Geen zwangere Maria die nergens onderdak krijgt. Ook geen letter over herders die de wacht houden over hun schapen. Een van de vroegste documenten van het Nederlandse christendom, de Heliand, vertelt een ander kerstverhaal.

STEUN RO

'Dat er voor Jozef en Maria geen plaats was in de herberg, daarover lees je niet in de Heliand', zegt de Veluwse theoloog dr. Henk Vreekamp. 'Daarmee hoefde de dichter bij de Saksen ook niet aan te komen. Wanneer zij dit zouden horen, geen gastvrijheid voor het Koningskind, zouden ze zeggen: dat kan dus niks wezen. De machtige Koning, voor wie geen plaats in het gastenverblijf zou zijn? Terwijl gastvrijheid hoog aangeschreven stond en staat bij het Saksische volk. Een vreemdeling wegsturen van de deur, en dan nog wel twee vreemdelingen die zo te zien heel hard aan onderdak toe zijn, Jozef en Maria, dat doe je dus niet. De schrijver schrapte daarom de ongastvrije herberg die we uit de Bijbel kennen.'

Een engel is er wel in deze versie van het kerstevangelie, een ‘blijde boodschap’ ook: ‘Wanhoop niet, het licht brengt geen leed. (…) Nu is Christus geboren, in deze zelfde nacht, het zalig kind Gods, de dierbare heer in Davids burcht. In hem verheugt zich heel de mensheid, hij brengt de volkeren vreugde. Vinden kun je hem in Bethlehemburg.’

De Heliand is een Oudsaksisch episch dichtwerk over Jezus. De dichter plaatst Christus in een eigentijdse Germaanse cultuur, als een adellijke heer die met zijn vazallen van burcht naar burcht trekt. 'Een mooi voorbeeld van de wijze waarop het christelijk geloof in de eigen cultuur wordt ingebed'', aldus Jaap van Vredendaal en Willem van der Meiden, die de Heliand in hedendaags Nederlands vertaalden. 'Zo hebben bewoners van onze streken kennisgemaakt met het christendom.''

Belevingswereld

Bijna 6000 versregels beschrijven het leven, het sterven en de opstanding van Jezus. De stof is ontleend aan de vier bijbelboeken Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes. De Heliand stamt uit de periode dat missionarissen als Willibrord, Bonifatius, Liafwin (Lebuïnus) en Liudger de Nederlanden kerstenden. Een Saksische dichter vertrouwde de verzen rond 830/840 aan het perkament toe, niet in de universele schrijftaal van die dagen, het Latijn, maar in zijn eigen taal – die nu als Oudsaksisch wordt aangeduid. Van Vredendaal: 'Het Christusverhaal heeft de literaire vorm van het heldendicht, die ook bekend is van andere Oudgermaanse werken zoals de Oudengelse Beowulf en het Oudhoogduitse Hildebrandslied. Bijzonder is dat Christus in de Heliand figureert in het geografische en sociale milieu van het West-Europa uit de negende eeuw.'

Woorden en beelden sluiten, aldus Van Vredendaal, aan bij de belevingswereld van de lezers van toen. 'Christus wordt getekend als een held, en wel de machtigste die er ooit geweest is en er ooit zal zijn. Hij is 'de krachtigste aller koningen'.' Dr. Vreekamp, kenner van de Heliand: 'De dichter probeert het hart van de Saks te bereiken, de Saksische ziel. Hij schildert daarom Christus als sterker dan de Germaanse goden Wodan of Thor. Christus is in de Heliand de Koning van het volk. De loyaliteit van een Saks, hetzij een edelman, een vrije boer of een gebondene, lag bij de drohtin, de lokale heer. De dichter van de Heliand stelt Jezus voor als de Drohtin, de Leidsman.''

Adellijk

'In de Heliand is Christus uiteraard van adellijke geboorte'', schetst Van Vredendaal. 'Niet alleen via Jozef, die volgens de evangeliën een afstammeling van koning David was, maar ook via Maria, die in de Heliand 'dochter van David' wordt genoemd. Na zijn geboorte wordt Christus gewikkeld in een schitterend gewaad met kostbare sieraden.' Bijbelse taferelen zoals Jezus’ geboorte (‘Zijn moeder zat bij hem, waakte zelf en hield de wacht over hem, het heilige kind’) hebben de achtergrond van een middeleeuwse stad. De dichter germaniseert geografische namen: Rome wordt Romeburg, Nazareth Nazarethburg, Galilea Galilealand. Landschap en klimaat zijn West-Europees: de reis van de wijzen uit het Oosten voert 'langs wegen en wouden'.

Herders met schapen ontbreken in de Heliand. De Latijnse brontekst van het kerstverhaal in de Bijbel spreekt slechts over herders (pastores) die hun kudde (gregem) hoedden. De dichter van de Heliand beschrijft de herders nadrukkelijk als ‘paardenknechten, 'paardenhoeders'. Ook hieruit kan men aflezen dat de dichter het verhaal in een adellijk milieu situeerde: paarden fungeerden in de middeleeuwen als statussymbool. Vreekamp: 'Schapen waren in onze streken niet onbekend, de verandering moet zijn reden hebben in de sociale positie van herders. Maria en Jozef zijn van goede stand, ook de herders in de Heliand behoren tot de hogere klasse.'

Midwinter-lichtfeest

Het blijft Vreekamp boeien hoe, onder andere via de Heliand, de oeroude Germaanse/Saksische traditie twaalf eeuwen geleden in aanraking kwam met het christelijk geloof. 'Kerst is een van de grootste voorbeelden van die confrontatie. Het kerstfeest bestond allang als midwinter-lichtfeest voor het christendom binnenkwam. Onze voorouders lieten zich dat niet afnemen. Wanneer het zo donker is als midden december, moet er iets van licht komen, anders overleven we het niet. Als modern mens denk ik: Het komt wel goed na 21 december, maar onze voorouders hebben het anders beleefd.'

'Elk jaar', aldus Vreekamp, 'was het maar weer afwachten met alle angsten van dien. 25 december, Kerst, verbind ik altijd met 21 december, de donkerste dag van het jaar. Vier dagen later moet je weer iets kunnen merken van een streepje meer licht. De zon is aan de winnende hand en dan vier je feest, het feest van het licht dat het ook dit jaar gewonnen heeft van het donker. Dat is in ons kerstfeest als bodem aanwezig. Gecombineerd met het evangelie van Jezus Christus, die met Pasen de duisternis van de dood overwon, is Kerst in Noord-Europa pas goed te vieren. Op het zuidelijk halfrond, waar het kerstfeest in de zomer valt, slaat het voor mijn noordelijk gevoel nergens op. Kerst heeft wel degelijk te maken met de tijd van het jaar en met de duisternis die dan valt over de Veluwe.'

Freelance journalist, onder andere werkzaam voor AD Amersfoortse Courant en Reformatorisch Dagblad, ruim 35 jaar ervaring in regionale dagbladjournalistiek op Veluwe en in Gelderse Vallei (Barneveldse Krant), schreef samen met fotojournalist Brand Overeem 'Geloven op de Veluwe' (1997).