Vijftig jaar geleden, in november 1968, overleed Greet Hofmans, naamgeefster van een affaire die de Nederlandse monarchie op haar grondvesten deed schudden. Hoofdredacteur René Zwaap van tijdschrift De Republikein kreeg exclusief toegang tot haar geheime archief en schreef op grond daarvan een serie onthullende verhalen. In het eerste deel aandacht voor het nauwe contact tussen Greet Hofmans en Friedrich Weinreb. Een vriendschap tussen twee staatsvijanden tegen wil en dank.

STEUN RO

Tekst: René Zwaap

Het verhaal dat hier volgt is voor een belangrijk deel gebaseerd op een verzameling documenten uit de nalatenschap van Margaretha ‘Greet’ Hofmans, die de schrijver dezes in handen kreeg door toedoen van haar neef Frits Hofmans. In de veelbewogen jaren van de paleisoorlog op Soestdijk die als het ‘Hofconflict’ de geschiedenis inging – een paleisintrige met vertakkingen in het mondiale krachtenspel van dekolonisatie en Koude Oorlog – begeleidde Frits Hofmans zijn ‘tante Gré’ als een soort persoonlijk secretaris. Hij was erbij tijdens de Oude Loo-conferenties (1951-1958), de door koningin Juliana en haar moeder Wilhelmina georganiseerde besloten symposia voor de ‘happy few’ over religieuze vraagstukken op het befaamde jachtslot van de Oranjes, toen daar grootheden als Nobelprijswinnaar Martin Buber en presidentsvrouw Eleanor Roosevelt hun opwachting maakten. Hij was medeorganisator van het ‘Open Veld’ (vanaf mei 1959 tot 1967) die in het hotel Figi in Zeist werd gehouden nadat de Oude Loo-conferenties op last van de regering waren ontbonden.

Frits Hofmans was een van de ‘voorbereiders’ van die conferenties in Zeist en was daar geregeld ook spreker op grond van zijn grote kennis van zaken als de symbooltaal in het werk van Jeroen Bosch, getallenmystiek, astrologie en (Zen)-boeddhisme. Hij stond zijn tante ook bij tijdens haar lange slepende ziekbed in haar huisje aan de Amsterdamse Kalkmarkt waar ze tot op het allerlaatst als ‘helderhorend’ medium haar ‘doorgevingen’ binnenkreeg, die Frits trouw noteerde en zo voor het nageslacht vastlegde.

Begin jaren ’90 benaderde ik Frits Hofmans telefonisch met de vraag of hij wellicht familie was van Greet Hofmans, die mijn journalistieke nieuwsgierigheid had opgewekt. Mij was opgevallen dat er over de figuur van Greet Hofmans zo goed als niets bekend was. In de pers werden de schaarse gegevens die er over haar bestonden tot vervelens toe herhaald. Daar moest toch op zijn minst nog een goed verhaal in zitten. En dus nam ik de verzamelde telefoongidsen van het land ter hand (Google moest nog worden uitgevonden) en belde iedereen met de achternaam Hofmans. Bij ‘F. Hofmans’ te Purmerend had ik beet. De stem aan de andere kant van de lijn bevestigde familie te zijn van Greet Hofmans, een volle neef nog wel, maar hij gaf direct aan met geen haar op zijn hoofd te peinzen over een gesprek met een journalist. ‘Ik praat niet met de pers’, zei Frits kortaf, en voordat ik mijn verzoek goed en wel had kunnen toelichten lag de hoorn alweer op de haak. Nadat ik bij een tweede telefonische poging had verteld dat ik op grond van alles wat ik over zijn tante gelezen sterk het gevoel had gekregen dat zij ten onrechte was weggezet als een soort van kwaadaardige toverkol, die de arme Nederlandse koningin Juliana in de jaren ’50 in haar greep had gehouden zoals Raspoetin dat eerder had gedaan met tsarina Alexandra, stemde mijn onwillige bron met de nodige reserve toch in met een ontmoeting.

Paradoxaal contrast
In zijn ruime flat in Purmerend, tussen een imposante bibliotheek van boeken over theosofie, antroposofie, de magie van de Hebreeuwse letters, Joodse mystiek, Gnosis, antieke mysteriën, rozenkruisers, vrijmetselaars, yoga, Indische goeroes en wat dies meer zij, werd ik gastvrij ontvangen door Frits en zijn levenspartner An. Wat mij direct boeide was het paradoxale contrast tussen de esoterische voorliefde die uit zijn boekenverzameling sprak en zijn zeer aardse, ironische manier van doen, de nuchtere wijsheid die uit heel zijn optreden sprak. Zoals ik al snel zou begrijpen was het met zijn tante niet anders gesteld geweest. Ook zij moest in haar dagelijkse optreden allesbehalve een ‘zwever’ zijn geweest, ook zij had haar Amsterdamse gevoel voor relativering en spot nooit verloren.
Een verblijf in strafkampen in Duitsland en Polen tijdens de Tweede Wereldoorlog als ontduiker van de Arbeitseinsatz (‘Het ergst waren de Franse medegevangenen’, zei hij) hadden Frits Hofmans weinig illusies gelaten over de goede inborst van de mens. Hij herhaalde dat hij vragen van journalisten eigenlijk principieel afwimpelde, maar dat hij op grond van wat ik hem aan de telefoon had gezegd toch wel nieuwsgierig was wat ik te melden had. Met trots vertelde hij dat hij voor een toneelstuk (geschreven door de later gevierde Ger Beukenkamp) over zijn tante dat het Amsterdamse amateurtoneelgezelschap Toetsteen in 1988 had opgevoerd enkele persoonlijke bezittingen van zijn tante had uitgeleend. De voorstelling had wellicht ook daardoor een wonderlijk levensecht portret van Greet Hofmans opgeleverd, zo meende Frits, die wist te vertellen dat de voorstelling ook werd bezocht door vertegenwoordigers van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) met hun notitieblokjes in aanslag. Die waren zoveel jaar na dato kennelijk nog altijd bevreesd was dat de staatsveiligheid door zijn tante in gevaar zou worden gebracht, zij het postuum. In diezelfde periode had hij ook al eens een vertegenwoordiger van dezelfde dienst of iets daaraan aanverwant thuis aan de deur gehad. Die had hem op het hart had gedrukt zijn lippen stijf op elkaar te houden over zijn tante en het Hofconflict. Dat maakte zijn geringe animo om zijn verhaal te delen een stuk begrijpelijker. Hij had de ambtenaar van dienst overigens gezegd dat hij het hele archief van zijn tante had ondergebracht op een veilige plek in Engeland. Maar dat was een afleidingsmanoeuvre. De hele schat lag gewoon bij hem thuis. En beetje voor beetje mocht ik daar kennis van nemen.

Frits had zoals gezegd de taak gekregen de ‘doorgevingen’ op te schrijven en te bewaren voor het nageslacht. Multomappen waren gevuld met deze wenken en inzichten, soms niet meer dan een paar regels lang, allen voorzien van datum. Voorts waren er brieven – soms van hooggeplaatsten, zoals François van ’t Sant, de ex-politiecommissaris die als vertrouweling van Wilhelmina en Juliana werd belast met de beveiliging van Greet Hofmans toen er in het kielzog van het Hofconflict in kringen van het ‘voormalig verzet’ plannen waren uitgebroed voor een aanslag op haar leven. Er waren krantenverslagen van interviews die door Greet Hofmans persoonlijk van commentaar waren voorzien. Frits had ook een collectie dikke mappen vol met verslagen van ‘vraagavonden’, waarbij Greet Hofmans als ‘doorgeefster’ door een zaal vol professoren, captains of industry, bankiers en adellijke dames werd bestookt met de meest uiteenlopende levensvraagstukken, van de mogelijkheid tot wereldvrede tot de oorzaak van kanker. Er waren liefdesgedichten voor haar geschreven door haar aanbidder Louis Visser, een Amsterdamse deurwaarder (en later politieman) met wie zij decennialang een platonische liefdesrelatie onderhield. De nalatenschap telde ook foto’s van Krishnamurti, de Indiase goeroe der theosofen aan wiens voeten Greet Hofmans had gelegen tijdens de fameuze Sterren-kampen van de theosofische vereniging in Ommen in de jaren ’20 en ’30. Er was een persoonlijke horoscoop van zijn tante, opgesteld door haar vertrouweling Wim Kaiser.

Testament
En er was een soort testament. Vlak voor haar dood in 1968 liet Greet Hofmans twee wensen vastleggen: ze wilde ‘geen graf, geen steen’ en ze wilde dat de belevenissen van haar en haar groep volgelingen geboekstaafd zouden worden in wat zij noemde ‘een logboek’. Daarin moest ‘alles precies zo worden verteld zoals het is gegaan’. Ze bepaalde dat dat boek in zeer beperkte oplage (‘niet meer dan vijftig’) diende te worden gedrukt, in wit lamsleeer gebonden, en dan opgestuurd aan een zeer select gezelschap, bestaande uit Juliana (‘de koningin die zeer open is voor alles wat met het gewone woord te maken heeft’), Krishnamurti, als ook ‘de regerende paus, de gezamenlijke loges van vrijmetselaars van de gehele wereld, het Theosofische hoofdkwartier in Bombay, Soekarno, Weinreb, en het hoofd van de synagoge’.
Beide wensen werden niet gehonoreerd. Greet Hofmans kreeg niet de door haar gewenste crematie. Tegen haar zin werd ze begraven, en wel op de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied. Haar graf kreeg in weerwil van haar laatste wens toch een zerk. En dat logboek – het verscheen nooit. Een vertrouweling van Greet Hofmans, de architect Koos de Vries, een vast bezoeker van de conferenties op ’t Oude Loo, had zich weliswaar aan het werk gezet, maar het manuscript van het logboek was na diens overlijden spoorloos verdwenen. Als het er ooit al was geweest.

‘De bevoorrechten van de voorhoede’
Wat fascineerde aan die laatste wilsbeschikking van Greet Hofmans was het rijtje namen van mensen en instanties aan wie zij het boek van haar lotgevallen wilde toen toekomen. Logica zat er zeker in. Dat Juliana op de ontvangerslijst stond, hoefde niemand te verbazen. Na de crisis van 1956-1958, waarbij Juliana plechtig moest beloven alle banden met Greet Hofmans en haar omgeving te verbreken, hebben de vorstin en haar raadgeefster naar verluidt nooit meer oog in oog gestaan, maar de spirituele verwantschap bleef. Tekenend daarvoor is de tekst van een kerstkaart die Juliana in 1991 schreef aan haar voormalige hofdame Rita Heeckeren van Molecaten-Pennink, van wie zij in 1956 ook gedwongen afscheid moest nemen, evenals van Rita’s echtgenoot, baron Walraven Heeckeren van Molecaten, die tot dan toe als de particulier secretaris van de koningin had gediend. ‘Wat waren wij op het Oude Loo toch een bevoorrechte mensen’, schreef Juliana op die kerstkaart, die historicus Han van Bree, noemt in zijn in 2015 verschenen proefschrift De geest van het Oude Loo – Juliana en haar vriendenkring 1947-1957.. ‘Een voorhoede. Nu zijn er zó veel mensen die zo denken, telkens ontmoet je ze.[…] Irene is zo’n diep iemand. Ze heeft vanzelfsprekend iedere band met de RK Kerk verbroken – maar ook, hoeveel katholieken denken er niet zoals wij, de bevoorrechten van de voorhoede’.

De geheime leer
Dat de Indische goeroe Jiddu Krishnamurti, lange tijd de geestelijke leider van de theosofische beweging, op de lijst van Greet Hofmans stond, lag eveneens voor de hand. Greet was door haar moeder, Hermania Hofmans-Penner, een theosofe van het eerste uur, reeds op 15-jarige leeftijd lid gemaakt van de Lotuskinderen, de jeugdafdeling van de theosofen. De Geheime Leer, de Bijbel van de theosofie, geschreven door de Russische mystica Helena Blavatsky, was een van de weinige boeken die Greet Hofmans, die nauwelijks bezittingen had, haar leven lang met zich meedroeg, samen met een vertaling van de Bhagavad Gītā, een der heilige boeken van de hindoes. In 1922 had ze het lidmaatschap van de Theosofische Vereniging opgezegd. Niet omdat ze haar interesse voor de theosofie had verloren, integendeel, maar vanwege ongewenste intimiteiten op de theosofische werkvloer. Een der bestuursleden van de vereniging kon niet met zijn handen van haar afblijven. Niettemin bleef ze onverminderd deelnemen aan het theosofische verenigingsleven, inclusief een jaarlijks bezoek aan de zomerkampen van de theosofische Orde van de Ster van het Oosten op het landgoed rond kasteel Eerde bij het Overijsselse Ommen, dat door baron van Pallandt ter beschikking was gesteld aan Krishnamurti en diens hofhouding.
Dat de naam van Soekarno op de lijst prijkte, was ongetwijfeld te danken aan het feit dat de Indonesische oud-president in de jaren ’50 het dekolonisatieproces had geleid dat ook in het zogeheten Hofconflict zjin sporen had nagelaten, in de zin dat Bernhard hier met zijn old boys network er alles aan deed dit proces te destabiliseren ten gunste van het Nederlandse bedrijfsleven. De speciale vermelding van de joodse gemeente in Nederland valt mogelijk deels te verklaren aan de rol die Greet Hofmans tijdens de bezetting had gespeeld in een illegale lijn die was gericht op het bevrijden van met name kinderen uit de Hollandsche Schouwburg. Ze was – samen met andere leden van haar familie – betrokken bij een joodse verzetsgroep rond Jacques van de Kar. Deze had in 1941 een anti-WA knokploeg geformeerd van ruim veertig jongens uit de boksschool Olympia. Deze groep was betrokken bij de rellen in februari 1941, die tot de dood van NSB’er Koot leidde, waarna 423 joodse mannen bij wijze van represaille lukraak van straat werden geplukt en naar concentratiekamp Mauthausen werden gedeporteerd, waar zij allemaal hun dood zouden vinden. Een van de dodelijke slachtoffers van deze eerste razzia was overigens Edmond Weinreb, de jongere broer van de man die in dit verhaal nog zo’n belangrijke rol zal spelen. Het was deze gruweldaad die zou leiden tot de Februaristaking. Toen Jacques van der Kar een functie kreeg bij de Joodse Raad in de Hollandse Schouwburg kon de groep zich zetten aan ontsnappingen van mensen die daar waren gedetineerd in afwachting van hun deportatie.
Honderden mensen konden ontsnappen via deze lijn. Greet Hofmans was betrokken bij het uitdelen van bonkaarten aan ondergedoken joden, het distribueren van valse persoonsbewijzen en het wegsluizen van kinderen uit de crèche van de Schouwburg. Ook haar zus Lies deed dit werk. De zusters waren hierin verzeild geraakt doordat Lies een goede kennis was van Harry Waterman, een joodse deurwaarder die actief was als rozenkruiser. Samen met zijn broer Lex was hij nauw bij het netwerk van Van der Kar betrokken.

Illegaal
Greet Hofmans vertelde haar neef later dat een van de beelden die ze niet meer van haar netvlies kon krijgen dat van een joods kind was dat hulpeloos stond te huilen terwijl zijn familie onder toezicht van de Amsterdamse politie uit hun huis werd gesleept. ‘De laatste jaren voor de oorlog werkte ik bij een joodse firma’, vertelde Greet Hofmans in een interview met H.A. Lunshof in Elseviers Weekblad van 23 juni 1956.’De Duitsers voerden de firmanten weg. Dat bracht mij ertoe andere joden hulp te verlenen. We hadden een bepaalde lijn, zoals men dat in die dagen noemde. Daarnaast was ik doodgewoon wat men noemt een illegaal (…)De drang om anderen bij te staan zat zo sterk in mij, dat ik risico’s nam (..)Na de bevrijding stond ik voor een diep conflict. Voor een leegte. Het helpen van mensen in de oorlog was heerlijk. Ik kon mij er in zekere zin in uitleven’.
Na de bevrijding viel ze in een diep dal. Het was toen dat haar ‘doorgevingen’ begonnen. Ze verliet Amsterdam en zocht de absolute eenzaamheid in een gehucht in Friesland. Daar verbleef ze maanden achtereen in een schuurtje van een boerderij, wennend aan haar nieuwe gave, totdat oud-ver¬zetsman Harry Waterman, die inmid¬dels had ge¬hoord dat zijn gewezen medewerkster in de illegali¬teit in een boerenschuur zat te verkommeren, ervoor zorgde dat ze terug in de wereld kwam. Later zou het overigens tot een breuk met de familie Waterman komen omdat deze Greet verantwoordelijk stelde voor het feit dat Harry voor een fatale aandoening geen hulp had gezocht bij de reguliere geneeskunde maar had vertrouwd op de mediamieke gaven van de doorgeefster.

Onophoudelijke stroom polemieken
Maar de meest intrigerende naam op lijst voor het logboek van Greet Hofmans is toch zeker die van Friedrich Weinreb, de naamgever van een affaire die in de jaren ’70 en ’80 voor een schier onophoudelijke stroom polemieken zorgde. Door het ene kamp (onder wie Jacques Presser, Renate Rubinstein en Aad Nuis) was hij uitgeroepen tot een joodse verzetsheld aan wie de Nederlandse staat een gruwelijk onrecht had begaan. Door het andere kamp (voorgegaan door W.F. Hermans, dr. L. de Jong, diens secondant bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie J.H. Van der Leeuw en de oud-rechter D. Giltay Veth, samen met Van der Leeuw verantwoordelijk voor het zogeheten Weinreb-rapport) werd hij omschreven als een ‘chassidische stinkbom’ (W.F. Hermans) dan wel ‘een buitengewoon getalenteerde psychopathische leugenaar’ (Van der Leeuw).
Frits Hofmans bleek jaren collega van Weinreb te zijn geweest bij de verzekeringsmaatschappij Providentia in Amsterdam. Deze maatschappij, gehuisvest in een statig pand aan de Herengracht waar naar verluidt ooit Hugo de Groot had gewerkt en gewoond, werd geleid door Frans Mijnssen, die samen met zijn vrouw Erna behoorde tot de inner circle van Greet Hofmans. De Mijnssens bewoonden een villa in Baarn, pal naast paleis Soestdijk, alwaar Greet Hofmans een tijd lang in de tuin bivakkeerde in een treinwagon. Deze wagon brandde af in de hoogtijdagen van het Hofconflict – brandstichting werd vermoed – waarna de Greet verhuisde naar de bovenverdieping van een pand van de Mijnssens aan de Amsterdamse Kalkmarkt. Weinreb was als spreker diverse malen te gast geweest op het Open Veld in Zeist en Greet Hofmans was zo enthousiast over diens inzichten in de joodse mystiek dat ze hem bij hem thuis uitnodigde.
In zijn autobiografie Meine Revolution, postuum verschenen in 1990, twee jaar na zijn overlijden in Zürich, schreef Weinreb uitgebreid over zijn ervaringen met Greet Hofmans en het Open Veld. Hofmans, zo schrijft hij, toonde zich diep onder de indruk van De Bijbel als schepping, het boek over de verborgen boodschappen van de heilige schrift gebaseerd op de getalsbetekenis van de oorspronkelijke Hebreeuwse letters , dat Weinreb toen net had voltooid. Toen hij het manuscript voor het boek aan Hofmans had overhandigd bij hun eerste kennismaking zei Hofmans: ‘Kijk, dat is de brandende braamstruik. Dat zoiets naar Nederland kwam, dat is een ware zegen. Gelijk drukken en uitgeven, zonder aarzeling. Kijk naar de hoofdstukken. Ze branden als een lopend vuur […] Uw boek luidt een nieuw tijdperk in. Dat zal de wereld weten. Zulke geboortes merken de mensen helemaal niet. Maar de gevolgen zullen ze wel ervaren. En hoe! Ik hoeft zoiets helemaal niet te lezen. Dat weet ik’.
Weinreb maakte er tegenover Greet Hofmans geen geheim van dat hij moeite had met haar status als wondergenezer, schrijft hij in Meine Revolution. ‘Uw “doorgevingen” maken mij ongemakkelijk’, zei hij tijdens die ontmoeting. ‘U bent een normale vrouw, pienter, nuchter. Waarom dat gedoe?’ Het antwoord was intrigerend. ‘Ik wil helemaal niet genezen. Ik heb het alleen maar met de mensen te doen, ik leef met hen mee. Maar medelijden heb ik nooit gehad. Wat is medelijden nu helemaal? En hoe lang duurt het, hoe lang houdt het aan? Het vervluchtigt snel. Een mens kan niet zoveel medelijden opbrengen. Maar ik merkte dat datgeen wat uit mijn mond wam, niet van mij kwam, het ging mijn verstand zelfs te boven, ook de taal zelf, dat was ik niet zelf[…] Waarom dat gebeurt, weet ik ook niet. Want ik ben noch een bijzonder goed mens noch bovenmatig intelligent. Ik ben een vrouw uit het Amsterdamse volk. Geen goede opleiding, geen goede scholen, gewerkt in confectieateliers, ook bij joden. Ik merkte, dat wat ik de mensen verteld, een uitwerking had. Dus niet als gevolg van mijn kennis. Ik word vaak gecorrigeerd door aardige mensen, omdat ik niet eens de taal van de betere kringen spreek. En toen merkte ik dat er steeds meer mensen kwamen. Ze vonden genezing bij mij, waar artsen vaak aan het einde van hun kennis en kunnen waren. Door Juliana kwam ik dan met de mensen uit de hogere kringen in aanraking. En die hadden vaak problemen, waarvan de gewone mensen in Amsterdam of in Friesland geen weet van hebben. Die mensen hadden psychische problemen, die soms te maken hadden met de hogere politiek, of van economische aard. Ik weet van die gebieden helemaal niets. Maar de antwoorden kwamen op dezelfde manier[…]Ik ben, als u dat wilt, zelfs een soort slachtoffer van deze “doorgevingen” ’.

Zondebok
Het contact tussen Weinreb en Hofmans speelde zich af tussen 1964 en 1968 – het jaar van het overlijden van Greet Hofmans – dus nog voor het werkelijke uitbarsten van de Weinreb-affaire. Wel had historicus Jacques Presser in 1965 in zijn spraakmakende tweedelige boek Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 al een vurig pleidooi gehouden ten gunste van de rol die Weinreb had gespeeld tijdens de oorlogsjaren. Volgens Presser was Weinreb direct na de bevrijding ten onrechte veroordeeld vanwege collaboratie. ‘De jood Weinreb is de zondebok geworden, hij heeft voor het tekort schieten van talloze niet-joden geboet’, schreef Presser in zijn tien pagina’s lange hoofdstuk over de rol van Weinreb en zijn bedrog met de verzonnen Duitse generaal Von Schumann. ‘Hij moest gefaald hebben, ook gefaald, omdat zij gefaald hadden. Niet alleen zij hadden plicht verzaakt, ook hij. Als er geen joodse verraders waren moest men ze uitvinden.’
Na het overlijden van Presser in 1970 zorgde Riod-directeur dr. L. de Jong ervoor dat het hele hoofdstuk van Presser over Weinreb als ‘achterhaald’ werd geschrapt. Een merkwaardige stap, aangezien Presser op basis van zijn eigen uitputtende onderzoek bij zijn overtuiging was gebleven, getuige een interview dat Philo Bregstein hem afnam voor het boek Gesprekken met Jacques Presser, dat in 1972 verscheen. Daarin zegt Presser: ‘Een kleine nuance waarin ik wel iets afwijk van mijn mening in 1965 is een nuance waarin ik Weinreb gelijk geef. Ik heb toen geschreven dat Weinreb de zondebok is geworden van de niet-joden. Tegenwoordig zou ik hebben geschreven: Weinreb is de zondebok geworden van joden en niet-joden samen. Maar dat is geen essentieel verschil’.
Weinreb zelf, zo schrijft hij in Meine Revolution, zat eigenlijk met de lof van Presser in de maag. Zelf had hij, na drie jaar gevangenis, afgezien van elk streven naar rehabilitatie omdat hij daar de zin niet van inzag. Zolang hij in het reine was met zijn eigen geweten, had hij daar geen publieke bevestiging nodig. Hij vreesde voor een tegenreactie. Die er inderdaad kwam. ‘Het merkwaardige was, dat de pers die hele verschrikkelijke tragiek van het uitmoorden van vijfentachtig procent van het jodendom in Nederland alleen maar zijdelings behandelde; hoe diepgaand, bijna poëtisch bijna en toch historisch-wetenschappelijk helder en gefundeerd Presser dat ook beschreven had. Maar alle recensenten gingen op het schandaal van mijn behandeling in. Dat duurde enkele weken. Maar dan gebeurde, wat ik al had vermoed: men verdroeg niet, dat zoiets in Holland had kunnen gebeuren. Vooral de overgebleven Joden, meestal niet vervolgd vanwege gemengde huwelijken, wilden niet zien dat zoiets had kunnen gebeuren in het goede, Jodenvriendelijke Holland dat zij zo demonstratief als hun vaderland hadden omarmd en dat zij verder enthousiast prezen[…]Wat van Pressers boek bleef: nu werd ik, alleen ik, aangevallen. Ik moest – een onbewust proces – tot onpersoon worden gemaakt’.
In de ogen van Weinreb waren de zedenzaken die tegen hem werden ingebracht – en die hem ook zeker fataal zijn geworden – onderdeel van de campagne tegen hem. Als kwade genius zag hij zijn aartsvijand Josef Rakower, die vlak na de verschijning van Pressers Ondergang een ingezonden brief stuurde naar het Nieuw Israëlitisch Weekblad (NIW) – dat zich eerder juist volledig had gericht op eerherstel voor Weinreb – met aanklachten van onder meer seksueel misbruik door Weinreb tijdens en na de bezetting. In Meine Revolution schrijft Weinreb dat Rakower, die ook Joods was, sinds 1942 voor de Gestapo had gewerkt informant na samen met een handlanger te zijn gearresteerd vanwege verboden goudhandel. Weinreb: ‘Beiden kwamen na een dag in de cel direct weer vrij. Ik kende de zaak, omdat de vrouw van de handlanger mij direct bezocht en mij vroeg alles in het werk te stellen om haar man weer vrij te krijgen. Ik had haar verteld dat ik zoiets niet kon doen, maar was erg verrast tien de man met zijn vriend de volgende dag weer thuis waren en dat ze beiden gedurende de hele oorlog met rust werden gelaten door de nazi’s. Nu was deze man al direct in juli 1945 een hetze tegen mij gaan voeren, omdat ik wel de enige overlevende was, die zijn activiteiten tijdens de oorlog kon doorzien. Het had echter allemaal niets uitgericht, omdat men bij de politie wel zag, dat er behalve de haat van de lasteraar niets concreets was. De man wist echter van geen ophouden, en ging door de officier van Justitie te bestoken. Maar ook deze zal hebben ingezien, dat hij met hem niets kon aanvangen, hoe graag hij dat ook zou willen. Nu hij zag, hoe na Pressers boek alles zich, geheel tegen de verwachting, tegen mij keerde, stuurde hij een ongelofelijk smerige ingezonden brief over mij in, met naam ondertekend. Dat het blad deze afdrukte, was verbazingwekkend en toonde slechts aan dat er een nieuwe fase was begonnen om mij “om te brengen”. ‘ Op advies van Mijnssen diende Weinreb een klacht in wegens smaad, maar deze werd niet in behandeling genomen.
De ingezonden brief in het NIW miste zijn uitwerking niet. ‘Niet alleen werd mijn aanklacht wegens smaad afgewezen, waar anders al een tiende van zulke verdachtmakingen zonder meer tot een proces zouden voeren – nu kwamen er opeens aanklachten tegen mij, van het Openbaar Ministerie zelf’. Volgens Weinreb was de toenmalige minister van Justitie – Ivo Samkalden, de latere burgemeester van Amsterdam – de kwade genius hierachter. ‘Hij was van joodse komaf en was mij om meerdere redenen, zoals ik vernam, zeer vijandig gezind […]Het bleek niet zo moeilijk mensen te vinden die bereid waren allerlei vuiligheid en abnormaliteiten over mij te spuien. Maar dat is meer iets voor pornografen en is ook alleen maar te begrijpen als men rekening houdt met de accumulatie van psychische afwijkingen in Holland als gevolg van het geaccumuleerde schuldgevoel’.
Voor Greet Hofmans was het direct duidelijk dat Weinreb zo snel mogelijk zijn koffers moest pakken. Ze ontving een doorgeving, op schrift aan Weinreb gegeven, die luidde: ‘Elke verbondenheid wordt verbroken. Het is uit. De raad is dat hij beter zijn koffers kan pakken en gaan – uit Nederland. Zijn gezag mist elke uitwerking in de wereld die strikken zet. Hij komt anders voor onhoudbare en niet te verwerken omstandigheden te staan die hem ongetwijfeld de nek zullen kosten’. Een eerdere doorgeving aan Weinreb, gedateerd op 23 januari 1968, stelde dat Weinreb ‘opgenomen is in een onafzienbare reeks van beschuldigingen. Onafzienbaar, want ze leveren hem uit aan de politie en wie weet wat ze dan zullen doen’.

Niet onpartijdig
Weinreb vestigde zich eerst in Jeruzalem, daarna in Zürich, waar hij tot zijn dood op 19 oktober 1988 zou blijven wonen. Al snel bleek dat Hofmans’ raadgeving terecht was. Op 18 april 1968 werd Weinreb door de rechtbank in Rotterdam veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf en drie jaar proeftijd ‘wegens het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst en schennis van de openbare eerbaarheid’. Dit op grond van gebeurtenissen van twee jaar eerder in Vlaardingen, toen hij onder valse medische voorwendselen enkele vrouwen onheus zou hebben betast. Weinreb tekende hoger beroep aan tegen de Rotterdamse veroordeling, maar dat leidde alleen maar tot een verdubbeling van de gevangenisstraf. In 1957 was Weinreb voor onbevoegde geneesheer spelen ook al eens veroordeeld. In deze metoo#-zaken avant la lettre bleef alles diffuus. Zeker is dat Weinreb op deze punten op zijn kwetsbaarst was. In het Weinreb-rapport dat het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in 1976 zou uitbrengen, zoals later ook in Regina Grüters anti-biografie Een fantast schrijft geschiedenis (1997), werden deze zaken uitvergroot om Weinreb neer te zetten als een seksueel delinquent. Hoofdstuk 6 van het Weinreb Rapport is geheel gewijd aan beschuldigingen van seksueel misbruik tijdens de bezettingsjaren. Weinreb zelf schrijft in zijn memoires Collaboratie en Verzet in hoofdstuk 13 dat medische keuringen noodzakelijk waren om zijn spel met de lijsten (zie kader) een schijn van authenticiteit te geven. Hij schrijft dat mensen die op de emigratielijst van zijn verzonnen generaal waren geplaatst zelf om keuringen vroegen, aangezien het gebruik was bij de Duitse autoriteiten om toestemming tot emigratie te koppelen aan een verklaring van goede gezondheid. Mensen wendden zich tot de Joodse Raad om te vragen wanneer de keuringen zouden plaatsvinden. Weinreb was bang dat de Joodse Raad daarover de Duitsers zou benaderen en dat zou zijn hele operatie in gevaar brengen. Dus begon hij te improviseren: een kennis had een neef die bijna klaar was met zijn studie medicijnen. Deze Edward van Lier onderzocht zo’n 800 personen, maar soms sprong Weinreb zelf in als deze geen tijd had. Vanwege de veroordelingen van 1957 en 1968 stelden Van der Leeuw en Giltay Veth dat dat reden was om die medische keuringen tijdens de bezetting opnieuw te onderzoeken. Hun kroongetuige was een vrouw die inmiddels in Israël verbleef – ‘mevrouw F.U’ in het Weinreb-rapport -die in 1942 was gekeurd voor de Weinreb-lijst en daarvoor ook gynaecologisch was onderzocht. ‘Hij deed me daarbij zoveel pijn, dat ik het uitschreeuwde’. F.U. zegt echter niet dat deze ‘dokter’ Weinreb was. Sterker nog, zij noemt de naam van Van Lier. Van der Leeuw en Giltay Veth maken dan een vreemde manoeuvre: ‘Het is denkbaar dat Weinreb in het geval van F.U. opzettelijk misbruik heeft gemaakt van de naam van dokter Van Lier […]Mede gezien de aard van het onderzoek, dat mevrouw F.U. moest ondergaan, staat het voor ons vast, dat het Weinreb was, die haar “keurde”‘. Echter, in een brief van F.U. aan Van der Leeuw gedateerd op 20 oktober 1976, schrijft deze: ‘In het begin van dit jaar las ik op de voorpagina van De Telegraaf een artikel over de “Heer” Weinreb. De foto, die hierbij was afgebeeld, herken ik niet, maar ofschoon ik betwijfel of ik “dr. Lier”zou herkennen, geloof ik toch niet, dat diegene die mij onderzocht heeft, de Heer Weinreb was’.
Natuurlijk staat deze brief niet in het Weinreb Rapport, dat toen al verschenen was. Zonder het relaas van F.U. is het verhaal van Weinrebs seksueel misbruik tijdens de bezettingsjaren zo goed als van tafel. Wat Van der Leeuw en Giltay Veth hier hebben gedaan waren de veroordelingen van 1957 en 1968 met terugwerkende kracht inzetten in hun bewijsvoering. Onpartijdig is hun onderzoek, dat maar liefst zes jaar duurde zonder Weinreb enige redelijke kans tot weerwoord te geven, in ieder geval niet. Alles dat sprak tegen hun bevindingen, filterden ze uit hun rapport. Zoals de bevindingen van Weinrebs reclasseringsambtenaar A. Lahuis, die er na grondig onderzoek van overtuigd was geraakt dat de veroordelingen in de zedenzaken tegen Weinreb onterecht waren, want boze opzet van rancuneuze dames van middelbare leeftijd met morbide seksuele fantasieën rond een vrome jood.

Al dat Weinreb restte, waren de troostende woorden van Greet Hofmans. ‘Ervaart u het niet als normaal, als rechtvaardig, dat u moeilijkheden met Nederland heeft? Had u soms precies willen zijn hier? Daar hebben we toch de dommen voor, de beperkten, de drukdoeners. Daar bent u voor behoed’.
Het moet een schrale troost zijn geweest.

Frits Hofmans overleed enige jaren geleden nadat een slopende maagziekte – dezelfde die zijn tante fataal was geworden – een eind had gemaakt aan zijn grote levenslust en hij een gevecht moest voeren voor een waardig levenseinde. Hij verwelkomde de dood als een oude vriend. Net zoals zijn tante had gedaan, en Friedrich Weinreb, zag Frits het leven niet als een lineair proces dat zich afspeelt tussen wieg en graf, maar als een cirkelbeweging, zonder einde en zonder begin.

In het volgende deel over het geheime archief van Greet Hofmans onder meer aandacht voor de moordaanslag op haar op tweede kerstdag 1957 in Baarn.