In 1918 ging het Romeinse Rijk definitief ten onder, legt classicus Anton van Hooff uit. Uiteindelijk gaven zowel de laatste tsaar van Rusland als de laatste keizers van Duitsland en Oostenrijk zich uit als rechtmatige opvolgers van ‘keizer’ Augustus. Tekst: Anton van Hooff

STEUN RO

In 1918 gingen in Europa de lichten die in 1914 waren gedoofd, bepaald niet weer schitterend branden. Tot de dramatische omwentelingen die dit jaar hun eeuwfeest ‘vieren’, hoort het definitieve einde van het Romeinse Rijk. Tsaar Nicolaas II, die al in 1917 was afgezet, werd op 17 juli met zijn gezin vermoord. Karel I, kortstondig keizer van Oostenrijk, dankte af op 11 november, de dag van de Wapenstilstand. Kaiser Wilhelm II die op 10 november naar Nederland was gevlucht, stemde op 28 november officieel in met zijn afzetting. Alle drie maakten er aanspraak op opvolgers te zijn van ‘keizer’ Augustus.
Het unieke van de titel keizer is dat een Romeinse nevennaam (cognomen), die van Gaius Iulius Caesar (100-44 vC), titel werd. Gaius Octavius, die bij testament door zijn oudoom werd geadopteerd, nam de naam Gaius Iulius Caesar aan. Officieel herinnerde de toevoeging Octaviaanse, Octavianus, aan zijn afkomst, maar hij presenteerde zich (bijvoorbeeld op munten) steeds als de nieuwe Caesar. De monarchen die hem opvolgden – meest door adoptie – konden zich nog met enig recht Caesar noemen, maar met de dood van Nero in 68 was de dynastie uitgestorven.
Galba en Otho, de eerste twee van legerleiders die in het Driekeizerjaar 68/69 om de macht streden, eigenden zich echter prompt de benaming Caesar toe. Voor hen was zij dus al een titel. Onder de triomferende vierde pretendent Vespasianus (keizer 69-79) kreeg het Caesarschap een institutionele vorm. Na hem heetten alle vorsten ‘Imperator Caesar Augustus’. Met die titels, in de afkorting IMPCAESAUG, beginnen de muntopschriften rond het portret van de ‘keizer’. Sinds Caesar werd de vorst direct vanaf het begin van zijn bewind op de munten afgebeeld, een gewoonte die de fossiele monarchieën van tegenwoordig voortzetten.
Een favoriet tentamenvraag van mij was:
Wat is een keizer? Geef antwoord in maximaal 15 regels, wijs 3 elementen aan en gebruik daarbij met kennelijk begrip de Latijnse technische termen.
In het goede antwoord stond dat de keizer krachtens zijn functie van proconsul van de buitenprovincies waar het merendeel van de troepen lagen, in feite opperbevelhebber was. Hij was bekleed met de tribunicia potestas, bevoegdheid van volkstribuun, en zo verantwoordelijk voor brood en spelen in de Stad. Als pontifex maximus, opperpriester, vertegenwoordigde hij de Romeinen tegenover de goden. Vooral het onder woorden brengen van het religieuze aspect, bleek altijd moeilijk. Voor een vrolijk moment bij het nakijken zorgde een student: ‘Augustus gaf zich uit ook voor een god (wat hij niet was).’ Je zou als docent maar eens rare gedachten kunnen hebben…

Rijkscommandant

In elk geval was het wezenlijk voor het keizerschap dat het op zichzelf constitutionele functies uit de republiek in één persoon verenigde. Daarbij werd zorgvuldig de schijn van autocratie vermeden. Vóór alle was hij de rijkscommandant. Vandaar dat de reeks titels in inscripties en op munten altijd begint met Imperator, waarvan het Franse ‘empereur’ is afgeleid.
De Romeinen duidden de positie van de keizer niet aan met caesaritas, augustalitas of iets dergelijks en zeker niet met het hatelijke rex, koning, of dictator. De woorden Imperator, Caesar en Augustus bleven eretitels. De functie van wat wij de keizer noemen, werd principatus genoemd. Dat betekende leiderschap. De princeps van de senaat was vroeger degene die op grond van waardigheid, in de Republiek anciënniteit, als eerste zijn mening gaf over het voorstel van een magistraat en zo het verloop van het debat stuurde. De keizer was de grote voorganger van de gemeenschap. Van princeps is ons ‘prins’ afgeleid, vaak misverstaan als ‘koningszoon’, maar de Prins van Oranje is de vorst van Orange.

Sesar of kaisar?

‘Wat is juist,’ wordt me regelmatig gevraagd, ‘sesar’ of ‘kaisar?’ Soms wordt nog de derde variant genoemd, ‘tsesar’. Wel, als het de historische figuur betreft doe ik niet pedant door de historisch correcte uitspraak kaisar te gebruiken. De Grieken hoorden de Romeinen dat zeggen en schreven daarom KAISAR. Ook onze taal geeft een bewijs. Terwijl de c voor e- en i-klink later als een s of ts werd uitgesproken, heeft het Nederlands ‘kelder’, van cellarium, en ook ‘keizer’. Beide waren Romeinse innovaties die met naam en al werden overgenomen. (Verder ben ik overigens van mening dat de c uit het Nederlandse alfabet moet worden verwijderd; gewoon konfiskatie en konfiskeren in plaats van de c bij het eerste en qu bij het tweede woord. En ‘scepsis’ moet toch niet hetzelfde als ‘sepsis’ klinken).
In ieder geval heeft door de klankverandering in het late Latijn de uitspraak van caesar zich gesplitst in die met de k in de Germaans talen en met de (t)s in andere talen, zoals in het Russische ‘tsaar’. Maar het instituut gaat terug op die ene Caesar.

Het keizerschap gesplitst
Na de dood van keizer Theodosius de Grote in 395 viel het Rijk voorgoed uiteen in twee delen. Zoon Arcadius kreeg het oosten met Constantinopel als hoofdstad. Honorius regeerde het westen vanuit Ravenna, nadat Milaan te onveilig was gebleken. De idee was wel ‘één keizerschap in twee personen’, maar in de praktijk dreven de oostelijke rijkshelft van Arcadius en het westen onder Honorius spoedig uiteen. Het territoor van het Romeinse Rijk in het westen schrompelde snel ineen. Barbaarse legerleiders, die nog wel uit naam van de keizer opereerden, wisten het tij niet te keren. Ten slotte maakt Odoaker in 476 een einde aan de farce. Hij stuurde de laatste keizer Romulus Augustulus met voortijdig pensioen naar Campanië en noemde zich koning, rex, van Italië. Het westelijke keizerschap liet hij door de senaat formeel teruggeven aan de keizer van Constantinopel.

Het oosterse keizerschap

Op grond van deze herstelde eenheid van keizerschap deed Iustinianus (keizer 527-565) verwoede pogingen om het westen weer in handen te krijgen. Uiteindelijk bleef van zijn veroveringen in Italië alleen het exarchaat, buitenprovincie, van Ravenna over. Tot 751, toen de Longobarden de stad innamen, was de stad veilig achter een strook zompig land. Ravenna kreeg de monumenten die bij een christelijke residentie hoorden. Daarvan overleefden kerken en kapellen de latere plunderingen, zodat in Italië een Byzantijnse culturele enclave overbleef. De San Vitale was als orthodoxe rondbouw het model voor de Paltskapel van Aken, die op zijn beurt voorbeeld was voor de Nikolaaskapel op het Nijmeegse Valkhof, beter bekend als de Karolingische Kapel, het oudste bewaarde gebouw van Nederland. Van de mozaïeken van Ravenna zijn die in de San Vitale wel het beroemdst: ze tonen keizer Iustinianus en zijn vrouw Theodora als vrome gelovigen.
Het Oost-Romeinse of Byzantijnse Rijk, waarvan de onderdanen zich in het Griekse Romeinen, Romaioi, noemden, bleef met vele ups en downs tot 1453 bestaan. Toen ik in januari 2016 door een islamitische sekte was uitgenodigd om de atheïstische satan te spelen, werd ik door enkele jonge Turken in Istanboel rondgeleid. Ze bleken geen benul te hebben van het feit dat de stad al een millennium vóór de Ottomanen een metropool was.
Bijna een eeuw later in 1547 ‘herstelde’ Iwan de Formidabele, vorst van Moscovië, het Romeinse Rijk in het oosten door zich Tsaar te laten noemen. Moskou werd het derde Rome. Peter de Grote verwesterste in 1613 de titel tot Imperator, maar tsaar bleef de gewone benaming tot en met Nicolaas II (tsaar 1894-1917). Daarna is de term in overdrachtelijk zin wel toegepast op Stalin: de rode tsaar en tegenwoordig wordt Poetin graag met de tsaar vergeleken.
Na de ineenstorting van het communisme heeft de Russische Federatie heel wat symbolen uit de tsarentijd weer van stal gehaald. In de jaren negentig gaf ik op het Eerste Klassieke Gymnasium van Sint-Petersburg een gastles over Romeinen in Nederland. Ik liet daarbij een dia zien van het stadswapen van Nijmegen, dat de plantsoenendienst ieder jaar in bloemen uitlegt bij de Waalbrug. ‘Maar dat is ons wapen!’ riepen de leerlingen uit.

Renovatio in het westen
Inderdaad, het wapen dat nu op Russische emblemen en munten te vinden is, de dubbele, gekroonde adelaar, is identiek aan het wapen dat Nijmegen als vrije rijksstad sinds de Ottonen voert. Die ‘herstelden’ in 962 het Heilige Roomse (=Romeinse) Rijk van de Duitse Natie. Dit was weer een hernieuwing, renovatio, van het Romeinse Rijk dat in 800 door Karel de Grote in het westen al was hersteld en ook als zodanig erkend door de keizer van Constantinopel.
In beginsel bleef dat bestaan tot 1804 toen Napoleon de Habsburgers dwong voortaan tevreden te zijn met de titel Keizer van Oostenrijk. Zelf noemde hij zich Empereur, naar het Latijnse Imperator. Al in 1814 kwam er een einde aan deze Franse tak van het keizerschap, maar in 1852 renoveerde Napoleon III, oomzegger van de grote Napoleon, deze variant, waaraan een bestaan tot 1870 beschoren was.
In de negentiende eeuw leed het keizerschap aan regelrechte proliferatie. Naast de twee Franse empereurs, had Brazilië van 1822 tot 1889 een imperador. Mexico was zelfs twee keer voor korte tijd een keizerrijk, van 19 mei 1822 tot 19 maart 1823 onder Augustin I en van 1864 tot 1867 onder Maximiliaan I. Hij was de jongere broer van keizer Franz Joseph. Op aandringen van empereur Napoleon III en op uitnodiging van Mexicaanse monarchisten maakte hij met een Oostenrijks-Franse escorte vanuit Triëst de overtocht en verklaarde zich bij aankomst tot emperador. Hij werd de republikeinen echter nooit de baas. Na het einde van de Amerikaanse Burgeroorlog in 1865 kreeg het verzet militaire steun vanuit de VS. Op grond van de Monroe-doctrine was Europese interventie taboe. Ook de dreiging die van Pruisen uitging deed Naopleon III besluiten de Franse troepen terug te trekken. Maximiliaan weigerde te vertrekken, bood met zijn loyalisten dapper weerstand, maar werd gevangengenomen en op 19 juni 1867 gefusilleerd.
Zijn aanvankelijke beschermer Napoleon III verloor met de oorlog tegen Duitsland zijn keizerschap door de slag bij Sedan, 2 september 1870. Al binnen enkele maanden, op 18 januari 1871, riepen de Duitse vorsten in het paleis van Versailles Wilhelm I tot Deutscher Kaiser uit. Na zijn dood in 1888 kon zijn zwaar zieke zoon Friedrich maar 99 dagen keizer zijn, zodat het Driekeizerjaar werd doordat Wilhelm II opvolgde.
Deze liet voor zijn vader de Kaiser Friedrich Gedächtnis Kirche oprichten, waarvan de gehavende toren het symbool is van Berlijns verwoesting in de Tweede Wereldoorlog. De neogotische kerkhal is verdwenen en vervangen door een grote ruimte in staal en beton. Maar de voorhal van de oude kerk is bewaard gebleven. Daar is een mozaïek van de keizerlijke familie aangebracht, vroom op weg naar het avondmaal. De overeenkomst met de keizerlijke mozaïeken van de San Vitale in Ravenna is onmiskenbaar. Wilhelm II met zijn jubelsnor is meteen herkenbaar. Hij was in 1918 de laatste van de drie keizers die ten val kwamen en daarmee twee millennia keizergeschiedenis afsloten.

Meer dan een koning
De achtergrond van de negentiende-eeuwse herleving van het keizerschap was dat ‘koning’ te gewoon was. In Duitsland moest ook duidelijk zijn dat het Kaisertum hoger stond dan het koningschap van Saksen, Beieren, Württemberg en dat van Pruisen, dat Wilhelm I ook bekleedde.
Het idee dat een keizer meer is dan zomaar een monarch heeft ertoe geleid dat de heerser van China ook als keizer werd aangeduid, evenals nog steeds de tenno van Japan. Ook Haile Selassie, de voormalige negus van Ethiopië, was historisch gezien geen keizer.
De haringhandel in Den Haag erkent dit statusonderscheid: B. Buijs stelt zich als haringkoning bescheidener op dan R. Buijs, de haringkeizer. Alphen aan den Rijn heeft slechts een haringprins…