerling in het voortgezet onderwijs.

‘Het is enorm belangrijk dat docenten die met jongeren werken iets weten over de hersenontwikkeling bij pubers en adolescenten. Helaas, ook hier wordt de beschikbare kennis nogal eens overgesimplificeerd. Dat gebeurt dan in oneliners als: ze kunnen niet plannen. Onzin. Pubers kunnen wel degelijk plannen, maar je moet het ze wel leren en daarbij aansluiten bij hun motivatie.’

Wat kan ik als docent in de dagelijkse praktijk met de actuele kennis van het brein?

‘Meer dan je denkt én met eenvoudige interventies. In veel klaslokalen gebeuren precies de verkeerde dingen als je ernaar kijkt vanuit de kennis van het brein. Zo zitten leerlingen 99% van de tijd stil op een stoel. Beweging is enorm belangrijk voor het goed functioneren van de hersenen, maar totaal onderbelicht in het onderwijs. Las eens een beweegmoment in. Een tweede: leerlingen krijgen te weinig rust. Bouw momenten in waarin ze zich even mogen afsluiten voor prikkels. Gewoon drie minuten je hoofd even op je armen leggen. Je zult zien: daarna hebben ze weer de energie om de benodigde aandacht voor de les op te brengen.

Metacognitie helpt enorm bij het slimmer gebruiken van je hersenen

Nog iets: maak meer gebruik van het feit dat ons brein sociaal is. Jongeren zijn heel gevoelig voor wat anderen van hen denken. Ik noem dat in het boek “status”. De kunst is om in onderwijssituaties de status van een leerling te verhogen zonder die van de medeleerlingen naar beneden te halen. Geef vaker een compliment, benadruk unieke prestaties of inzet. Een laatste: maak kinderen nieuwsgierig, maak het spannend. Heel simpel: zet een doos op tafel en zeg dat er een geheim voorwerp in zit. Nieuwsgierigheid activeert het brein enorm. Maak daar gebruik van. Tenslotte: leer ze over de werking van het brein. Metacognitie helpt enorm bij het slimmer gebruiken van je hersenen.’

In het boek gaat het ook over het belang van feedback.

‘Feedback is belangrijk, maar je moet als leraar wel nadenken over wat voor feedback je geeft en hoe je dat doet. Geef in elk geval niet alleen cijfers. Die zijn bedoeld om te weten waar je staat ten opzichte van de groep, van het gemiddelde. Minstens zo belangrijk is om te weten: waar sta ik ten opzichte van mijn vroegere ik? Ofwel, hoe is mijn persoonlijke voortgang? Dat zichtbaar maken en belonen, bevordert een groeimindset. Een ander principe: zorg ervoor dat je feedback zo snel mogelijk geeft. Recent onderzoek laat zien dat alleen al het aankondigen dat een toets snel nagekeken wordt, leidt tot hogere scores. Het verschil met de situatie waarin je aankondigt dat de leerling pas na een week de resultaten zal terugkrijgen kan oplopen tot 20%.’

Games geven directe feedback op de eigen voortgang. Zijn ze daarmee hét ideale leermiddel?

‘Games sluiten perfect aan op de werking en behoeften van het brein. Ze zorgen voor focus, bieden herhaling, laten spelers voortbouwen op wat ze al gedaan hebben. Bovendien zijn ze zintuiglijk rijk, roepen emoties op en bieden soms de gelegenheid om zelf te creëren. Het zijn precies die zes eigenschappen die het brein helpen bij het leren en die de kapstok vormen in mijn boek. Maak dus gebruik van games, maar dan wel als aanvulling op de “face to face” interactie. Want die hebben we echt nodig.’

Mindfulness op scholen is een goed idee

Wat is de impact op het brein van die andere media die jongeren intensief gebruiken?

‘Je ziet wel dat jongeren minder getraind zijn in het zich langer kunnen concentreren en verdiepen. Ze zijn gewend aan likes op Facebook. Die geven een directe dopaminekick. En pakt een YouTube-filmpje ze niet in de eerste seconden, dan zappen ze weg. Docenten klagen dan dat al die media leiden tot een korte spanningsboog bij hun leerlingen. Maar in plaats van klagen, zouden ze beter een aantal lessen in aandacht kunnen organiseren. Mindfulness op school is in dat kader een heel goed idee. Daar heb je later in allerlei situaties profijt van.’

‘Breindidactiek. Helpen leren met breinkennis’ (228 bladzijden) van Gerjanne Dirksen en co-auteurs Monique de Boer, Hulda Mo?ller en Jacquelien Willemse is uitgegeven bij Uitgeverij Synaps. ISBN: 978-90-8228-6205.  

Erno Mijland (1966) is publicist. HijŒ schrijft voor verschillende onderwijsbladen, onder andere over toepassing van ict / technologie en didactiek. Daarnaast schreef hij – deels met anderen – meer dan vijftien boeken over onder andere gamen en opvoeden,Œcreatief denken en loopbaan.