Na de dood van hun zoon, nog in de buik, gaan journalisten Jop de Vrieze en Zvezdana Vukojevic op zoek naar antwoorden in het Nederlandse systeem van geboortezorg. Gynaecoloog: „Hadden we hem kunnen redden? Misschien wel.”

STEUN RO

‘Had je niet eerder kunnen bellen?’ Een kwartier eerder stapte ik binnen bij onze verloskundigenpraktijk, omdat ik niet meer wist wanneer ik ons zoontje voor het laatst heb voelen bewegen in mijn buik. Eerst werd ik bijna weggestuurd, beide spreekkamers waren bezet. „Ga thuis maar een uurtje rustig liggen”, kreeg ik te horen. „Als je dan niets voelt, bel je ons spoednummer.” Ik drong aan dat ze mij desnoods in het keukentje zou onderzoeken. Dit gebeurde, op een deken op de vloer. „Weet je zeker dat je 34 weken bent? Je gaat zo makkelijk liggen.” De verloskundige legde haar hand op mijn buik: „Wat voelt ’ie klein aan!” De week ervoor had een andere vroedvrouw nog gezegd dat het formaat van de baby in orde was. Met een doptone had ze het hartje laten horen.

Nu schuift datzelfde apparaatje van links naar rechts en van onder naar boven over mijn buik, maar al wat we horen is mijn eigen trage hartslag. „Misschien kan mijn collega wel iets vinden.” Ook zij schuift de doptone vergeefs over mijn buik. „Had je niet eerder kunnen bellen?” Was het mijn eigen schuld? „Bel je man.”

Twee dagen later, op 27 augustus 2015, wordt onze eerste zoon, Mikki de Vrieze in het Amsterdamse Onze Lieve Vrouwe Gasthuis geboren. In stilte. Hij is klein, zijn ribbenkast is wat ingevallen, maar alles klopt – behalve zijn hartje. „Het is een prachtig kind”, zegt verpleegkundige Margo. Waarom, in godsnaam, is hij overleden?

OVER DE TOTSTANDKOMING VAN DIT ARTIKEL