In sommige landen zijn begrippen als persvrijheid, acceptatie en democratie niet meer dan een uitzondering op de regel. Ook in het Oost-Afrikaanse Oeganda. George (37) werd als campagnevoerder voor mensenrechter in zijn geboorteland op een dag gevangengenomen in een martelhuis. Hij wist op ondenkbare wijze te ontsnappen.

STEUN RO

George pakt een pen en begint het martelhuis te schetsen. Hij tekent een rechthoek met een klein vierkant ernaast. Vervolgens deelt hij de plek op in vier ruimtes. Eerst een kleine eetruimte in de hoek van het huis, waar de bewakers samen – maar nooit met z’n allen tegelijk – hun maaltijden nuttigden in de pauze. Daar precies tegenover, in de andere hoek, vlak bij de in- en uitgang, tekent hij de cel van iemand waar hij slechts een glimp van heeft opgevangen. Daarnaast beeldt hij nog een cel af. Daarin schrijft hij: ‘cel van George’.

In werkelijkheid is deze niet groter dan vier bij twee meter. De grond was koud en ruw, de tralies donkergrijs met witte motieven en het oneffen eenpersoonsbed was niet gemaakt voor jarenlang gebruik. George slaakt een diepe zucht; voor het uitblazen heeft hij minstens drie seconden nodig. Hij trekt zijn broekspijpen omhoog. Enkele littekens worden zichtbaar. Vervolgens knoopt hij zijn gladgestreken, blauwe blouse los. Ik zie minstens vijf littekens op zijn onder- en bovenarm en op zijn schouder. Mijn mond valt open. Wat een woede zou ik voelen wanneer iemand mijn lichaam zou verminken. Dan draait hij zich om. Drie littekens, waarvan één bijna twintig centimeter lang, bedekken de bovenkant van zijn rug. Hij zwijgt. Ik ook.
De geboren Oegandees tekent langzaam verder, terwijl zijn wenkbrauwen nu zo ver dalen dat zijn donkerbruine ogen nog maar half zichtbaar worden. De vierde en laatste ruimte is overduidelijk de grootste, zo’n dertig vierkante meter, gelegen in het midden van het verblijf. Dit was een open ruimte die hij vanuit zijn cel kon zien. Hij tekent een simpel poppetje, en vertelt, nadat hij hoorbaar slikt, dat hij daar meerdere malen een mens heeft zien liggen. Bebloed. Dood. Of zo goed als dood. Dan ging hij op bed liggen en dacht hij bij zichzelf: morgen kan ik daar liggen.

George begint te gapen. Hij is niet moe, maar doet alsof om een andere verklaring te geven voor zijn vochtige ogen. “You can’t imagine,” zegt hij hoofdschuddend, “it was the devil’s place”. De zon straalt op deze lentedag in Ermelo, maar het lijkt alsof zijn appartement is gevangen in de schaduw. Even is hij niet meer die vrolijke, altijd lachende Afrikaan, maar een getraumatiseerde vluchteling. Een vluchteling met een pijnlijk verleden en een wonderbaarlijke ontsnapping die letterlijk en figuurlijk littekens heeft achtergelaten.

Grote passie