De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) sloot op 25 juni van dit jaar het noordelijke en oostelijke deel van de Oosterschelde af, omdat daar de gifstof tetrodotoxine (TTX) in Zeeuwse mosselen en oesters aangetroffen was. Op mij kwam deze maatregel over als buitensporig. Daarom heb ik in de afgelopen weken, met hulp van experts uit Nederland, Brussel, Canada, Australië en Japan, intensief onderzoek gedaan naar de herkomst en het effect van de gifstof in Nederland. Mijn door de Europese Unie en buitenlandse experts bevestigde conclusie, is dat de gifstof op dit moment ongevaarlijk is, en dat in de komende decennia waarschijnlijk ook blijft. In de onderstaande long-read leg ik uit, hoe ik tot deze conclusie gekomen ben. Omdat het hier complexe materie betreft, heb ik ervoor gekozen om een en ander uit te leggen via “story telling.”

STEUN RO

Ik las voor het eerst over de gifstof tetrodotoxine (TTX) in Zeeuwse mosselen en oesters op 25 juni van dit jaar. Op die datum maakte de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bekend dat ze de noordelijke en oostelijke tak van de Oosterschelde had afgesloten, omdat daar TTX in mosselen en oesters was aangetroffen.

De Voedsel- en Warenautoriteit deed dit naar aanleiding van een besluit van minister Edith Schippers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, die zich had laten informeren door de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. De inspecteur-generaal had zich weer laten adviseren door de directeur van de de risico-beoordelende poot van de NVWA, het Bureau Risicobeoordeling & Onderzoeksprogrammering (BuRO). Het advies van BuRO was, kort gezegd, ernstig en angstaanjagend. Daar kom ik nog op terug.

De schaduw van het verleden

Het verhaal van TTX in de Oosterschelde begint natuurlijk, net als de meeste verhalen, lang voordat ik er voor het eerst van hoorde. Op zijn minst veertig jaar eerder, en waarschijnlijk nog wel langer terug. Volgens slim onderzoek, aan in formaline geconserveerde planktonmonsters verzameld in de Noordzee sinds 1961, heeft het zeer geleidelijke stijgen van onze zeewatertemperatuur, eind jaren zeventig begin jaren tachtig geleid tot een verschuiving in bacteriepopulaties in het Rijn-estuarium (waartoe ook de Oosterschelde en Westerschelde behoren), ten gunste van vibriobacteriën. Deze bacteriën produceren het gif tetrodotoxine om niet opgegeten te worden en houden niet van koud water. De verschuiving in de bacteriepopulatie is lang niet opgemerkt.

Ergens rond deze zelfde tijd, besloten bestuurders in Europa dat meer marktwerking in academia misschien wel een goed idee was. Dat was natuurlijk een politieke keuze, gemaakt zonder democratisch mandaat. Maar ze deden het toch. Academia reageerde daarop, door in haar doorgaans saai getitelde papers een element van reclame te introduceren. In een markt wil je immers opvallen, om goede zaken te kunnen doen.

Eurosurveillance

In januari van 2015 werd een researchpaper gepubliceerd, die nogal wat effect heeft gehad op onze Oosterschelde. De paper verscheen inEurosurveillance, een wekelijks verschijnend, peer-reviewed online wetenschappelijk vaktijdschrift, dat vooral gewijd is aan de epidemiologie, surveillance, preventie en beheersing van overdraagbare ziekten in Europa, en dus veel in Europese laboratoria wordt gelezen.

De paper, die geschreven is door Turner et al. van het Britse Centre for Environment, Fisheries and Aquaculture Science (Cefas), heet „Detection of the pufferfish toxin tetrodotoxin in European bivalves, England, 2013 to 2014”. Zonder marktwerking in Academia was de titel van deze paper vermoedelijk “Detection of tetrodotoxin in European bivalves, England, 2013 to 2014” geweest. Maar dat kan ik natuurlijk niet hard maken.

Ik heb gesproken met dr. Arjen Gerssen, de wetenschapper van het prestigieuze Wageningen University RIKILT laboratorium, die momenteel verantwoordelijk is voor ons nationale tetrodotoxine-laboratoriumonderzoek.

Zijn oog viel op de Engelse paper in de lente van 2015. Het team van dr. Gerssen gebruikte de gegevens in het Cefas-artikel om, voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis, tetrodotoxine in tweekleppigen te meten. Het RIKILT lab-team heeft zijn huiswerk goed gedaan. Na enkele maanden van aanpassing en validatie, zijn ze nu in staat om TTX in hoeveelheden vanaf 20 miljoenste gram per kilo (20 microgram per kilogram dus, 20 µg / kg) betrouwbaar te meten. Geen ander lab in Europa kan dat, op dit moment.Mocht het nodig zijn, dan kan het RIKILT zelfs miljardste grammen halen (nanogram/kg, ng/kg). Ter indicatie: een sinaasappelpit weegt ongeveer een gram. Een duizendste gram (een milligram dus, 1 mg/kg) past op een speldenkop. Op diezelfde speldenkop passen dus duizend microgrammen en een miljoen nanogrammen. We spreken dan van “sporen” van een stof.

Tetrodotoxine fluoresceert niet

De eerste TTX metingen aan schelpdiermonsters werden door het RIKILT in oktober van 2015 gedaan, aan mosselmonsters over het hele mosselseizoen van dat jaar.

Om mariene toxinen aan te tonen in mossels en oesters, onder meer de gifstof saxitoxine (ook bekend als PSP, vanwege het uit het buitenland bekende bijbehorende syndroom Paralytic Shellfish Poisoning), werkte het RIKILT lab in de afgelopen decennia met fluorescentie-methoden.

Nu kom ik bij een cruciaal detail: gifstoffen als saxitoxine fluoresceren, maar tetrodotoxine doet dat niet. Om deze eenvoudige reden was de stof nog nooit eerder in een Nederlands laboratorium gedetecteerd.

Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat TTX er niet was. De stof zit, zoals ik hierboven uitleg, waarschijnlijk al sinds de bacteriële verschuiving van eind jaren zeventig in aantoonbare gehaltes in onze tweekleppigen.

Exotische snoerworm

Cephalothrix simula, een Aziatisch snoerwormpje dat nieuw is in onze contreien, wordt ook wel genoemd in verband met TTX in Zeeuwse schelpdieren. Dit wormpje is inderdaad giftig, omdat het net als de Aziatische kogelvis in symbiose met Vibrio-bacteriën leeft. (TTX bindt zich noch aan eiwitten, noch aan zenuwcellen, dus ophoping in lichamen van gewervelden is onwaarschijnlijk.) Maar Cephalothrix simula eet schelpdieren en nestelt er niet in. Dat maakt het een onwaarschijnlijke kandidaat. Bovendien zouden mosselkwekers kronkelende wormpjes in hun mossels melden, lang voordat die bij de consument op het bord liggen. De Zeeuwen willen natuurlijk het liefst helemaal niet in het nieuws komen met hun product. Tenzij het natuurlijk, net zoals bij de Belgen, de mooiste vrouw van het jaar is, die met een mosselpannetje poseert. Onderzoeker Marnix Poelman van marien onderzoeksinstituut IMARES denkt ook dat de exootjes geen schuld hebben, en wijst naar Vibrio-bacteriën als vermoedelijke bron van het gif TTX.

Verwateren op de kant

Ik heb uitgebreid over de Zeeuwse mossel- en oesterkweek gesproken met Yerseker visser en kenner van de Oosterschelde Aard Cornelisse, en samen met hem in de mosselverwerkingsfabrieken van Yerseke mogen kijken. Alle mosselen die binnenkomen in deze verwerkingsfabrieken, worden standaard een paar uur gespoeld met UV-gedesinfecteerd water, verwateren op de kant, zoals ze het daar noemen. Deze praktijk is ontstaan, omdat mossels in het verleden nogal eens verontreinigd waren met allerlei E. Coli’s. In tegenstelling tot vleesdieren, waar E. Coli’s uit de darmen bij het vlees kunnen komen door onzorgvuldige slacht, is er bij schelpdieren maar een bron te bedenken, waar al die Coli’s vandaan kunnen komen: sommige delen van Zeeland loosden tot enkele decennia terug de riolering rechtstreeks op de Oosterschelde.

Moeizame verhoudingen

Dat is inmiddels gelukkig al heel lang niet meer zo. Het uitbaggeren van de zeearm tijdens de uitvoering van de Deltawerken heeft daarnaast veel bijgedragen aan het opruimen van nestelplekken van deze E. Coli’s. De Oosterschelde is al jarenlang een productie A gebied. Dat houdt in dat mosselen en oesters in principe zonder spoelen vrij genoeg van E.Coli’s zijn, om zo uit het ruim van de vissersboot te kunnen worden gegeten.

Schelpdieren blijven natuurlijk wel altijd een kwetsbaar product. Zodra je ze uit het water haalt, komen ze in het domein van alle bacteriën en virussen die door het luchtruim zweven. Daar zijn ze, in tegenstelling tot zoogdieren, niet op gebouwd. Daarom zijn de verwerkingsstandaarden in de afgelopen 35 jaar ook steeds hoger geworden. Alle mosselen die binnenkomen in de verwerkingsfabrieken worden standaard met gedesinfecteerd water gespoeld. Minimaal vier uur lang, soms wel een dag. Dat heeft effect gehad. Tegenwoordig is de thuisblijfsmoes, dat je aan de race bent omdat je mosselen hebt gegeten, niet meer zo geloofwaardig als vroeger.

Toch is de verhouding tussen de mosselbedrijven en de NVWA moeizaam. In het verleden zijn er een aantal product recalls en andere akkefietjes geweest. (Uiteraard is dit vergeleken met de vleesbedrijven allemaal peanuts. Ik noem even de Q-koorts, Vogelgriep, Gekke koeienziekte, Varkenspest, MRSA, EHEC en de Mond- en Klauwzeer uitbraken.)

Niet alleen de mosselbedrijven hebben een scheve schaats gereden. Zoals Cornelisse me vertelde: „D’r ben wel eens kommafouten geweest. Van de NVWA hebben ze wel eens microgram als milligram neergezet. Dat hebben ze ook erkend.” En er zijn wel eens mensen ziek geworden van mosselen in restaurants. Deze restaurants hadden niet alleen goedkope, illegaal geraapte (en dus niet vier uur met UV-water gespoelde) mosselen op het menu staan, maar hadden heel slim ook een paar kilo legaal ingekocht. Daar kregen de betreffende verwerkingsfabrieken natuurlijk wel de schuld van. Dat leidde weer tot extra controles van de NVWA, en meer kwaad bloed. Er zijn zelfs product recalls geweest, gebaseerd op false positives van het Noro virus.Gebaseerd op niets dus. De Zeeuwen zijn een autoriteitsgevoelig volk. Ze zullen niet snel in verzet komen. Maar gemord wordt er wel.

Administratieve vondst

De NVWA neemt intussen, voortgedreven door het angstaanjagende advies van BuRO, steeds meer TTX-monsters. De autoriteit heeft verpakte mosselen, die herhaaldelijk gespoeld en schoongemaakt zijn, uitgebreid bemonsterd, en er vooralsnog geen TTX in gevonden. Dat versterkt mijn indruk, dat de gifstof verband houdt met Vibrio’s. De gifbacteriën worden er nu waarschijnlijk gewoon uitgespoeld, net als de E. Coli’s, waar het verwateringsproces voor ontwikkeld is.

Even recapitulerend: TTX zit waarschijnlijk al minstens vijfendertig jaar in de Oosterschelde, in de gehaltes waarin het RIKILT ze in oktober van 2015 voor het eerst heeft aangetroffen. TTX is een zeer effectief zenuwgif, je krijgt er verlammingsklachten van die zonder behandeling dodelijk kunnen zijn.

Maar de TTX gehaltes in onze schelpdieren zijn zeer, zeer laag, als je ze vergelijkt met tropische gehaltes. Gezien de zeer, zeer geleidelijke stijging van de gemiddelde watertemperatuur in de Oosterschelde, is het niet aannemelijk dat TTX-gehaltes sterk zullen toenemen in de nabije toekomst. Ter illustratie de temperatuur van het van de Oosterschelde door een dijk gescheiden, en dus warmere Veerse meer, in de afgelopen vijftien jaar.

Watertemperatuur Veerse Meer 2000–2015, uit het “Bekkenrapport Veerse Meer 2000–2014” van Deltares.
Watertemperatuur Veerse Meer 2000–2015, uit het “Bekkenrapport Veerse Meer 2000–2014” van Deltares.

Dat de gifstof tetrodotoxine pas vorig jaar opgemerkt is, na een technische aanpassing in de laboratoria van het RIKILT, betekent mijns inziens dat het hier feitelijk een administratieve vondst betreft. De epidemiologie van TTX-vergiftiging in Nederland en België in de afgelopen tien jaar geeft mij gelijk. Aantal zieken per jaar: nul. Aantal doden per jaar: nul. Ter vergelijking, de epidemiologie van salmonella-vergiftiging is: jaarlijks 60.000 zieken in Nederland, jaarlijks enkele doden. Dit beschouwen we als normaal.

Mede dankzij de tendentieuze titel van de Engelse paper, is dit niet de manier waarop het RIKILT haar nieuw ontdekte gifstof opgepakt heeft. „Alle alarmbellen gingen af”, zoals dr. Gerssen dat zelf zegt.

Het dodelijke kogelvisgif TTX

Het RIKILT stelde de NVWA ervan op de hoogte dat het een nieuw, zeer giftig toxine ontdekt had. De NVWA vroeg daarop aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) om een risico inschatting. Naar aanleiding van deze inschatting van het RIVM, vroeg de NVWA aan haar onafhankelijke, risico beoordelende poot BuRO, om tot een advies te komen. Zo’n advies is bindend. BuRO deed een literatuuronderzoek, en concludeerde daaruit dat de situatie in de Oosterschelde zeer ernstig is. In dit stuk leg ik uit waarom dat volgens mij niet zo is.

In haar TTX-in-schelpdieren-advies aan de NVWA van 9 februari 2016, komt BuRO voor het eerst met haar, daarna vaak in allerlei rapporten herhaalde inschattingen, wat betreft de toxiciteit van TTX : “4 µg/kg (gezondheidseffecten), 10 µg/kg (ernstige gezondheidseffecten), 20–80 µg/kg (letale dosis).” Deze inschattingen zijn niet te rijmen met het feit dat de Japanse veilige norm voor kogelvisvlees 2200 µg/kg is, 550 keer hoger.Nogmaals, in dit stuk leg ik een en ander uit.

Naar aanleiding van het advies van BuRO begon de NVWA met een twee-wekelijkse cyclus van TTX-monitoring in tweekleppigen in de Oosterschelde. Op 23 juni was het blijkbaar warm genoeg voor de vibrio’s, en werd voor het eerst in 2016 TTX aangetroffen in schelpdieren in de Oosterschelde. Waarschijnlijk zat er al een week eerder TTX in meetbare hoeveelheden, maar toen is er niet gemonsterd.

Op 25 juni kwam de NVWA met het bericht naar buiten, dat het de plekken in de Oosterschelde waar TTX was aangetroffen, afgesloten had. Op die dag las ik er voor het eerst over, via de twitter-feed van NOS-teletekst. Het programma EenVandaag van de Nederlandse Publieke Omroep pakte het nieuws van de NVWA op de slechtst mogelijke manier op en kwam op 29 juni met een weergaloos stukje paniekjournalistiek over het „dodelijke gif TTX van de beruchte Japanse kogelvis”, met als hoogtepunten de feitelijk onjuiste melding dat TTX het zenuwstelsel aantast, een kaartje van de Oosterschelde met doodskoppen, en, geloof het of niet, een spannend muziekje op het einde van het item. Zo rolde de titel van de Engelse paper voort.

Teruggefloten in Brussel

De NVWA staat juridisch gezien volkomen in haar recht. In de EU regelgeving voor mariene toxinen is TTX impliciet wettelijk vastgelegd: In Verordening (EG) 853/2004 15 staat in hoofdstuk V (Gezondheidsnormen voor visserijproducten) onder E. (Voor de volksgezondheid schadelijke toxines) dat visserijproducten die biotoxines, zoals ciguatoxine of spierverlammende toxines bevatten, niet in de handel mogen worden gebracht.

De crux van deze Europese regel met betrekking tot mariene toxines, ligt natuurlijk in het woordje „bevatten”. Wanneer zeg je dat je monster gif bevat, en wanneer niet? Ter illustratie: ons drinkwater bevat zouten. Gedestilleerd water bevat deze zouten niet, AquaDest drinken is daarom ook niet lekker. Toch noemen we ons drinkwater zoet, en niet zout. We hebben dus besloten dat er vanaf een bepaalde ondergrens “geen zouten” in ons drinkwater zitten.

Voor schelpdier-monsters geldt hetzelfde. Of deze wel of niet giftig zijn, bepaal je met een gifnorm. En daar draait het hier om. De TTX-gifnorm van de NVWA is op dit moment 20 miljoenste van een gram. Dat baseert de Autoriteit op de “4 µg/kg (gezondheidseffecten)” uit het advies van BuRO, en het feit dat 20 µg/kg de ondergrens is van wat het RIKILT op dit moment betrouwbaar kan meten.

Deze gifnorm ligt letterlijk zo laag, dat alleen het RIKILT zulke kleine hoeveelheden op dit moment betrouwbaar kan aantonen. Geen enkel ander lab in Europa kan dat. Sterker nog, om deze reden beschouwt de Europese Commissie de accurate resultaten van het RIKILT tot nader order als “niet gevalideerde detectie”. Met andere woorden, wat de andere Europese labs betreft, zit er helemaal geen noemenswaardig gif in onze schelpdieren.

Natuurlijk is de NVWA het daar niet mee eens. De Autoriteit is al twee keer naar Brussel gestapt om haar 20 µg/kg gifnorm erkend te krijgen door de European Food Safety Authority EFSA.

Dat is niet gelukt. De NVWA is tot tweemaal toe teruggefloten door met name EU-lidstaten Ierland, Denemarken en voormalige lidstaat het Verenigd Koninkrijk. Mossellanden Frankrijk (Moule de Bouchot) en Spanje (Paella) schijnen achter de schermen flink de voet dwars te hebben gezet. De consensus binnen de Europese Unie was, dat het advies van BuRO te weinig onderbouwd was, en gebaseerd op te weinig data.

(De informatie over de NVWA in Brussel heb ik van een Europarlementariër, die op dit moment anoniem wenst te blijven.)

Frappant in deze, is dat de epidemiologie van TTX in Spanje in de afgelopen tien jaar, als enige land in Europa: 1 zieke is. In 2008 werd een Spanjaard die een zelf geraapte, exotische zeeslak gegeten had, met verlammingsverschijnselen in het ziekenhuis opgenomen. Het ging daarbij om de Trompetschelp Charonia lampas lampas. Geen mossel dus, maar stel je eens voor wat dit voor gevolgen gehad zou hebben in Nederland paniekland. In Spanje waren de gevolgen van dit ene geval, wat de TTX-gifnorm voor mosselen betreft: geen.

Quarantaine-zone

Zoals we weten heeft de Nederlandse Autoriteit, met haar eigen, niet Europees erkende norm, toch besloten om delen van de Oosterschelde af te sluiten en tot quarantaine-zone te verklaren, zoals ik al eerder zei het noordelijke en het oostelijke deel. De NVWA noemt deze gebieden “compartiment noord en compartiment oost.”

De afgesloten zones ligt dicht bij de kust, aan het einde van de zeearm die de Oosterschelde is. Oestervisser Aard Cornelisse legde me uit dat de NVWA juist de plekken waar weinig stroming staat, tot TTX-spergebied heeft verklaard. Het nestelen van Vibrio-bacteriën in mosselen lijkt dus, net zoals het nestelen van E. Coli in schelpdieren, het sterkst gekoppeld aan weinig doorstroming.

Advies van toxicologische onderzoekers buiten de EU

Ik acht de gifnorm van het NVWA, vanuit mijn achtergrond als journalist en als geochemicus, aanvechtbaar. Maar ik kan natuurlijk zoveel zeggen. Niets belet de NVWA om te riposteren dat ik een roekeloze amateur ben, en mijn kanttekeningen naast zich neer te leggen.

Om deze reden ben ik contact gaan zoeken met toxicologen van buiten Nederland. Ik probeerde het eerst binnen de EU, maar werd steevast doorverwezen naar de EFSA.

Dit deed me besluiten om verder te kijken. Na een aantal vruchteloze mailtjes, vond ik toxicologische onderzoekers van buiten de EU, die bereid waren met mij mee te denken. Ik heb contact gelegd met onderzoekers uit Japan, Australië en Canada, die allemaal bevestigen dat de NVWA-norm veel te streng is.

Mijn toxicologen zijn zich nog aan het verdiepen in de technische details rond tetrodotoxine, maar de Canadees was toch alvast bereid om een aantal aanbevelingen te doen, met betrekking tot de TTX gehaltes in oesters en mosselen in de Oosterschelde.

Ik vroeg hem daarom, vanwege de stijgende temperaturen deze week, die zeer waarschijnlijk tot een vibro-bacterie-bloei, hoge TTX waardes, en dus mogelijk nog ingrijpender NVWA-maatregelen in de Oosterschelde gaan leiden.

In zijn advies geeft professor dr. Michael Palmer, biofarmacoloog en toxicologisch onderzoeker aan de universiteit van Waterloo, mij en de rest van de EU gelijk. Dr. Palmer zegt in het kort:

Er zijn geen klinische TTX-vergiftigings-gevallen in Nederland te verwachten.

Het plaatsen van directe beperkingen op de oogst en consumptie van schelpdieren uit de Oosterschelde is niet nodig.

Met andere woorden, de inschattingen van BuRO zijn een storm in een glas water en alle mossels en oesters uit de Oosterschelde zijn veilig eetbaar, ook diegenen, waarin spoortjes van de gifstof tetrodotoxine zijn aangetroffen. Ik verwacht dat de TTX-onderzoekers uit Japan en Australië met vergelijkbare aanbevelingen komen.

Nat pakhuis voor de mosselkwekers

De tot spergebied verklaarde kuststrook, die de NVWA compartiment oost noemt, wordt al sinds jaar en dag gebruikt als „verwaterperceel”, door de mosselkwekers van Yerseke, zeg maar als “nat pakhuis”. De hoeveelheid mosselen die opgeslagen is in deze quarantaine zone, is veel groter dan de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen. Dat is niet bezwaarlijk vanuit dierenwelzijnsoverwegingen, omdat de mossels gewoonlijk binnen enkele dagen weer opgevist worden om verder verwerkt te worden.

Maar de blokkade van de NVWA houdt nu al enkele weken aan. De mosselboeren verliezen geld, elke dag dat ze hun tijdelijk opgeslagen product niet uit het gebied kunnen opvissen voor verdere verwerking. Je zou kunnen zeggen, dat dit het risico van het vak is, moeten ze maar geen gifmossels kweken. Als de mosselkwekers de volksgezondheid ook daadwerkelijk in gevaar zouden brengen, zou ik me daar iets bij kunnen voorstellen. Maar zoals blijkt uit de reactie van Brussel, en uit het advies van dr. Michael Palmer, is daar op dit moment geen sprake van.

Bacterie-bloei

De Zeeuwse mosselteelt heeft genoeg vet op de botten en uitwijkmogelijkheden om de huidige situatie nog wel even uit te houden. Het grootste deel van de Oosterschelde is immers nog open. Maar de situatie kan gemakkelijk verergeren. Tot begin deze week beleefden we een koude, natte zomer. TTX is warmtestabiel, maar of het ook stabiel is bij kou weten we niet. Het kan dus goed, dat de TTX in de in de vriezer bewaarde schelpdier-monsters van 2015 gedegradeerd is. Dat wil zeggen, dat op het moment van monstername zelf, bijvoorbeeld in juli 2015, de schelpdieren veel meer TTX bevatten dan het RIKILT drie maanden later gemeten heeft, in oktober van 2015 dus.

Deze Amerikaanse studie aan de Atlantisch en Golfkust laat een exponentieel verband tussen vibrio-groei en temperatuur zien. Bij algen zou je dat een bloei noemen. De watertemperatuur in de Oosterschelde was tot deze week rond de 19 graden. Oestervisser Aard Cornelisse vertelde me echter, dat uit zijn metingen over de afgelopen twintig jaar blijkt, dat op warme dagen, bij laag water overdag, de watertemperatuur boven droogvallende slikken en langs dijken kan oplopen tot wel dertig graden. Als dat gebeurt, krijg je een vibrio-bloei. Die bloei moet op dit moment al gaande zijn. De TTX waarden in schelpdieren in de Oosterschelde gaan dus zeer waarschijnlijk op dit moment ruim door het NVWA-dak. Volgens mij kan het wel tot 2000 µg/ kg in oesters en 500 µg/ kg in mosselen of hoger gaan.

Voordat je hiervan in paniek raakt, bedenk even dat ditzelfde ook gold voor 2006, 2007 en 2015, de warmste jaren ooit on record. En dat de epidemiologie van TTX in Europa in de afgelopen 10 jaar, nog steeds die ene verdwaalde Spanjaard met zijn exotische zeeslak in 2008 is.

Oosterschelde dicht, product recalls en gesloten grenzen

Een gevolg van hogere TTX waarden in mosselen kan zijn, dat de NVWA de hele Oosterschelde dichtgooit. Of dat een dag lang mossels spoelen niet genoeg is. De NVWA kan de gifstof ook in verpakte mossels terugvinden. Mocht de NVWA tetrodotoxine aantreffen in verpakte, verwerkte mosselen, met hun absurd lage gifnorm van 20 µg / kg, dan volgt er waarschijnlijk een product recall. Dit is een slechte zaak voor de mosselboeren, logistiek en PR-wise.

En het kan nog extremer. In de Europese wetgeving is vastgelegd dat de NVWA, gebaseerd op de eigen TTX norm, unilateraal de grens kan dichtgooien. Zie Artikel 28, lid 1,artikel 30 VWEU onder C. Juridisch onderzoeker Tanja van den Berge, die promotie-onderzoek naar Europese wetgeving deed, bracht dit onder mijn aandacht.

Zo’n 80 procent van de productie van Yerseke wordt jaarlijks geëxporteerd naar België, Duitsland en Frankrijk. Voornamelijk naar België, voor de bekende Moules Frites. Die zijn zo’n begrip in België dat popster Stromae er in 2013 een liedje over schreef. We hebben het over ongeveer 50.000 metrische ton mosselen, 50 miljoen kilo.

Interessant om hierbij te melden is, dat het aantal meldingen dat de NVWA en haar Belgische equivalent in de afgelopen tien jaar ontvangen hebben, over verlammingsklachten na het eten van mosselen, die passen bij een TTX vergiftiging, nul is. In de hele EU schijnen jaarlijks 500 miljoen porties mosselen gegeten te worden. Laat ik voorzichtig zijn en zeggen dat dat een factor twee overdreven is. Dan hebben we het nog over 2.5 miljard porties mosselen in Europa in de afgelopen tien jaren. Denk nu weer even aan de epidemiologie van TTX in Europa.

Het loslaten van de muisnorm

In tegenstelling tot farmacologische laboratoria, beheersen voedselveiligheid-labs als het RIKILT de kunst van het meten van verdachte stoffen tot op een zo laag mogelijk niveau als geen ander. Door geduldig inregelen en valideren van de methode, is met LC-MS zelfs het meten van nano-grammen van een stof mogelijk, zoals dr. Arjan Gerssen me vertelde. Ik heb als geochemicus het nodige lab-werk gedaan, en heb een grote bewondering voor de gedrevenheid en de bekwaamheid van onderzoekers als dr. Arjan Gerssen, en de manier waarop ze al vele decennia helpen om ons voedsel veilig te houden.

Dr. Gerssen vertelde me dat de Nederlandse onderzoekers al geruime tijd de muisnorm hebben losgelaten, om ethische en nauwkeurigheidsredenen. Enerzijds is het loslaten van de muisnorm begrijpelijk, omdat de toxiciteit van een stof een factor tien tot honderd kan verschillen between mice and men. Anderzijds, kunnen moderne risico-inschattingen leiden tot het naar beneden bijstellen van de muisnorm. Dit is al gebeurt met schelpdiergif saxitoxine. De Europese veilige norm van dit gif is naar beneden bijgesteld van 800 µg/kg gebaseerd op muizen tests, naar 75 µg/kg gebaseerd op moderne risico-analyse-methoden. Dit is echter een praktijk die volgens Dr. Michael Palmer geen basis in de werkelijkheid heeft. Immers: “een toxine bevattend monster dat er niet in slaagt om een muis na injectie te doden, zal zeker geen muis of mens doden bij orale inname.” Dat we tegenwoordig in staat zijn om minimale spoortjes van een toxine te meten, maakt zo’n toxine niet giftiger.

Klimaatverandering

In het advies van BuRO van 9 februari wordt herhaaldelijk verwezen naar klimaatverandering. De suggestie wordt gewekt dat de de toename van TTX in schelpdieren een recent klimaatgevolg zou zijn. Er wordt zelfs drie keer gesuggereerd in het rapport, dat onderzoek naar het verband van TTX met algenbloei in de Oosterschelde zinvol is. Als we inderdaad met “plotseling giftige mosselen” te maken zouden hebben, zoals BuRO blijkbaar aanneemt, zou het afsluiten van de Oosterschelde, om eerst de ernst van de giftigheid van TTX grondig te onderzoeken, uiteraard zin hebben. Zo’n aanpak, die de volksgezondheid beschermt, zou ik altijd de voorkeur geven, boven de economische overwegingen van de mosselboeren.

Maar de epidemiologie van TTX in mossels in Europa is, zoals ik al eerder zei, op dit moment nul komma nul. En zal dat voorlopig ook wel even blijven, zie de aanbevelingen en inschattingen van Dr. Michael Palmer

Toxicologie van TTX in mosselen

Maar stel nou dat er toch iemand van TTX-mosselen ziek wordt, niet in Nederland natuurlijk, maar in Spanje, waar het veel warmer is. Mosselen cultiveren vibriobacteriën niet actief. De kogelvis doet dat wel, in zijn darmen. Daarom is het misschien zinvoller om TTX in mosselen niet met TTX in kogelvis, maar met TTX in degenkrab-eieren in Thailand te vergelijken. Met deze kanttekening, dat concentraties van de gifstof daar wegens tropische omstandigheden een factor 100 tot 1.000 hoger liggen dan bij ons. In deze Thaise epidemiologische studie, werd een volledig herstel-percentage van 97,5% over een periode van 12 jaar en 245 gevallen gemeld, voor TTX vergiftiging.

De reden voor dit volledige herstel, is volgens dr. Palmer, dat TTX geen blijvend effect op het lichaam heeft. Het is een zeer krachtige natrium-blocker, dat is alles. Spoelen en ventileren, om de tijdelijk verlamde ademhalingsspieren in het middenrif te ondersteunen, werd met succes toegepast in Thailand en leidde zoals gezegd tot een volledig herstel van 97,5% van de gevallen. Dat is nogal wat anders dan de bewering van BuRO in haar advies van 9 februari 2016: „De enige behandeling voor TTX intoxicatie is observatie en palliatieve zorg.”

Epidemiologie van TTX in mosselen in Europa

Het is natuurlijk van groot belang dat we erg voorzichtig zijn met stoffen zo giftig als TTX. Maar we moeten ook de epidemiologie van TTX in mosselen in Europa in overweging nemen.

Ik heb gesproken met een van de onderzoekers van de Britse Cefas-paper. Zij bevestigde dat gedurende de periode van 2004 tot 2014 er slechts één geval van (niet-dodelijke) TTX vergiftiging is gemeld in Europa, in verband met de trompetschelp Charonia Lampas Lampas, die ene Spanjaard uit 2008, die ook door Turner et al. aangehaald wordt in hun paper.

Economische versus humane overwegingen

Waar ik als journalist slecht tegen kan, is misbruik van macht. Bijvoorbeeld, als economische overwegingen boven humane keuzes wordt gesteld. Als er wat TTX in schelpdieren betreft, ook maar in de geringste mate sprake zou zijn van gevaar voor de volksgezondheid, had ik dit artikel dan ook niet geschreven. Maar dat gevaar is er niet. Daarom vind ik de handelswijze van de NVWA sinds de ontdekking van het RIKILT in 2015 op zijn zachtst gezegd vreemd.

Het functioneren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

Over de NVWA is al veel kritisch geschreven in de landelijke media. Recentelijk naar aanleiding van de „salmonella-zalm affaire” en de „paardenvlees-affaire”, en in het verleden in verband met de Varkenspest, Q-koorts, vogelgriep, MKZ, BSE enzovoorts.

Ook over hoe de NVWA de TTX-vondst in schelpdieren in de Oosterschelde opgepakt heeft, zou ik me kritisch kunnen uitlaten. Maar ik wil graag volstaan met de opmerkingen die al door mijzelf en dr. Palmer gemaakt zijn.

De NVWA is in de laatste twee decennia onderwerp geweest van bezuiniging op bezuiniging en fusie na fusie. Het eens zo solide orgaan, is hierdoor volkomen uitgehold, wat mankracht, budget en daadkracht betreft.

Hoe deze situatie ontstaan is, staat uitgebreid beschreven in „Uitgebeend”, het journalistieke standaardwerk over de geschiedenis van de NVWA, dat verscheen in 2014. Onderzoeksjournalist Marcel van Silfhout interviewde voor dit boek negen maanden lang alle beschikbare experts uit de voor en tegen-kampen, alsmede de betrokken bestuurslieden.

Korte moderne geschiedenis van de NVWA

De Mond -en Klauwzeer uitbraken in 2001 en 2002 hebben een grote rol gespeeld bij het ontstaan van de huidige NVWA. Op verkeerde aannames gebaseerde inschattingen, leidden in de jaren negentig tot het besluit, met instemming van toenmalige Rijksdienst Vee en Vlees (RVV) en het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, om af te zien van het vaccineren van vee tegen Mond en Klauwzeer. Men dacht destijds, dat het ruimen van kleine uitbraken goedkoper zou zijn.

Deze inschattingen hielden waarschijnlijk onvoldoende rekening met de veedichtheid van Nederland. Daardoor liepen uitbraken van deze veeziekte in 2001 en 2002 gierend uit de hand. Honderdduizenden gedode dieren, veelal uit administratieve overwegingen, en reusachtige overschrijdingen van het budget van de RVV waren het gevolg.

Dit was het begin van een serie fusies en bezuinigingen, waarin de aan de bedelstaf geraakte RVV eerst bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport werd ondergebracht, middels een fusie met de Keuringsdienst van Waren. Dit werd de NVWA, die uiteindelijk, gefuseerd en wel met de KVW weer bij Landbouw en uiteindelijk bij Economische Zaken belandde, en door is gefuseerd met de Algemene Inspectiedienst (AID) en de Plantenziektenkundige Dienst.

Van de oorspronkelijke 2.900 werknemers die deze instituten samen hadden, rond het millennium, is nog maar een fractie over. Moderne automatisering blijft intussen ver achter. Het aantal wetten waarop toegezien moet worden, is zeker niet minder geworden, de maatschappelijke complexiteit is ook niet afgenomen. Dat de NVWA nog zo goed draait als ze doet, is een wonder te noemen.

Een klein feitje uit het boek van Marcel Van Silfhout dat mij de wenkbrauwen deed fronsen: de tienduizenden Nederlandse vleeskweek en -verwerkingsbedrijven, die vroeger periodiek bezocht werden door een inspecteur van de NVWA, controleren op dit moment zichzelf. Het NVWA controleert wegens personeelsgebrek eigenlijk alleen nog de zelfcontroles. Dit gegeven, in combinatie met een Brabantse bio-industrie, met de hoogste dier-dichtheid ter wereld, lijkt mij vragen om problemen.

Conclusie

Het voorgaande in overweging nemend, kan ik mij goed voorstellen dat de NVWA op dit moment noch de mankracht, noch het budget heeft om fatsoenlijk, diepgaand onderzoek te doen naar de toxiciteit van een gif als tetrodotoxine. Juist hierom verbaasd het me, dat de onafhankelijke NVWA-poot BuRO noch van de uitgebreide ervaring en kennis van de Japanners, die al honderden jaren kogelvisvlees met TTX eten, noch van de consensus binnen de Europese Unie is uitgegaan, en een eigen, onnodig strenge gifnorm voor tetrodotoxine heeft vastgesteld.

Deze buitensporig strenge, niet op de realiteit gebaseerde tetrodotoxine gifnorm, kan leiden tot dito handhaving en complexe ingrepen, zoals het volledig afsluiten van de Oosterschelde, product recalls en zelfs het sluiten van de grenzen voor de mossel-export. Dit soort ingrepen is niet gratis, er gaat bijzonder veel geld en mankracht mee gepaard. De NVWA kan die mijns inziens beter inzetten voor andere doeleinden.

Ik vraag me af of de NVWA, na ontvangst van het tetrodotoxine-bericht van het RIKILT in oktober 2015, niet even had kunnen wachten, met de start van het risico-beoordelingstraject door BuRO. Zo’n traject leidt immers onvermijdelijk tot een advies dat feitelijk bindend is, voor zowel de NVWA als de minister van VWS. Overleg vooraf met Japanse experts en toxicologen in Europa had waarschijnlijk tot een ander, minder op zichzelf staand advies geleid.

Ik vermoed dat er haast bij was. Ook hier hebben die twee woordjes in “Detection of the pufferfish toxin tetrodotoxin in European bivalves, England, 2013 to 2014” dus waarschijnlijk een rol gespeeld.

Aanvulling:

Marcel van Silfhout vertelde mij vanmiddag, 22 juli 2016, dat de NVWA in de laatste paar jaar, vanaf pakweg 2013, steeds meer op ‘zero-tolerance’ is gaan inzetten. Waar het gaat om E. Coli’s en aanverwante ziekteverwekkers op vlees en gevogelte, doet de Autoriteit dit zelfs letterlijk.

Lange tijd werd tot 0,3 procent bacteriën op vlees uit slachthuizen getolereerd. Dat moest ineens naar nul. Een absurde ingreep, die bij oud veterinaire hoofdinspecteurs tot verontwaardiging leidde. Zij noemden de zero tolerantie een van de werkelijkheid losgezongen streven, onhaalbaar en onzinnig.

Ten eerste: nul bestaat niet. Als je nul meet met je ene apparaat, zul je met een beter apparaat toch telkens weer bacteriën aantreffen.

Ten tweede: de hoge kosten die een ‘zero-tolerance’ beleid met zich meebrengen, leveren geen risicovermindering van betekenis op. Zoals een hoogleraar die ik over ‘zero-tolerance’ sprak het uitdrukte: „Na een kwartiertje schrobben is de vaat echt wel schoon hoor. Nog een uur langer afwassen is verspilde moeite.”  Kortom, wie ‘zero-tolerance’ aanhangt, snapt de Law of Diminishing Returns niet.

Schermafbeelding 2016-07-22 om 15.05.46

De nieuwe ‘zero-tolerance’ tendens binnen de NVWA levert noch de Autoriteit, noch de slachthuizen, noch de consument iets op. Het kost alleen maar tijd, mankracht en geld. Van Silfhout is bang dat doorgeslagen zero-tolerance, in combinatie met nieuwe, en derhalve nog onervaren inspecteurs, een nieuwe formule voor NVWA-affaires kan worden.