De schaamluis wordt een museumstuk, maar de wolf keert terug in Nederland. Welkom in het Antropoceen. In een verstedelijkte wereld moeten mens en natuur wel samenwerken. Op de Architectuur Biënnale van Rotterdam is de boodschap dat de klimaatsveranderingen alleen het hoofd geboden kunnen worden door met de natuur mee te werken of zelfs het voortouw te nemen.

STEUN RO

Wat heeft de schaamluis te maken met het antropoceen, het tijdperk waarin het Aardse klimaat de gevolgen ondervindt van menselijke activiteit? Alles, zij het niet wat de verzinners van de grote expositie Urban by nature met de term bedoeld hebben.

De schaamluis heeft altijd prima gedijd in de geheime, behaarde plooien van het mensenras, tot voor enkele decennia daar onder invloed van de mode steeds minder haar verscheen. Het Natuurhistorisch Museum Rotterdam plaatste vorig jaar een oproep om een paar exemplaren van de phthirus pubus, ofwel ‘het platje’, te schenken.

De oproep werd nationaal nieuws. En zowaar er kwamen enkele schaamluizen binnen, compleet met een dot onvervalst schaamhaar uit 1949. Je vraagt je af wie dat bewaard heeft en waarom, maar hoe het ook zij, de schaamluis is nu een museumstuk geworden. Net zoals de wolf in vele regionale natuurhistorische musea een plekje heeft gekregen onder de vermelding van 'de laatste wolf van…' en dan volgt de naam van de regio. 

Op de Internationale Architectuur Biënnale van Rotterdam vormen de schaamluisjes maar een piepklein moment in een tentoonstelling die een wereldomvattend thema aankaart. De mensheid is aangekomen in een tijdperk, waar de mens aarde en biosfeer voortaan diepgaand zal beïnvloeden, ten goede of ten kwade. In het ‘Antropoceen’ zal beslist worden of aarde en mensheid verder met elkaar kunnen of dat het huwelijk is afgelopen.

De mensheid zal met haar technisch vernuft het huwelijk moeten redden, anders wordt het leven door klimaatveranderingen en uitputting op den duur onleefbaar. En – natuurliefhebbers gruwen ervan – de stad speelt in deze overlevingsstrategie een overwegende rol, leuk of niet. Dat is de boodschap van deze biënnale.

Biodiversiteit

De phthirus pubus mag dan het onderspit gedolven hebben door de veranderingen in de lichaamscultuur van de stadsmens, ooievaars, vossen, zeemeeuwen en andere diersoorten lijken hun draai in de stedelijke samenleving wèl gevonden te hebben.

 

De stad en de stadsranden vormen een tamelijk rijke omgeving voor dier en plant. Berichten over de bijen- en insektenstand, die in een urbane omgeving beter is dan in agrarische gebieden waar bestrijdingsmiddelen en monocultuur een verwoestende invloed hebben op de biodiversiteit, zijn veelzeggend.

Een mooi voorbeeld is de 'rode lijst-tuin' in Arnhem. Daar zijn, in een hele gewone tuin, bedreigde plantensoorten als de ooievaarsbek en de tongvaren uitgezet. Het blijkt dat de planten het zo goed doen dat ze inmiddels ook elders in de stad gesignaleerd worden op vochtige kalkmuren.

We kunnen niet meer terug naar het natuurlijk evenwicht

Landschapsarchitect Dirk Sijmons, die lange tijd Rijksadviseur voor het Landschap was, weet het zeker: ‘Bio- en technosfeer raken steeds meer met elkaar verweven. We kunnen niet meer terug naar het natuurlijk evenwicht, net zoals we ook niet meer terug kunnen naar het weer van vroeger.’ We moeten onze ideeën over eenzijding natuurbehoud dus laten varen en actief aan de slag.

Sijmons is curator van de expositie Urban by nature in de Kunsthal en het Natuurhistorisch Museum, en daar is een gesprek te zien tussen hem en Johan van der Gronden, directeur van het Wereld Natuurfonds. De laatste moet het wel met Sijmons eens zjin. In deze verstedelijkte wereld kan de stedelijke omgeving de natuur ook kansen bieden, die vervolgens gegrepen dienen te worden. 

Sijmons noemt dit nieuwe bewustzijn, dat tot een flexibelere relatie tussen aarde en mens kan leiden, een groot waagstuk. ‘Het is zoiets als beweeglijk zijn met het beweeglijke,’ zegt Sijmons. Hij gebruikt ook graag de Chinese uitdrukking ‘het berijden van de tijger’.

Terwijl de klimatologische veranderingen in volle gang zijn moeten wij daarop inspelen, zonder dat we weten of de reactie afdoende is en wat ze eventueel voor gevolgen kan hebben. Bouwen met de natuur is inmiddels al een redelijk beproefd recept. De aanleg van de Zandmotor, het grote kunstmatige wad voor de Zuid-Hollandse kust, is een voorbeeld. Het wad is een vooruitgeschoven post (met zeehondjes!) tegen de naderende stijging van de zeespiegel, effectiever dan het verhogen van de dijken maar wat voor zeestromen de aanleg te weeg brengt weten we nog niet.

Het systeem van kwelders en uiterwaarden dat Nederland al eeuwen kent is historisch gesproken een succesvolle aanpak gebleken. Het is immers riskant om rivieren met alle macht binnen de dijken te willen houden en bovendien lelijk omdat het tot de bouw van torenhoge muren in het landschap zou leiden. Het overloopsysteem is goed voor de natuur en de landbouw. De verleiding is dat projectontwikkelaars willen bouwen 'buiten de dijken'.   

Aristoteles
Een voorbeeld van ‘antropoceen’ ingrijpen is ook de nieuwe natuur die overal in het ooit volledig omgespitte en bestrate Nederland aan het ontstaan is. Excuus, nieuwe natuur ontstaat niet maar wordt actief aangelegd, maar is zij er eenmaal dan kan het hard gaan. Zo kan de wolf binnenkort misschien weg uit de natuurhistorische musea. De eerste wolven zijn in Nederland gesignaleerd en, wie weet, vinden ze hun weg zelfs naar ‘de nieuwe wildernis’ van de Oostvaardersplassen.  

Sijmons betreurt het nog steeds dat aan het eind van de gelijknamige film over de Oostvaardersplassen niet even uitgezoomd wordt naar de horizon, want het gebied ligt veelbetekenend in tussen twee grote stedelijke gebieden: Almere en Lelystad.Een ander voorbeeld zijn de oesterbanken in de Oosterschelde. Om het afkalven van de slikken en schorren daar tegen te gaan wordt de Miyagi-oester ingezet. Deze bouwt zelfstandig grote rifstructuren die dan vervolgens bescherming bieden tegen de golfslag. 

Politieke onwil en nationale economische belangen houden de mensheid voorlopig nog gevangen

De mens is van nature een stadsbewoner. Dat wist Aristoteles al. Niet de nobele wilde die Rousseau zich voorstelde is de mens, maar het wezen dat in huizen woont, wegen bewandelt en handel drijft. Daarmee drukken we een onuitwisbaar stempel op de aarde, die zich onder die druk aanpast en transformeert; de mensheid zal mee moeten in die transformatie.

Of dat gaat lukken is een open vraag. De biënnale geeft wel enkele interessante strategiën te zien, heel instructief in beeld gebracht, maar of het genoeg zal zijn is de vraag. De transitie is namelijk maar voor de helft afhankelijk van vooruitziende architecten, biologen, technici en landschaparchitecten. Politieke onwil en nationale economische belangen houden de mensheid voorlopig nog gevangen in de oude suïcidale constructies.

Toch gaan kijken, want de Biënnale is voer voor optimisten. En die hebben het hard nodig.

Dr. Jan-Hendrik Bakker, journalist en filosoof. Specialist in media, literatuur en de moderne stedelijke cultuur waaronder architectuur en ruimtelijke ordening. Was in het verleden verslaggever bij het AD, criticus voor de GPD-bladen en won de Jan Hanlo Essay Prijs Klein 2007. Auteur van de boekenŒ 'GrondŒ' enŒ 'Welkom in Megapolis'.